Pearl Abraham, De zevende bedelaar

Satans lokspijs

Pearl Abraham

De zevende bedelaar

Vertaald door Sjaak de Jong (Engels) en Ariane Zwiers (Jiddisch)

Meulenhoff, 351 blz., € 18,50

Walter Benjamin constateerde al in 1936, in zijn essay De verteller, dat de kunst van het vertellen zeldzaam werd.

De klassieke rasverteller in de herberg zorgde ervoor dat zijn toehoorders zijn verhalen onthielden en doorvertelden. Mnemosyne, de moeder der Muzen, was ook, herinnert Benjamin ons eraan, de godin van de herinnering en het epische. Zij voerde de luisteraar terug naar «het kruispunt in de wereldgeschiedenis». In het epos verbergt zich een muzisch element dat de herinnering wakker houdt. Die herinnering «rijgt de keten van de traditie aaneen zodat de historie van geslacht op geslacht wordt doorgegeven». Het geheugen houdt het vertelnetwerk, alle geschiedenissen, bijeen zodat er een uitdijend verhalenfeuilleton naar oosters model ontstaat. Voor Scheherazade was vertellen een overlevingskunst en volgens Benjamin is er «in elke vertelling (…) een Scheherazade aanwezig die op elk punt in haar verhalen een nieuw verhaal te binnen schiet».

Pearl Abraham koestert die verteltraditie in haar derde roman De zevende bedelaar, die ze afsluit met het Benjamin-motto waarmee ik vragenderwijs mijn inleiding open. De zevende bedelaar is een geraffineerde fragmentarische roman vol traditionele vertellers die zich afspeelt in een chassidisch milieu in Brooklyn. Hoofdfiguur is de zeventienjarige rabbijnszoon en talmoedstudent Joel Jakob Moshele, die in de ban raakt van het allegorische, onaffe verhaal De zeven bedelaars van Nachman van Bratslav. Deze achttiende-eeuwse rabbijn, kabbalist en achterkleinzoon van Baal Sjem Tor, stichter van het chassidisme, was een dwarsligger die innerlijke concentratie boven rituele leefregels stelde. Zijn existentiële verhaal met doosstructuur (een verhaal in een verhaal) relativeert het belang van de wereld. Zes bedelaars met een ogenschijnlijk gebrek (blind, doof, stotterend, gedraaide hals, bochelrug, zonder handen) houden de luisteraar/lezer een spiegel voor. De wereld is triviaal en onbenullig en duurt slechts «een oogwenk»; het spirituele, het verhevene en vergeestelijkte is de tijdloze essentie. Het is beter om kennis en bezit te delen dan op te gaan in egoïstische snoeverijen. Dat Nachman van Bratslav de zevende bedelaar, een man zonder voeten, niet laat opdraven en daardoor zijn verhaal onafgemaakt laat, was wellicht een bewuste keuze. Abraham wil met De zevende bedelaar dat verhaal niet zozeer invullen of afronden maar eerder laten zien dat de moderne vertelling geen echt einde kent omdat het alfabet oneindig veel lettercombinaties biedt.

«Het begint met een struikeling.» Zo begint Abrahams roman. En aan struikelingen, verleidingen, vallende ziekte, verhaalvariaties en vertelperspectieven komt geen einde, hoewel Joel Jakob tijdens een alfabetmeditatie in het riolenstelsel onder Brooklyn door een «zondvloed» verdrinkt. Zijn geest of ziel (naar Leibniz’ monade) blijft boven de wateren en in het hoofd van zijn neef Jakob Joel zweven, de zoon van zus Ada en vriend Aaron. Jakob Joel wordt aangeraakt door het vertelvirus. Als briljante MIT-student weet hij dat de moderne golem niet Pinocchio of Frankenstein heet maar een robot is vol kunstmatige intelligentie. Hij, een gelovige met een hoofd vol Hollywood, vertelt als een ware Scheherazade anno 2000 Nachman van Bratslavs ontbrekende verhaal over de bedelaar zonder voeten, een korte supervertelling die alle andere moet omvatten.

Na The Romance Reader (1996) en Giving Up America (1998), twee traditionele romans balancerend op het breukvlak van gesloten chassidisme en modern Amerikaans leven, is De zevende bedelaar een literaire verrassing die meer past in de bibliotheek-als-labyrintverteltraditie van Borges, Calvino, Cynthia Ozick en Jonathan Safran Foer dan dat de lezer aan Doctorow, Bellow, Malamud of Roth denkt. In haar eerste twee romans mislukken huwelijken omdat liefde wordt verward met dwingende tradities. In The Romance Reader (Vreugde der wet) is Rachel Benjamin een dromerig en dwars meisje à la Madame Bovary dat wordt uitgehuwelijkt aan een chassidische schlemiel. Gojse boeken zijn verboden, kledingvoorschriften en trouwdagtradities heilig. De opstandige reactie van Rachel op haar vaders segregatie gedachten is niet mis te verstaan: hij «praat over me zoals de profeten over hoeren praten. Alsof ik over straat heb gezworven en mannen in mijn bed heb uitgenodigd.»

De vergeestelijkte chassidische leefwijze verwoordt Abraham in De zevende bedelaar bewust dialectisch: «Kunnen knielen terwijl men zit, kunnen vasten terwijl men soep drinkt, zich zeer eenzaam voelen in een kamer vol mensen en zichzelf kastijden door onder een warme donsdeken in de sneeuw te rollen.» Maar is het in de 21ste eeuw nog wel mogelijk te leven naar het tweede gebod, dat wil zeggen de valse afgoderij te bezweren? Is de schrijver, die maker van sprekende beelden, niet dankzij het alfabet de grootste schepper van afgoden?

Het verlangen naar kennis, het lernen, en het verlangen naar de verboden vrucht is zo oud als het tragische verhaal over de Hof van Eden. Joel Jakob, de vastende, epileptische en hallucinerende puber, de extatische talmoedstudent die op bedevaart gaat naar Nachmans graf en in de ban van «Satans lokspijs» Lilith raakt, vindt zijn einde in een ondergelopen riolenstelsel maar leeft voort in zijn neef. Als amateur kabbalist was hij al verdwaald en weggeraakt in de gematria, de geheime getallen- en letterleer. Dat het getal zeven in De zevende bedelaar alles te maken heeft met de zeven dagen die de bijbelse schepping duurde behoeft geen betoog. En dat de schrijvers als scheppers naast God zich elke dag weer inspannen het genesisverhaal opnieuw te vertellen, naar hun hand te zetten en zo God naar de kroon te steken, is een activiteit die volgens vele fundamentalisten neigt naar blasfemie.

De zevende bedelaar is een prettig-brutale, romaneske poging de chassidische verteltraditie op te laten gaan in het moderne, verbrokkelde bestaan. De kernvraag van Pearl Abrahams perspectiefrijke, speelse en expres springerige verhaal luidt: «En waarom moest iemand zich afsluiten voor de moderne wereld?» In een bestaan vol ontaarding en seksuele mateloosheid schenkt het vertellen bevrediging, want je wordt «ieder ogenblik een ander». Goede vertellers zijn meesters van de metamorfose, net als de bedelaars van Nachman van Bratslav. Ook kunnen ze uitgroeien tot uitgekookte ontsnappingskunstenaars die geen boodschap hebben aan de voorschriftentirannie.

Een andere vraag die Abraham zich in De zevende bedelaar stelt, is: «Wat scheidt het leven van fictie?» Het is dezelfde vraag die E.M. Forster in Aspects of the Novel stelt. Fictie is kenbaar, de werkelijkheid niet. In verhalen, die kunstige constructies uit het alfabet, leert de luisteraar of lezer mensen kennen die in de realiteit raadselachtig blijven. Ada, op zoek naar haar in de riolen verdwenen broer, beseft dat hij ondoorgrondelijk voor haar zal blijven. Maar als zij Abrahams De zevende bedelaar kon lezen, zouden de schellen haar van de ogen vallen. Daarom blijven grootschalige of bescheiden herschrijvingen van de schepping via het abc broodnodig. Als het verhaal uitsterft en de verteller verstomt, wordt de aarde weer woest en leeg.