Bernard-Henri Lévy over Sartre

Sartromania

De minnaar van de vrijheid is twintig jaar dood. Tijd voor een nieuwe blik op de vader van het existentialisme. Bernard-Henri Lévy schreef een monumentaal boek over Sartre en zijn eeuw.

In 1980 stierf Jean-Paul Sartre, Frankrijks bekendste filosoof en meest eigenzinnige intellectueel, vier jaar later gevolgd door Simone de Beauvoir. De publicatie van hun brieven en dagboeken veroorzaakte een golf van opwinding. De politieke kwade trouw en voorkeur voor onervaren jonge meisjes van de meester, zijn amfetamine- en drankverslaving, de altijd ontkende biseksualiteit van Beauvoir en de libertijnse machtspelletjes die zij met hun leerlingen speelden, werden het onderwerp van een eindeloze reeks boeken en artikelen.

Nu, twintig jaar later, lijken de gevoelens van ressentiment en teleurstelling uitgekristalliseerd. Degenen die hem toen verwierpen of eenvoudigweg negeerden, achtten de tijd rijp voor een nieuwe blik op Sartres leven en op het existentialisme. Belangrijker vragen staan centraal in nieuwe werken over het beroemde paar: is het existentialisme werkelijk door structuralisten als Foucault, Derrida en Lacan weggevaagd, wat hebben Sartres politieke denkbeelden eigenlijk ingehouden, hoe staan deze in verhouding tot zijn filosofie? Naast onder meer een omvangrijke biografie, persoonlijke verslagen over Sartres omgang met de studenten van mei ’68 en zijn verhouding met Simone de Beauvoir, verscheen ook een gedetailleerde analyse van zijn filosofie: het monumentale Le siècle de Sartre van Bernard-Henri Lévy. De afgelopen maanden ontstond in Frankrijk een ware ‘sartromania’. Sartre is nog altijd het archetype van de moderne Franse intellectueel.

Sartre gold in de jaren zestig als een filosofisch en politiek orakel. Hij was genereus met zijn vriendschap en is altijd zeer benaderbaar gebleven. Wel had hij een uiterst strak tijdschema waarin de meeste plaats werd ingeruimd voor schrijven. Naast de tijd die Sartre besteedde aan Simone de Beauvoir – bijgenaamd Castor, de ‘noodzakelijke’ liefde – moest hij uren of dagdelen vrijhouden voor oude en nieuwe maîtresses, en contingente liefjes, die hij vaak in het geheim ontmoette. Het geheel werd de ‘familie’ genoemd. De familie werd door Sartre onderhouden, wat de banden met hem nog onverbrekelijker maakte. Om geld gaf hij niets. Hij leefde zeer Spartaans, bezat zelfs geen boeken afgezien van de mooie Pléiade-collectie. Hij fascineerde jonge mensen door de romantische glans van zijn leven: in alles wat hij deed zagen zij een uitstraling van vrijheid en transparantie, precies zoals hij dat in zijn filosofie had beschreven. Velen verlangden naar zo’n leven van schrijven en reizen en spannende ontmoetingen met Fidel Castro en Marilyn Monroe, een leven waarin naast de grote liefde ook plaats was voor talloze avontuurtjes. Zij bewonderden hem vurig om zijn niet aflatende inzet voor grote politieke zaken. Sartre had tijdens de Algerijnse oorlog zijn leven op het spel gezet: zijn flat was opgeblazen, hij was op het nippertje aan aanslagen ontkomen. Hij werd gehaat door het conservatief-katholieke deel van Frankrijk, hij was de vijand van het establishment. Zijn volgelingen kozen onvoorwaardelijk voor een sartriaans bestaan. Zij leefden in kleine tweekamerappartementjes met een minimum aan comfort op de Parijse rive gauche, gruwden van elk soort huishoudelijke taak en aten in restaurants en bistro’s. Zij kleedden zich slordig, rookten zware Boyards en dronken whisky.

Aan het einde van zijn leven liep Sartre echter in de armen van doorgedraaide, jonge maoïsten en vervreemdde hij iedereen van zich. Hij raakte in de ban van zijn zoveelste ‘secretaris’ Benny Lévy die de oude, blinde man tot gewelddadige politieke uitspraken wist aan te sporen. Er werd gesproken van ´bejaardenmisbruikª, Castor raakte haar invloed op hem kwijt en moest met lede ogen aanzien hoe Sartre door de ‘mao’s’ voor hun eigen doeleinden werd ingezet.

Hevig was de schok toen Sartres volgelingen na zijn dood beseften dat hij vele rollen had gespeeld en diverse gedaantes had gehad. Geleidelijk aan ontdekten zij dat Sartres filosofie nooit een coherente eenheid was geweest, maar dat hij zichzelf telkens weer een nieuw filosofisch jasje had aangemeten. Ook in politiek opzicht had hij niet alleen vergissingen gemaakt, hij had ook vaak tegengestelde verklaringen afgelegd. Vlak voor zijn dood verwierp hij de denkbeelden die hem beroemd hadden gemaakt en moest hij zijn falen erkennen: het grote werk over de nieuwe moraal zou er nooit komen. De mythische liefde die Sartre en Beauvoir bijeenhield, bleek veel weg te hebben gehad van het burgerlijke huwelijk dat Sartres bewonderaars zo verfoeiden. Zij hadden gedacht dat ze hem kenden en opeens ontdekten zij dat ieder van hen zijn eigen Sartre had.



In feministische kringen werd opgemerkt dat Beauvoir en niet Sartre de grote filosoof van de twee was. Hun levens waren zo met elkaar vervlochten dat je moeilijk kon zeggen waar het ene begon en het andere ophield. Er is een merkwaardige symmetrie zichtbaar in de dubbele biografie van Sartre en Beauvoir, waarbij opgemerkt moet worden dat Sartre Beauvoir altijd iets voor is geweest in de gebeurtenissen en beslissingen die hun leven hebben bepaald. Zij kwamen allebei uit gegoede bourgeoiskringen en studeerden aan de prestigieuze École Normale Supérieure. Hij was bij het eindexamen eerste van hun jaar, zij tweede. Zij schreven beiden een spraakmakende roman: La nausée in 1939, L’invitée in 1943. Sartre publiceerde L’être et le néant, waarmee hij het existentialisme wereldbekendheid gaf; Beauvoir schreef Le deuxième sexe en werd de eerste die de condition féminine serieus onder de loep nam. Waar Sartre de mens voorstelde als veroordeeld tot absolute vrijheid, wilde Beauvoir aantonen dat het vrouwzijn in essentie een ontbreken van vrijheid was. Na de oorlog reisde Sartre af naar Amerika waar hij verliefd werd op Dolorès, de enige vrouw die een serieuze bedreiging heeft gevormd voor zijn verhouding met Castor. Beauvoir vertrok eveneens naar de VS en ontmoette haar grote liefde Nelson Algren. Terwijl Sartre zich omringde met de wereldvreemde, naar totalitarisme neigende mao’s, belandde Beauvoir in kringen van sektarische radicaal-feministen. Sartre adopteerde Arlette Elkaïm die zijn literaire weduwe werd, en Beauvoir de jonge Sylvie le Bon die ijverig over haar oeuvre waakt. Zij bezweken uiteindelijk aan dezelfde kwalen: longemfyseem en levercirrose. Zij liggen samen op de Cimetière de Montparnasse, die zij allebei konden zien vanuit het raam van hun laatste appartement. Beauvoir woonde aan de ene kant, Sartre aan de andere.

Dit impliceert niet dat er een dubbele biografie van de ´minnaars der vrijheidª moest komen. Claudine Monteil, die zich hieraan waagde, excelleert blijkbaar in het truttige damesgenre van de vie romancée. Wat zij over Sartre en Beauvoir vertelt, is allang bekend. Beauvoir heeft prachtige, zij het niet altijd even eerlijke autobiografische geschriften geschreven, er zijn de uitstekende biografieën van Deirdre Bair (Beauvoir) en Annie Cohen-Solal (Sartre), de correspondenties en dagboeken.

Wat rechtvaardigt een nieuwe biografie van Sartre? Denis Bertholet heeft getracht om zijn persoonlijkheid via een onopzichtig maar verhelderend gebruik van psychoanalytische inzichten te verbinden met zijn autobiografische, fictionele, filosofische en politieke geschriften, waardoor een schitterende en kleurrijke caleidoscoop ontstond. De familieleden uit Sartres mystificerende autobiografie Les mots blijken naast echte mensen ook romanfiguren te zijn, uit verdichtingen geconstrueerde personages zoals die in fictie worden neergezet. Hij idealiseerde zijn moeder Anne-Marie, want voor hem was het moederlijke imago onaantastbaar. Moeder en kind leefden in een narcistische cirkel van verleiden en verleid worden die Sartre zijn leven lang niet heeft kunnen verbreken.

In de discrepantie tussen de realiteit en de verbeelding van het kind worden de eerste aanzetten gegeven voor wat een fictioneel en filosofisch oeuvre zal worden. Maar in diezelfde verschuiving wordt ook Sartres neurose zichtbaar: zijn zelfhaat en grootheidswaan, zijn angst om ongeliefd te zijn, zijn weerstand tegen lichamelijkheid, zijn verheerlijking van het intellect en zijn dwangmatige behoefte om te schrijven. De mythes die Sartre over zichzelf construeert in Les mots, zoals zijn met schrik ontdekte lelijkheid of het feit dat hij een behaagziek en nogal irritant modelkind zou zijn geweest dat schreef om grootouders en moeder te plezieren, dienen om te verbloemen wat hij nooit had kunnen toegeven. Schrijven was voor hem een manier om de leegte van het leven te vullen, om anderen te verleiden en over hen te heersen, maar het meeste nog een substituut voor de gevreesde seksualiteit. In die zin is Les mots een oorlogsverklaring aan de literatuur en een afscheid van de literatuur, die hij voorstelt als een ziekte waarvan je kunt genezen.



In Bertholets overtuigende analyse van Sartres persoonlijkheid speelt de familieroman een fundamentele rol. In de eerste plaats in de onwil om de symbiotische band te verbreken met de moeder-zuster-vriendin. Na de dood van zijn stiefvader ging Sartre weer rustig bij haar wonen, alsof er niets was gebeurd. Anne-Marie bleef hem Poulou noemen, zoals zij dat altijd had gedaan. Zij stond model voor de verboden en verlangde een incestueuze relatie, die Sartre ook op andere vrouwen projecteerde. Daarin moest de lichamelijke liefde beperkt blijven tot blikken en onschuldige strelingen. Sartres afkeer van penetratie, evenals de diepe walging die zich van hem meester maakte bij alles wat glibberig, zacht en vochtig was, en die hij tot een filosofisch plan verhief wanneer hij het Zijn veroordeelde als een plakkerige, misselijkmakende antimaterie, zijn deels terug te brengen tot zijn verhouding met zijn moeder. In L’être et le néant, dat naast zijn belangrijkste filosofische werk ook een verhulde autobiografie is, onthult Sartre zijn afkeer van wederkerigheid. Als minnaar verliest hij nooit de controle over zichzelf. Hij verleidt, doceert als een echte libertijn over de liefde, hij geeft genot maar weigert het te krijgen. Hij streeft in de eerste plaats naar activiteit; passief de liefde ondergaan impliceert onderwerping en angst. De liefdesdaad is voor hem altijd incestueus en om die reden tegelijk fascinerend en weerzinwekkend. Het vrouwelijk lichaam binnendringen is teruggaan naar de glibberige, angstaanjagende moederbuik, en lichamelijkheid op zich was voor Sartre gevaarlijk want niet-controleerbaar. Hij wilde slechts een blik op de ander zijn en dat de ander terugkeek was voor hem ondraaglijk. Daarom verborg hij zichzelf onder miljoenen woorden.

Sartres politieke ambivalentie, zijn angst om zich te binden aan vrouwen maar ook aan denkbeelden en partijen, vloeit ook voort uit zijn familieroman. Het kind moet zich bevrijden van de moeder en zich vooral niet met een vaderfiguur identificeren. Alleen tegenover de wereld, als heroïsche bastaard of eenzame wees, moet hij zichzelf vinden en verheffen boven het Niets door zijn scheppingenen handelingen. ´De mens is niets anders dan wat hij van zichzelf maaktª, is een beroemde zin uit L’existentialisme est un humanisme. Sartre de almachtige had zichzelf alleen geschapen, hiermee Beauvoirs stelling parafraserend: je wordt niet als Sartre geboren, je wordt tot Sartre gemaakt. Zo had hij ook zijn echte familie vervangen door mensen van zijn eigen keuze, die om zijn aandacht en zijn liefde vochten en door bijna incestueuze relaties met elkaar waren verbonden. Hij kon naar hartelust liegen en manipuleren want alles draaide om hem. Hij had geen vader nodig gehad en zijn hele leven was erop gericht om de opstand tegen substituut-vaders te blijven aanwakkeren.



Sartres begrafenis was waarschijnlijk zoals hij gewenst zou hebben: een complete chaos, waarin vrienden, vriendinnen en minnaressen bijna onder de voet werden gelopen. Er waren gauchisten en mao’s, Franse Algerijnen en Vietnamezen, stalinisten en oud-verzetshelden, paparazzi en huilende vrouwen, bekende figuren en trossen onbekende jonge mensen die in bomen waren geklommen. Toen de stoet langs Sartres lievelingscafé La Coupole reed, stonden de obers naast elkaar om de man die altijd de grootste fooien gaf een laatste eresaluut te brengen. Op het kerkhof verstikten de belangstellenden elkaar. Beauvoir viel flauw, haar beroemde tulband gleed bijna van haar hoofd. In het gedrang werd het kruis van een naburig graf vermorzeld, een onbekende viel bovenop de kist. Bernard-Henry Lévy stond tussen de menigte en hij nam zich op dat moment voor een boek te schrijven over deze man wiens werken en persoonlijkheid zo’n onuitwisbaar stempel hadden gedrukt op de naoorlogse periode, wiens levensverhaal zo onlosmakelijk was verbonden met de geschiedenis van Frankrijk. Want Sartre was een symbool geweest, een eenmanspartij, een staatshoofd zonder staat, een staat op zich. Hij gold als de personificatie van de waarheid en de vrijheid, hij was een morele autoriteit en de stem van Frankrijk. Slechts één Fransman had hetzelfde prestige genoten: De Gaulle, zijn aartsvijand.

De centrale vraag in Lévy’s boek is hoe Sartre in feite drie verschillende mensen heeft kunnen zijn. Om dit te begrijpen voert Lévy de lezer door al Sartres geschriften: de filosofische werken, de politieke manifesten, de autobiografische teksten, de romans. Lévy veroordeelt nergens; hij analyseert geduldig en geeft ruim aandacht aan de hartstochten, verlangens en angsten die de basis vormen van Sartres teksten en handelingen.

Er is een eerste, jonge Sartre. De dandy, de genieter, de ontdekker van de wereld, de individualist pur sang, die zich tegen de grote meesters Gide en Bergson afzet en geduldig een filosofie construeert die op een eigen en niet altijd even nauwkeurige interpretatie van Husserl en Heidegger berust. Tijdens de oorlog maakt Sartre in het krijgsgevangenenkamp waar hij een aantal maanden doorbrengt, kennis met het leven in een mannengemeenschap. Hier wordt de tweede Sartre geboren, die het individualisme afzweert en het volledig opgaan in een groep propageert. Dat wat hij het meest haatte, de gemeenschap, de groupe en fusion, wordt symbool voor de menselijke warmte en de verantwoordelijkheid voor de ander. Hier liggen ook de wortels van zijn latere politieke aberraties, zijn verheerlijking van totalitaire systemen, zijn steun aan terroristische bewegingen. Deze Sartre steunt onvoorwaardelijk Fidel Castro en schrijft dat mensen in de Sovjet-Unie in volledige vrijheid leven. De tweede Sartre sluit zijn ogen voor de werkelijkheid, hij laat zich verblinden, hij teert op zijn roem. Hij is een salaud geworden, in sartriaanse zin: iemand die betekenis geeft aan dat wat geen betekenis heeft.

In de laatste, oude en bijna seniele Sartre die Simone de Beauvoir zo genadeloos portretteerde in La cérémonie des adieux, die zich met de mao’s encanailleert en onder invloed van zijn joodse secretaris interesse opvat voor het judaïsme, ziet Lévy een nieuwe gedaante van de jonge Sartre: provocerend, brutaal, teruggekeerd naar het rijk der ideeën, een ‘joodse’ Sartre die de filosoof Levinas ontdekt en eindelijk zichzelf hervindt. Opnieuw gebruikt Sartre zijn denken en geschriften om zichzelf en zijn leven vorm te geven, tegen de stroom in en meer nog tegen zichzelf in, zoals hij dat altijd al had gedaan. Hij illustreert zijn filosofie, die zegt dat mensen niet zozeer door hun verleden als wel door hun toekomst worden gemaakt, door de projecten die zij in hun bestaan proberen vorm te geven. De persoonlijkheid kan nooit voor eens en altijd vastomlijnd en gefixeerd zijn. Mensen hebben altijd het recht om zichzelf tegen te spreken of weg te gaan. Sartre doet dat en hiermee verloochent hij wie hij daarvoor was. De oude Sartre is voor Lévy weer jong geworden.



Interessant in Lévy’s boek is vooral zijn analyse van de manier waarop Sartre Hegel, Husserl en Heidegger gebruikte om zijn filosofische taal en stijl vorm te geven. De fenomenologie was een fundamentele ontdekking die hem in staat stelde om tot de dingen zelf door te dringen, om zich open te stellen voor de aantrekkingskracht of de walging die de wereld der dingen in ons wakker maakt. Hiermee kon hij ook een vorm van subjectiviteit ontdekken die de dingen trotseert en daar niet mee geassimileerd kan worden. Husserls fenomenologie werd door Sartre, met de nodige misverstanden, ingezet om de invloed van Bergson kwijt te raken, en tot het einde van zijn leven zou hij de fenomenologie trouw blijven. Heidegger was een ander probleem. Bij hem ging het niet meer om misverstanden maar om totaal onbegrip. Sartre vertaalde en interpreteerde Heidegger omdat hij door hem gefascineerd was; hij zag niet in dat zijn interpretatie niet klopte. Het begrip Dasein wordt bijvoorbeeld door hem vertaald met réalité humaine, waarmee hij Heideggers Dasein subjectiveert en weer terughaalt naar het humanistische perspectief waarvan Heidegger het juist los had willen maken. Sartre wil of kan niet begrijpen: hij verkiest in Heidegger een vorm van postmetafysisch humanisme te zien die de Duitse filosoof volslagen vreemd is. Of Sartre het wilde of niet: het existentialisme was een antihumanisme en geen humanisme, zoals hij had beweerd.

Volgens Bernard-Henry Lévy anticipeert de visie op de subjectiviteit die Sartre in L’être et le néant uiteenzet, op alle theoretische ontwikkelingen van de jaren zestig en op het werk van Foucault, Lacan en Derrida. Concepten als contingentie en de onvolledigheid en verbrokkeling van het subject, die later door bijvoorbeeld Lyotard en Deleuze werden gebruikt, waren al door Sartre gelanceerd. Hiermee geeft Lévy Sartres existentialisme een duidelijke plaats in de Franse ideeëngeschiedenis. Het existentialisme mag misschien uit de tijd zijn, maar het heeft de volgende filosofische stromingen in Frankrijk duidelijk beïnvloed en voor een deel gedetermineerd.

Bernard-Henry Lévy zou Bernard-Henry Lévy niet zijn als zijn hommage aan Sartre niet ook een beetje een hommage aan zichzelf en zijn eigen tijd was. Hij identificeert zich vaak met Sartre. De lelijkste en de mooiste filosoof van Frankrijk hebben veel met elkaar gemeen: ze zijn beiden mediageniek, invloedrijk, politiek bewust, provocerend, egotistisch, overheersend, ze spelen met alle genres (Lévy maakte zelfs een – totaal geflopte – film) en gaan altijd uit van hun eigen gelijk. Hun boeken laten ook zien dat zij typisch Franse denkers zijn, aan wie de filosofische ontwikkelingen in de Angelsaksische landen totaal zijn voorbijgegaan. Maar er zijn grote verschillen: Lévy mist Sartres diepgang, helderheid en creativiteit. Zijn boek is fascinerend, maar ook rommelig. Hij wil alles zeggen en verdrinkt de lezer in zijn narcistische monoloog. Hij dringt zich te veel op, zoals hij dat ook in Les aventures de la liberté had gedaan. Zijn barokke, herhalende stijl irriteert. Hij zal nooit zijn eigen La nausée schrijven, dat voor altijd tot de mooiste romans van Sartres twintigste eeuw zal behoren.



Bernard-Henri Lévy, Le siècle de Sartre Uitgeverij Grasset, 2000, 663 blz., ƒ 63,65