Daniil Trifonov © Dario Acosta / DG

Ik zag hem Liszts monsterlijke Études d’exécution transcendante spelen. Dichter bij geloof in hekserij ben ik nooit gekomen. Het was niet eens de onbegrijpelijke virtuositeit maar de demon. De dompteur die in de kooi de leeuw verscheurt en zelf het beest wordt, over die sardonische genade en die omgekeerde wereld gaat het.

Nu maakt pianist en componist Daniil Trifonov een Bach-cd met werken van Johann Sebastian en zijn zoons Johann Christian, Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel. The Art of Life heet de plaat en het spel is zo zen als de titel; kalm en evenwichtig, mild aandachtig. De pleaser Johann Christian klonk nooit zo geniaal, met goudbrokaten trillers die je na de etudeveldslag met bevreemding hoort, maar de stilistische souplesse past bij Trifonov. Hij heeft de open zenuwen van een ontvanger; Liszts satanisme, Bachs panoramische distantie. Maar hij schendt die afstand met een daad van haast blasfemische intimiteit. Hij voltooit de laatste fuga van de Kunst der Fuge.

De Kunst der Fuge geldt als zwanenzang, de laatste in de reeks van grote, monothematische instrumentale werken; Goldbergvariaties, Musikalisches Opfer, Canonische Variaties over ‘Vom Himmel hoch’. Was het echt zijn laatste werk? Op basis van watermerkonderzoek concludeerde Christoph Wolff dat Bach mogelijk niet in 1747 maar veel eerder begon aan zijn unieke cyclus. De laatste fuga breekt af waar volgens Carl Philipp Emanuel zijn vader het tijdige voor het eeuwige verwisselde, kort nadat die zich ongewoon zelfbewust als schepper bekendmaakte met een fugathema op de Duitse notennamen B-A-C-H. Op dat psychologisch ingewikkelde moment pakt Trifonov de draad op. Al vaker, bijvoorbeeld in zijn meerstemmige piano-arrangement van de Preludio uit Bachs Derde vioolpartita, demonstreerde hij een ongewoon talent voor parafrase van gestolen noten. En zo pretentieus is zijn poging ook weer niet. Als de kunst van de fuga dat in de door Bach bedoelde zin echt is, een demonstratie van onwrikbare wetmatigheden, dan moeten andere uitverkorenen kunnen volgen als een kind de rattenvanger van Hamelen. Het is wat de moeiteloze voortzetting door Trifonov suggereert; dat de sleutel klaarlag. Op het eerste gehoor zou de leek niet eens een stijlbreuk waarnemen, zo vloeiend lopen Bach en imitaat in elkaar over. Het is Trifonov zelf die zichzelf als arrangeur ontmaskert. Hij bouwt een element van schroom in. Opeens klinkt de muziek verwond gedempt, als uit de verte. De vreemde trillers in de slotmaten slaan een volgens mij bedoelde brug naar de late sonates van Beethoven. Net als daar lijken ze vast te willen houden wat ze kwijt dreigen te raken in de roes van een subliem ongrijpbaar inzicht. Ditmaal wint de leeuw.

Het is te mooi, te vloeiend soms, te boekhoudkundig in de vlakverdeling tussen hoofd- en nevenstemmen. Zodra een fugathema inzet, gaat de harmonische begeleiding strak op mute. Dit is materie geworden geest, niet andersom; dit mag als oeroude, knoestige boom der kennis ritselen, zuchten en kraken. Maar tegen de pianistische brille is geen argument gewassen. Alle stemmen in hun eigen kleur lichtgevend, de vingers als tien schilders voor dat ene doek.


Daniil Trifonov, BACH: The Art of Life, Deutsche Grammophon