Satire en strijd

De Weense satiricus Karl Kraus (1874-1936) schrijft in zijn boek Der dritte Walpurgisnacht, dat na de Tweede Wereldoorlog postuum is gepubliceerd, maar voor de oorlog is geschreven, de zin: ‘Mir fällt zu Hitler nichts ein’ (Bij Hitler schiet mij niets te binnen).

Hoe kon de satiricus, die alles meedogenloos op de hak nam, zelf joods was – al was hij katholiek geworden, maar daar ook weer vanaf gestapt – dit debiteren?

Jonathan Franzen schrijft daarover in zijn dit jaar verschenen boek Het Kraus project: ‘Het probleem is (…) dat de nazi’s niet logen (tien jaar voor de Endlösung zeiden ze al duidelijk wat ze met de joden van plan waren te doen) of ze logen zo overduidelijk dat het satirisch aan de kaak stellen daarvan zinloos was, en dat ze over het algemeen te gevaarlijk waren om uit te lachen.’

Ik denk dat daar nog iets anders bij komt. De elite tegen wie Kraus zich keerde, maar voor wie hij ook schreef (Wittgenstein, Zweig, Schindler, Freud, Mann en nog veel meer zeiden zeer door hem te zijn beïnvloed) was het vaak in meer of mindere mate eens met de nazi’s. Bekend is het verhaal dat de nazivlag een paar dagen aan het paleis van de Wittgensteins wapperde; de familie besefte niet direct dat ze joods waren. Kraus kon zich trouwens ook antisemitische uitlatingen permitteren.

Kraus moet beseft hebben dat met de toenemende invloed van de nazi’s zijn satire zinloos geworden was.

Zijn briljantie waarmee hij de schrijvers, dichters, politici kraakte, was niet verdwenen, maar om ook nog een andere reden ineffectief geworden. Bij Hitler staken die schrijvers, dichters en politici schril af. Kraus zou al zijn jarenlange arbeid tegen de taalvervuiling voor niets hebben gedaan. Vermoedelijk heeft hij dat ook beseft, gezien het feit dat hij zijn laatste boek dat over de nazi’s ging niet publiceerde.

Ik merk dat er de afgelopen tijd geen leuke grappen over Wilders zijn gemaakt. Het lijkt niet te kunnen

Het is te vergelijken met onze satire van dertig jaar geleden. De Tegenpartij van Van Kooten en De Bie was een reactie, een satire op de Centrum Democraten van Janmaat, maar we weten: die Tegenpartij bestaat, de satire is werkelijkheid geworden. En wat je dan ook merkt, is dat tegenwoordig satirici wanhopig hun best doen om Wilders te kraken, maar zonder effect. Zijn electoraat blijft hem trouw. De satirici bedrijven satire over een strijd die zij misschien al gewonnen hebben, en die daarom impotent is geworden. Als je namelijk over Wilders leest in De Telegraaf, Volkskrant, NRC Handelsblad, Het Parool en Trouw, dan zul je niet één commentator aantreffen die stelt: ‘Wilders, jongens, heeft gelijk.’

Al het kraken van Wilders begint nu op epigonisme en plagiaat te lijken.

En aan de andere kant heb je ‘het gewone volk’ voor wie de meeste commentaren trouwens zeggen op te komen, dat voortdurend merkt dat zijn mening in de maling wordt genomen. Niet de elite krijgt op zijn donder, maar die mensen die zelf niet de taal hebben om te verwoorden wat ze vinden en voelen, en zich herkenden in Wilders’ vocabulaire.

De beste grappen – natuurlijk, je kunt erover discussiëren wat ‘beste’ is – worden nu gemaakt door hen die zich in meer of mindere mate met Wilders verwant voelen. Ze vinden dat er over Wilders ‘normaal’ moet worden gedaan. (En ook weer: wat is normaal?) Het lijkt logisch. ‘Wilders is net Goebbels’ is een uitspraak waar de elite instemmend bij kan knikken. Dertig jaar geleden zou het bikkelharde satire zijn. (‘Hem vergelijken met Goebbels gaat te ver.’)

Ik merk dat er de afgelopen tijd geen leuke grappen over Wilders zijn gemaakt. Het lijkt niet te kunnen. De commentaren over hem zijn bitter, wrang, woedend en boos. Maar niet relativerend. In tegenstelling tot grappen over Samsom, Rutte, Pechtold.

Goedbeschouwd was de zin ‘Mir fällt zu Hitler nichts ein’ destijds een ironische voltreffer.