Poëzie van dichters uit de hele wereld

Sashimi van jonge meisjes

Hotel Parnassus. Poëzie van dichters uit de hele wereld
Gedichten van Arthur Sze, Kiwao Nomura, Lennart Sjögren e.a.
De Arbeiderspers in samenwerking met Poetry International, 116 pagina’s, € 18,95

Niet lang geleden ontmoette ik de dichter Arthur Sze (1950), gast tijdens het afgelopen Poetry International Festival en voormalig docent aan het Institute for American Indian Art in New Mexico. Ik verbaasde me toen over die aanduiding ‘American Indian’. Had ik dus voor niks jarenlang gesproken over ‘native Americans’. Misschien kunnen we dergelijke etnische aanduidingen eens wat gaan vereenvoudigen. Want hoe noem je nu eigenlijk iemand met een donkere huidskleur? Neger zal wel niet mogen, maar wat dan? Bruine? Zwarte? Gepigmenteerde, heb ik iemand wel eens horen voorstellen, maar dat was iemand die haar naam, Jolanda, had veranderd in Sjolanda, dus die kon ik werkelijk niet serieus nemen. Mij maakt het in ieder geval niet uit, maar soms kan het handig zijn om een aanduiding te hebben waar iedereen mee kan leven, en die me toch in staat stelt om als ik aan iemand vraag of hij Mike kent, en die iemand vraagt wie bedoel je, dat ik dan kan zeggen: Mike, die bruine jongen. Arthur Sze is een Amerikaan van Chinese komaf. Hij schrijft gedichten die zo helder ogen dat ze ingewikkeld worden. K. Michel heeft er op knappe wijze zijn hoofd over gebroken.

Een man in de gevangenis wordt paardengezicht genoemd maar doet niets

als iedereen in de kleermakerij scherpe koude scharen heeft;

hij herinnert zich de belediging maar lacht die weg.

Het knappe van deze beginregel van het gedicht Paardengezicht is dat er in 29 woorden een enorm avontuur voor je ogen plaatsvindt. Je maakt je een beeld van het klaarblijkelijk lange gezicht van de man. Hij zal twee uitstekende kakenrijen bezitten. Hij toont zich immuun voor het zwijgen van de medegevangenen, die ’m een moment eerder toejouwden. Sze geeft ons verder geen informatie over ‘horse face’. In plaats daarvan zappt hij naar een lassende Cattaraugus-indiaan, plotseling zijn we buiten (‘de deur gaat open’) en wast ‘een kind met dysenterie zijn handen in koeienpis’, waarna de ik ‘een spoor van zaagmeel’ vindt en ‘loopt in de stijve oude schoenen/van een dode moordenaar’.

Je zou deze regels zo kunnen voorleggen aan jonge dichters die publicatie overwegen. Het is een wat uitgesleten lesje: niet de dichter moet huilen, maar de lezer. Maar hier doet die wijsheid weer eens opgeld. Geen bijl, geen bloed, geen huiver, geen lijk. Wel ‘stijve oude schoenen’ van een moordenaar. En ‘een spoor van zaagmeel’. Brrr. Poëzie is op haar mooist als je niet begrijpt maar wel voelt. En dan pakt Sze pas echt uit, als de ik voelt hoe moeilijk het is om

het volledige gevaar van een moment te voelen: een merrie baart

een veulen, in de stad valt de electriciteit uit, een danseres

staat stil in het donker en luistert naar het voorgeschreven geluid

van de voorstelling maar hoort alleen plotse paniekerige kreten.

Daar komen de beelden, voortkomend uit precies goed uitgesneden taal. De merrie verwijst wellicht naar een scène uit Het leven van aartspriester Avvakoem door hemzelf geschreven: ‘ A mare would foal and on the sly the starving would eat the foal and the foul afterbirth.’ Het is gruwel als je die associatie voor waar aanneemt. Wat doet die merrie hier anders? Waarom klap ik mijzelf warm als de danseres ‘het voorgeschreven geluid van de voorstelling’ niet meer hoort? Wat staat er te gebeuren?

Als Sze in een ander gedicht beschrijft hoe een kok met een scherp mes zeebaars verandert in sashimi, stelt hij de vraag:

Wat zijn van jagers die op een zondagmiddag

met lege handen huiswaarts rijden de gedachten?

Hun begrip van eer zou kunnen samenvallen

met jouw begrip van wreedheid?

En het fileermes scheidt ‘wil en daad’ in ‘oneindig dunne/en lucide laagjes’. Het ‘zeebaarsoog/helder en stralend’ is dan eigenlijk net te veel informatie. Dat beeld hadden we al voor ogen, juist door die in hun mannelijkheid aangetaste jagers die de ‘zeebaars/met groen zeewierdraad vastgebonden op een zwartgelakt bord’ als buit rechtvaardigen. Ik krijg evenveel compassie met de vis als met de kok als met de eters, maar sla in gedachten ook mijn vuist in een muur bij de gedachte aan de kleine gruweldaad. Vooral als Sze de staart van de zeebaars doet ‘flappen’. Hij

bloedt en flapt, bloedt en flapt

Een groot dichter, geweldig vertaald, hoewel in mijn ogen niets het haalt bij de moedertaal, wat niet wegneemt dat Hotel Parnassus, de 2007-editie van Poetry International, weer een heerlijk lezenswaardige bloemlezing is. Maar lees de cyclus The silk road van Arthur Sze gewoon in het Engels.

To seal a dime in a red envelope and send it to

an insurance salesman is to send anthurium to a cannibal.

Wie anthurium eet, zal zijn mond branden, zijn tong zien opzwellen en als een boze wolf zijn stem hees horen worden. Maar dat is een sensatie die in geen vergelijking staat tot de eerste hap in flappende jongemeisjessashimi.