Saturnus’ stoppenkast

Pieter Laurens Mol is een scharrelaar. Letters of eierdoppen, alles kan bij hem materiaal zijn. Maar bovenal is hij evenwichtskunstenaar, fanatiek op zoek naar de zin van een onzinnig bestaan

HET STAAT RECHTOP in een manshoge vitrine, een minuscuul boekje met op elke bladzijde een zwarte vlek die, als je goed kijkt, de contouren van een land aangeeft. Maar het piepkleine atlasje maakt qua formaat geen onderscheid tussen Amerika en Andorra, België en Bulgarije, China en Chili. Alle landen worden even groot afgebeeld, en het boekje past in de palm van een kinderhand. Naast de vitrine hangt een poster die in een biologielokaal niet zou misstaan. Keurig naast en onder elkaar staan tientallen stieren in wisselende vormen en kleuren afgebeeld, maar onder hun poten staat een woord dat geen ras of stamboek aanduidt maar een automerk uit de duurdere prijsklasse. Elders in deze helder verlichte ruimte - een soort enclave waar rondom een Memlinc-tentoonstelling is ingericht - hangen fotocollages van licht veranderende landschappen en bezige mensen, reeksen reclamebeelden met onderschrift en poëtisch commentaar. En er zijn twee nadrukkelijk ingelijste foto’s van Marcel Duchamps pisbak en René Magrittes pijp die geen pijp is. Dwalend door een museum in Brugge, langs de bijbelse beelden van Hans Memlinc, ben ik bij toeval van de Middeleeuwen in de twintigste eeuw terechtgekomen, midden in het speelse musée d'art moderne van Marcel Broodthaers. Als er één Nederlandse kunstenaar is die je een geestverwant van Broothaers kunt noemen, in de traditie van Duchamp en Beuys, is het Pieter Laurens Mol wel. Ook hij heeft een heel goed oog voor het kleine in het hier en nu, voor de trouvaille die kunst kan worden. Mol voelt zich aangetrokken tot de blik die een kleine verschuiving van het dagelijkse uitzicht op het leven teweegbrengt. Zijn tekeningen, fotocollages, stellages en ensceneringen doen denken aan Bert Schierbeeks uitspraak over verontrustende literatuur als een vogel die met zijn vleugels telkens weer ‘een tik tegen de lucht’ geeft en op die manier speelt met de zwaartekracht. Dat moet een beeld zijn dat Mol, al van kindsbeen af gefascineerd door raketten en ruimte, aanspreekt. Schierbeeks beeld van een vliegende vogel die tikken uitdeelt, is gemakkelijk te associëren met de foto op de voorpagina van een verzonnen krant, Dimanche, die Yves Klein op een dag in 1960 in elkaar knutselde: een man springt met gestrekte benen en zijwaarts gerichte armen, maar als een bij voorbaat mislukte Icarus, uit een huis. Op de foto blijft hij in de lucht boven de straat hangen. Eenzelfde soort snoeksprong heeft Mol vastgelegd op een foto van twintig jaar later. Maar daar hangt de door de lucht duikende kunstenaar boven een vijver en is er een verticale meniekleurige streep door hem getrokken. Titel: Index (personage in gezelschap van verloren evenwicht). De werkwijze en materiaalbehandeling van Mol is die van Broodthaers, Beuys, Duchamp. Voddenrapers, snuffelaars, strandjutters, verslaafde materiaalzoekers die zich niet hechten aan één thema, aan steeds hetzelfde materiaal, dezelfde discipline. Ze houden niet van vaste kaders. Steeds zoeken ze iets anders, beweeglijk en ongrijpbaar zijn ze, niet snel te vatten in een overzichtelijk verhaal. Dat neemt niet weg dat er gaandeweg, als je goed blijft kijken, patronen in hun werk zijn aan te wijzen. PIETER LAURENS MOL verliest zich in interviews nooit in een kunsthistorisch exposé over de ready made, kleinzielige kritiek of opgeblazen-kikkergedrag. Het woord 'opschepper’ dient letterlijk genomen te worden bij hem, getuige een installatie uit 1988 met een houten ton die scheef op een door een disteltang opgehouden bakkersspaan staat; en boven de ton hangt tegen een muur een houten lepel die dwars door de zitting van een melkkrukje steekt. Het geheel straalt een boertige sfeer uit. Mol is als kunstenaar een creatieve scharrelaar. Hij struint overal rond, vaak dicht bij huis, en alles kan van zijn gading zijn. Dit voorjaar had hij een expositie, Pathway Colours, in Galerie Paul Andriesse. Daar was een beeld bij, een woordbeeld, dat in zijn krullerige en ouderwets zwierige typografie op een Magritte-tekst leek: 'Silence d'orange.’ De onder elkaar gezette woorden liepen van linksonder naar rechtsboven op, als een diagonaal, en leken een helling te willen nemen. De versierde S had een oranje kleur. Het was een sinaasappelschil die de kunstenaar in zijn huis toevallig, en letterlijk, voor de voeten kreeg geworpen. Het viel hem toe, de volmaakte vorm van een S. Mol ziet woorden als ambachtelijk beeldmateriaal. Ook de titels van zijn installaties, tekeningen, collages en geënsceneerde taferelen zijn onderdeel van het werk, geen anekdotische onderstreping. Een letterrangschikking uit 1975 vormt het woord PAINTHING, gefotografeerde beelden van op muren aangetroffen letters uit reclameteksten. Het woord is bij Mol vaak een tastbaar object waarmee je kunt spelen en schuiven. Op zijn laatste Paul Andriesse-tentoonstelling staat, tegen een achtergrond van mistvlekkerig algengroen of Amsterdams groen, in een stevige en hoekige typografie het woord ALGHE-MIST, de bruegeliaanse spelling van het woord alchemie. 'Mist’ is Duits voor afval, troep. Mol, dyslectisch, heeft altijd met woorden geworsteld maar weet al lang hoe hij van de nood een deugd en een beeld kan maken: het oog en het oor - ook al zo'n tastbaar fenomeen in Mols werk, het oor dat luistert naar geluiden uit de kosmos maar soms gestoord wordt door labyrinthus, de ziekte van Meunière, een aandoening van het binnenoor dat duizelingen veroorzaakt - spelen samen in een gewiekst zintuigen-, beelden- en woordenspel dat 'E-motion’,'Terminus - Terra Minus’, 'Blik en bliksem’ of 'Mal - aeria’ heet. Op een drietal foto’s uit 1976 staat de kunstenaar afgebeeld met een uitgestoken tong waarop een laag zout ligt (Salty Dog), met ogen als spleetjes door de oogleden met plakband naar de slapen toe uit te rekken (Sellotape Chinese) en met oren waartegen een dot watten formaat reuzenoorwarmer zijn gedrukt (Low-Noise). Hier wordt een zintuiglijk, humoristisch verhaal vol metamorfosen verteld met een mond vol zout, een vertekende blik en een vervormd gehoor. Op de tekeningententoonstelling Sense of Drawing die nu in de Haagse Galerie Nouvelles Images te bezichtigen is, heeft men voor Mol een speciaal kabinet gereserveerd. En ook hier eerder humor dan hermetisme, eerder geestige en relativerende teksten die de speelse beelden uitdagen dan raadselachtigheden. (Twee liggende tekeningen zijn zelfs voorzien van een doosje Bayer-aspirines; eentje heet Sommermorgen in Sauer). Op de drie Antenna-tekeningen staan geen woorden, daar heerst de stilte in het heelal die het reuzenoor van de telescoop waarneemt. Mols kleurrijke klank- en taalgevoel spreekt al uit de titel bij drie pisgele tekeningen: Usine d'Urine. Op de middelste tekening staat een gekantelde emmer afgebeeld waar scheef over het papier een gele stroom uitvloeit. De aandoenlijkste maar wellicht ook wanhopigste tekening heet How to Percolate a Bit of Hope: tussen kopergaasjes op lichtbruin papier bevindt zich een donkerroze plastic bloemetje. Hoe moet de hoop in een plastic bloem doorsijpelen? WIE IS Pieter Laurens Mol? Wat zeg ik als ik meld dat hij van vlak na de oorlog is, in een kinderrijk Brabants gezin werd grootgebracht, een timmermansopleiding volgde, de kunstacademie heeft bezocht en fotograaf, dichter, performer, schilder, beeldenmaker, verzamelaar, rakettenkenner, alchemistenbewonderaar, vader en echtgenoot is? Liever dan een opsomming van gebeurtenissen te geven of een beknopte levensloop (leven-sloop dichtte Lucebert) te leveren, wil ik iets samenvattends zeggen over het kleine en het grote dat Mol in zijn beeldend werk verenigt - dat wil zeggen de alledaagse anekdotiek van een op de grond gevallen sinaasappelschil en de vormgegeven S in een lettertype dat niet uit de lucht komt vallen: de chaos van alledag en de esthetische stilering die wil uitstijgen boven het hier en nu; de donkere kamer in het hoofd en de duistere kosmos buiten ons die maar uitdijt; binnenwereld (het gezin) en buitenwereld (de grote historische bewegingen die de toekomst al voorbereiden). Er is altijd strijd gaande tussen het carnaval en het vasten, tussen de levenslust en de contemplatie, het carpe diem en het memento mori, en stilstand, vreugde en verdriet, het aardse en het verhevene, huiskamer en heelal. Het was de geheugenkunstenaar en ketter Giardano Bruno die de donkere kamer achter onze ogen een kleine kosmos noemde, waarna hij in 1600 op de brandstapel werd gezet. En een paar duizend jaar daarvoor zei Lao Tze in zijn Tao Te Tsjing: 'Ik zit in mijn kamer, en ik ken de wereld. (…) Het niet-bestaan wordt de voorganger van hemel en aarde genoemd; het bestaan is de moeder van alle dingen.’ MOL IS WEL eens een ironische mysticus genoemd. De term ironie lijkt mij misplaatst. Een geringschattende houding heb ik niet in zijn werk bespeurd, eerder een relativerende humor die ondanks zijn lichtvoetige beeld- en woordspel doodernstig blijft. Mol is een wankele evenwichtskunstenaar die de vluchtigheid van onze existentie koppelt aan de onzichtbare zwaarte kracht. Hij is fanatiek op zoek naar de wetten van het toeval, naar de zin van een onzinnig bestaan. Daarbij valt op dat hij geen hiërarchisch verschil maakt tussen het aangewende materiaal (lood, ijzer, letters, hout, menie, brood, papier, grint, koolteer - teerafval na bereiding van lichtgas dat als grondstof kan dienen voor prachtige kleurstoffen -, veertjes, dakpannen, deegrollers, borstels, glas, conservenblikken, glazen buizen en trechters, strootjes, eierdoppen, ondertitels, enzovoort), zijn obsessies en zijn vormentaal. De chemie ontstaat via het kijken en associëren. Het is geen toeval dat de belangrijkste catalogus van zijn werk, Grand Promptness (1996), opent met een detailnegatief uit In de periferie van de profetie, een geënsceneerde foto uit 1995: de kunstenaar is hier held op sokken die zich in evenwicht houdt op een houten krukje, zijn rechterbil heeft houvast maar linkerbil en ledematen moeten maar steun in de lucht proberen te vinden. Het lijf vormt als het ware een schuine streep op de foto, een diagonaal. En het is die diagonaal, van linksboven naar rechts onder maar ook van rechtsboven naar linksonder, die in Mols werk een soort running gag is. Veel wankelt of dreigt te vallen, staat scheef, helt over of kantelt bijna, objecten en subjecten. En is de kunstenaar die zich als een verslagene of slappe vaatdoek - een ingezakte diagonaal - over een piano heeft gedrapeerd, geen object geworden? Het kunstenaarslijf vormt niet de enige diagonaal in het werk On the Periphery of Prophecy (of in Specific Impulse uit 1985, met de kunstenaar die zich met een waaghalzerige Yves Klein-snoekduik in een halfopen schilderijlijst stort), want naast de foto is aan de muur een stalen diagonaal bevestigd die golvend, alsof hij de kronkelende evenwichtsoefeningen op de kruk wil nadoen, naar linksonder afzakt. Angst en moed heet een werk uit 1976. Het bestaat uit twee diagonalen, die van linksboven naar rechtsonder is een timide streep, terwijl die van rechtsboven naar linksonder een wat woester getrokken lijn is die aan de onderkant dikker en een beetje ongerichter wordt. Het zijn Mols angst- en moedlijnen waartussen hij als even1 wichtskunstenaar laveert en waarop hij varieert: een scheur in een muur, een bepaalde wijzerstand op een klok, een schuin dak, een pendule, een trechter, een zandloper, de witte streep die een straaljager in de lucht trekt. Maar die rechte lijnen kunnen gaan golven of zich tot een halve boog omvormen, zoals een raket die opstijgt en vroeger of later weer ten prooi valt aan de zwaartekracht. Het is die lijn die zichtbaar is op Blue Defeat uit 1981, een oerbeeld in Mols oeuvre: de kunstenaar in blauwe spijkerbroek en zwart colbertje trekt al vallend een blauwe kwartcirkel op een verweerde muur. De raketmetafoor lijkt onuitputtelijk en rijk aan kleine en grote betekenissen: Tom Wolfe heeft over de rampen en ruimteveroveringen in het prille pre-Apollo-tijdperk geschreven in The Right Stuff (1979), een boek waardoor Mol zich heeft laten inspireren; Thomas Pynchon schreef zijn megaroman Gravity’s Rainbow (1973), waarin het regenboogtraject dat de Duitse V-2-raket aflegt van groot belang is voor het wel en wee van enkele personages, die 2 de raket eerst horen inslaan waarna ze pas het geluid van zijn aankomst registreren. Aan dat boek, spelend op de rand van oorlog en vrede en laverend tussen hallucinatie en helderheid, moest ik denken toen ik in de Grand Promptness een foto zag van de geheel in ruimtevaarderswit geklede kunstenaar die op een heideveld een serpentine de lucht in gooit: Gravity Used to Put Me Down (1977). DAAR WAAR wrijving is - waar twee lijnen elkaar kruisen, in de smalle hals van een zandloper, een trechter, straalpijp of de keel van een kanon - ontstaat verhitting. Mol zoekt die energiebron op. Het middelpunt van zijn recente expositie bij Galerie Paul Andriesse werd gevormd door een foto van de stoppenkast in zijn atelier (Studio Prelude: Current State), waartussen hij een nauwelijks van een stop te onderscheiden oude afbeelding van de geringde planeet Saturnus had geplakt, genoemd naar de Romeinse god die de Grieken Cronus noemden, de jongste der Titanen die zo heerszuchtig was dat hij tegen zijn vader opstond en zijn kinderen verslond, op Zeus na. Later kwam de verzoening en de voorspoed, de Muze. Het economisch bestek heette de opvallendste installatie op de Andriesse-expositie, een ogenschijnlijk koel portret van het vijf leden tellende gezin van de kunstenaar, bestaande uit vijf hoekige en stramme staalconstructies die elkaar niet raken. De rij van vijf - twee volwassenen en drie kinderen - loopt van boven af en van onder op en doet denken aan ouderwetse foto’s van kroostrijke gezinnen. Het middelpunt van de ontmenselijkte staalfiguren, de navel, is op gelijke hoogte. Daar zijn vijf foto’s van handen tussen glasplaatjes aangebracht. In die foto’s zit een gat op de plaats van de handpalm. Aan de stalen plankjes recht daaronder hangen handgebreide wollen sokken. De sok en het gat in de hand, het zijn aloude metaforen. Hier laveert de evenwichtskunstenaar tussen verkwisting en spaarzaamheid door, of beter gezegd tussen angst en moed, berusting en ambitie, het banale en het artistieke. Bij nader inzien is het familieportret geen koele bedoening maar geeft het, dankzij de gefotografeerde handen en de sokken, een teder en kwetsbaar beeld van het gezin van de kunstenaar, die elke dag opnieuw de balans opmaakt en credit met debet in overeenstemming brengt. Het is een kwetsbaarheid die ook zichtbaar is in een ander werk op de Andriesse-tentoonstelling: het getekende blikveld van een oog, alsof het een zich verwijdende lichtbundel is, wordt belemmerd door een strohalm. Daarboven staat een Engelse tekst die ik opvat als een even ontwapenende als kritische knipoog naar de kenners die de kunst keer op keer becommentariëren en zichzelf soms groter maken dan de dingen die ze zien: 'the artist’s last straw once again perceived as a thorn in the eye of the connaisseur.’ De laatste strohalm van de kunstenaar die weer eens gezien wordt als de doorn in het oog van de kenner. Noem het een speelse knipoog van Mol naar de geleerde, kunsthistorische commentaren op zijn werk die zijn beeldende oeuvre maar al te vaak een loodzware ernst meegeven. Kenners, kijk eens goed naar die tekening die in het Mol-kabinet van Galerie Nouvelles Images. Heerlijk grote roze, op druiven lijkende balletjes die de kunstenaar onder de titel The Unknown Gospel van de volgende tekst voorziet, weer lekker scheef opgeschreven: 'And The Messias Said: Kaviar for Today, Bigger Than Grapes!’ De ene schepper meet zich met de andere Schepper, maar de kunstenaar kent zijn plaats.