Satire met voetnoten

De jury - Yves van Kempen, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos deze keer Antipolitieke essays van Dubravka Ugresic tot Groene-Boek van de Maand. De andere drie mededingers waren: Jonathan Coe, Het moordende testament (vert. Marijke Emeis, uitg. Meulenhoff, 458 blz., f49,90): ‘Aantrekkelijk als satire op (Britse) hebzucht en hypocrisie, maar als literaire detective te omslachtig.’
Marguerite Duras, Schrijven (vert. Marianne Kaas, uitg. Van Gennep, 102 blz., f24,50): ‘Schrijven als middel om te ontsnappen aan de waanzin, de eenzaamheid, de drank en de dood. De scenario’s en verhalen in deze bundel zijn van wisselende kwaliteit, soms van een Duras-achtige schoonheid: beeldend beschreven en subtiel van taal.’
Milan Kundera, Verraden testamenten (vert. Piet Meeuse, uitg. Ambo, 251 blz., f39,90): ‘In acht essays buigt Kundera zich wederom over de kunst van de roman. Rabelais, Brod, Hemingway en Kafka passeren de revue - niet slechts als voorgangers maar ook als vrienden met wie Kundera een innige en levendige relatie onderhoudt.’ (Zie ook blz. 37.

‘WIE VAN ZICHZELF zegt dat hij apolitiek is, vergist zich of spreekt niet de waarheid. In werkelijkheid zijn zulke mensen zelfs zeer politiek, in hun hele manier van leven zijn ze er zorgvuldig op bedacht niet met de politiek in conflict te komen. Ze zijn dus onomwonden op de politiek gericht.’ Toen Gyorgy Konrad dit tien jaar geleden schreef en het begrip 'antipolitiek’ muntte in de betekenis van intellectueel verzet tegen de almacht van de politiek op alle gebieden, heeft hij waarschijnlijk niet vermoed dat zijn begrip evenzeer of zelfs nog meer van toepassing kon zijn voor een land waar het staatssocialisme officieel zou zijn opgeheven.
Dubravka Ugresic heeft haar nieuwe boek de ondertitel 'Antipolitieke essays’ meegegeven en opent het met een citaat van Konrad als motto. Een zin daaruit zou een cri de coeur van haarzelf kunnen zijn: 'Hij (de antipolitieke schrijver - jv) vertrouwt zijn leven niet toe aan de politici en eist van hen dat ze hem zijn taal en zijn filosofie teruggeven.’ Al haar essays uit de afgelopen jaren lijken bedoeld om die eis kracht bij te zetten; in haar voorwoord 'Een duister begin’ noemt zij de recente opstellen 'niet meer dan een persoonlijke voetnoot bij de gebeurtenissen tijdens een oorlog in een land dat niet meer bestaat’. Aangezien zij schrijven over de oorlog zelf als iets onmogelijks beschouwt, blijven haar als schrijver alleen voetnoten als verweer over.
De politiek heeft haar gedwongen antipolitiek te worden, voorheen was zij eerder apolitiek: 'Ik groeide op in een multinationale, multiculturele, maar mono-ideologische eenheidsstaat die de toekomst voor zich had. Ik interesseerde me niet voor politiek. Op dat gebied hadden mijn ouders me niets geleerd. De woorden “geloof”, “volk”, “natie” en zelfs “communisme” of “partij” zeiden me niets.’ Nu de oorlog de toekomst heeft verslonden, is zij tevens van die vroegere vrijheid beroofd om zich van de politiek niets aan te trekken en haar energie voor interessantere zaken te gebruiken. Inmiddels is zij alles kwijt: haar vaderland, haar lezerspubliek, een uitgever in eigen land, de culturele uitwisseling. 'De Joego-schrijver is geworden wat hij in feite altijd al was: een Sloveense, Kroatische, Bosnische (onder te verdelen in drie soorten), Servische, Albanese of Macedonische schrijver. Maar het grootste drama speelt zich af in het taalgebied dat tot voor kort een gemeenschappelijk taalgebied was.’
Hoe kan iemand, wanneer de politiek alles voor hem heeft verpest, nog denken zich aan de politiek te kunnen onttrekken, en al helemaal iemand met intelligentie? Voor de schrijver zijn er drie mogelijkheden, zo stelt Ugresic: zich transformeren en aanpassen; in innerlijke ballingschap gaan en hopen dat het maar voor kort zal zijn; of echt in ballingschap gaan, naar het buitenland, in de hoop dat het slechts tijdelijk is. Voor de eerste optie was Ugresic te weerspannig, voor de tweede te eigengereid zodat zij in tegenstelling tot vele collega’s niet bereid was voor het nieuwbakken vaderland hand- en spandiensten te verrichten bij de inrichting van een nieuwe nationale cultuur, laat staan bij de controle van bloedgroepen.
OP DIVERSE plaatsen laat Ugresic zien hoe vergeten en herinneren de stofwisseling van de nieuwe staten bepalen. Aan de ene kant is er de terreur van de herinnering, die ten behoeve van de nationale megalomanie een roemrijk verleden in elkaar flanst. Aan de andere kant een terreur van het vergeten die van het veertig jaar verenigde Joegoslavie een grote kerker maakt. Vroeger was alles slecht, nu moet het beter zijn en is alles dus goed, dat wil zeggen: hier in tegenstelling tot daar bij de erfvijand.
Wie deze nieuwe waarheid in twijfel waagt te trekken, heet een 'Joego-nostalgicus’ of erger: 'salon-internationaliste’, 'nationale moordenares’, 'landverraadster’, 'heks’. Toen er van haar in oktober 1992 in Die Zeit een wat al te vrijmoedige tekst had gestaan, Saubere kroatische Luft, kreeg Ugresic in eigen land de wind van voren. In Kroatie had het artikel in geen enkele krant gestaan, maar de verontwaardiging was er niet minder unaniem om - hetgeen de strekking van haar beschouwing eens te meer bevestigde. Ten tijde van de onafhankelijkheidsverklaring werden er in Zagreb blikjes verkocht met het Kroatische wapen erop en de tekst 'Zuivere Kroatische lucht’. Ugresic gaf in haar artikel een reeks voorbeelden van hoe de geest uit het blikje, Mister Zuivere Kroatische Lucht over iedereen vaardig werd: zuiverheid vroeg om zuivering, zoals die van bepaalde vuile bloedgroepen en binnenlandse vijanden, van boeken, lesmateriaal, straatnamen enzovoort. Toen Mister ZKL haar omgeving had 'uitgezuiverd’ van alle vrienden en kennissen en men haar te verstaan gaf dat zij 'naar Joegohonden stonk’, besloot zij haar land te zuiveren van zichzelf. Dat was eind 1993.
HOE SNEL ALLES verandert: ten aanzien van haar vorige boek, Nationaliteit: geen, kon haar nog worden verweten dat zij zich midden in de oorlog onledig hield met het vergelijken van de cultuur van haar land van herkomst met die van haar gastland Amerika. Om razend van te worden, zou ik denken, want met haar boek keerde zij zich juist tegen de dwingelandij van degenen die onder veel meer het schrijven van romans verhinderden. Bovendien was het al treurig genoeg dat zij in plaats van een roman gelegenheidsstukken moest schrijven. En dat is zo gebleven, ook de afgelopen twee jaar moest Ugresic iemand zijn die zij tot dusver niet was. Op de Westeuropese literaire markt wachtten de ex-Joego-schrijver 'alle valkuilen die hij in zijn eigen culturele omgeving wist te ontlopen door zijn heilig recht op literaire autonomie te beschermen als zijn oogappel’. Zoiets pleegt men ook wel eens de ironie van het lot of van de geschiedenis te noemen. Daartoe behoort dan misschien ook dat in haar nieuwe boek de werkelijkheid haar blijkbaar heeft ingehaald: 'Ook ik ben een Kroatische schrijver. Een andere keus heb ik niet, anderen hebben dat voor mij beslist.’ Haar verzet uit zich in haar keuze voor een antipolitieke, maar dat wil dus wel degelijk zeggen: politieke, houding.
Een stuk van november 1992 gaat over de onmogelijke positie van de Kroatische schrijver: zijn werkelijkheid en publiek zijn veranderd, hij schrijft niet langer voor een lezerspubliek maar voor het Volk, en alles wat hij schrijft moet worden voorzien van signalen, om misverstanden omtrent zijn etnische achtergrond en sociale herkomst te vermijden. Dat vergt te veel aan schikken en slikken: 'Daarom zal ik als schrijver niet op de bres staan voor mijn vaderland. Ik sta liever op de bres voor de schone letteren of voor de vrijheid van het woord.’
OMDAT ZIJ niet onvoorwaardelijk wenste mee te doen aan de folklore van het nationalisme, werd Ugres>pa 108<ic uit de rondedans gestoten. 'Maar de twijfel blijft, ondanks deze stap: niemand kan zichzelf buiten de gemeenschap plaatsen zonder enig gevoel van spijt’, schreef Kis in zijn 'Variaties op een Centraal-Europees thema’. De vrijheid van haar vorige boek was die van de buitenstaander uit vrije wil, toen kon zij nog terug, leek het, en ook had de ene waarheid van haar deelvaderland tegen wil en dank, Kroatie, zich nog niet eendimensionaal breedgemaakt tot een 'cultuur van leugens’. Die vrijheid heeft plaatsgemaakt voor de illusionaire ruimte van de ballingschap: overal ter wereld kan zij terecht behalve waar zij thuishoort. Voor een schrijver is dat dodelijk.
Noodgedwongen schrijft en spreekt zij bijna nog alleen maar voor buitenlanders en maakt, ook dit weer nillens willens, deel uit van een rollenspel, naast de collega die meneer Sarajevo is geworden, 'een levende metafoor van het grote lijden in Sarajevo’, of mevrouw Dubrovnik, die hoewel al twintig jaar getrouwd met een Deen haar namens het vaderland Kroatie ter verantwoording kan roepen. In het betreffende stuk, 'Beroep: intellectueel’, beschrijft Ugresic vlijmscherp de machteloosheid van de Joego-intellectueel die in eigen contreien zijn boodschap aan het verkeerde adres gericht ziet (van de slachtoffers in plaats van de beulen) en als hij tegen de oorlog is meteen van verraad wordt beticht, en in het buitenland wordt omringd door dezelfde nachtmerrie als die waarvoor hij is gevlucht, als hij 'opnieuw en steeds vaker de stereotypen ziet verschijnen over het ontstaan, de voorgeschiedenis, de oorzaken en de schuldigen van dit oorlogsdrama’. Wat hij ook doet, het maakt deel uit van het ritueel rond het engagement. Of hij dat wil of niet, hij wordt een vertegenwoordiger van zijn eigen land, een verslaggever in plaats van schrijver, gids, uitlegger: 'De literatuur, dat kleine lichtje dat hem de nooduitgang wees en hem een plek bood waar hij in vrijheid kon leven, dreigt nu te worden gelezen als een reportage over zijn land, over de oorlog, de Balkan, de etnocentrische mentaliteit, het dagelijks leven na de val van het communisme of God mag weten wat nog meer. Zelf dreigt hij voortdurend te worden gereduceerd tot een vertaler die elk aspect van de werkelijkheid in zijn land moet omzetten in woorden.’
Hoe belangrijk het thema van de schrijver in ballingschap ook is, het is beslist niet zo dat Ugresic in haar boek alleen haar eigen lot beklaagt. Van zelfbeklag is in dit boek geen sprake, daarvoor is het ondanks alles te vrolijk, en als zij zichzelf tot voorbeeld neemt dan is dat om het over de onmogelijke positie van de schrijver en de intellectueel te hebben in landen waar de leugen een collectief beleden waarheid is geworden. Op haar best is ze wanneer ze in details grotere, onzichtbare bewegingen ontdekt.
Een vergelijking van eerste leesboekjes uit 1885, 1957 - haar eigen eerste leesboekje, 'een soort paspoort voor Gutenbergs universum’ - en het nieuwe, van 1990, laat zien hoe in enkele generaties het wereldbeeld verandert. In het boekje van 1957 klopten de plaatjes nog, beheerst als ze waren door de esthetiek van de armoede; in dat van 1990 komt niets meer met de realiteit overeen en lijkt de wereld op die van een tekenfilm.
Tot de grote leugen behoort onder meer dat onder Tito de folklore verboden zou zijn geweest. Het tegendeel is waar, zo laat Ugresic zien, met dien verstande dat in de verenigde republiek de gezamenlijkheid huppelde en trippelde - nu danst men in stamverband. De lichte muziek kon het middel van de politieke boodschap worden, ze zweepte de mensen op tot haat en bezong vervolgens het 'trieste lot’ van de ongelukkigen in de vluchtelingenkampen.
Naar aanleiding van haar vorige boek vroeg ik mij af waarom Ugresic de middelen die zij voorheen in haar romans zo goed beheerste, zoals de pastiche en de groteske, niet zou kunnen gebruiken voor een satirisch verhaal over de oorlog in haar land of over alles eromheen. Dat ze gelegenheidsstukken was gaan schrijven, leek mij toch ook een gevolg van intimidatie: als het oorlog is, wordt de roman een ongepaste frivoliteit. 'Wat een mooie gelegenheid om van de heilige ernst van de ideologische frasen een potje te maken’, was mijn wat oneerbiedige wens. Ik werd op mijn wenken bediend, want de essays kunnen heel goed worden gelezen als satirische verhalen, ze bevatten althans het materiaal ervoor. Het hilarische portret bij voorbeeld van de President, de 'gigant van de Kroatische gedachte’. De beschrijving van de manier waarop Kroatie voor de buitenwereld het imago van rechtschapen offerlam creeert als keerzijde van de echte waarheid over de vijand. Of hoe in Servie een parfum op de markt komt met de naam Serb, in een flesje dat de vorm heeft van een handgranaat: 'Onze “granaat” is een symbool van de vrede’, legt de ontwerper uit. Of het stuk over folkloristische dans en muziek, en een vernietigend beeld van de mannen 'die deze oorlog hebben gepland en uitgelokt’, de jongens die niets zijn zonder de groepscultuur van leger, sport, cafe en werkplek, waar de vrouwenhaat weer heerst als vanouds.
Hoe scherp en geestig ook, een satire heeft Ugresic niet voluit kunnen schrijven. De reden daarvoor is dat satire veronderstelt dat de lezer kent wat er wordt vervormd en dat is hier niet het geval. Het boek bevat talloze voorbeelden hoe snel de werkelijkheid en de interpretaties veranderen, wat de schrijver dwong om bij haar satire zelf uiteen te zetten waarop het een satire is en Ugresic doet dat in de vorm van beschrijvingen en analysen. Ook de ironie hinkt een beetje. 'Antipolitiek is verwondering’, zo begint het aan Konrad ontleende motto. Die verwondering krijgt bij Ugresic soms iets lacherigs, alsof ze voortdurend denkt 'maar dat is toch niet mogelijk?! Zoiets kunnen mensen met een minimum aan verstand toch niet doen?!’ - maar het is wel mogelijk, ze doen het wel, ze geloven in hun eigen leugens, hoe bizar ook, en of je meedoet of aan de kant gaat staan, je wordt een slachtoffer of je wilt of niet. En het lachen vergaat haar gelukkig niet altijd. Verwondering wordt verbijstering wordt afgrijzen. Postmoderne waanzin, zo ontvalt Ugresic deze wat ongelukkige term, het is maar hoe je het noemt: ironisch is in elk geval dat terwijl het Westen al enkele decennia wordt geteisterd door het nonwoord identiteit, ze er in de staten van het voormalige land een moord voor doen: 'Met de vraag naar de identiteit is alles begonnen en met deze vraag zal alles, als met een noodlottige strop, eindigen.’