Saucijsjes

Saus is wat overblijft als al het andere op is.

De anders het meest bescheiden huisgenoot kon niet nalaten het laatste komkommerplakje uit de schaal te vissen. Nu is de beurt aan de baby. Hoe bestaat het! Dat kleine ding - wanneer je het maar even helpt met het omhooghouden van de schaal - slaat in een teug het zompige mengsel van azijn en olie achterover. Een kers, zelfs een volmaakte halve, is haar te zuur. Maar dit sluit precies aan op een kunstig geslepen behoefte die alsnog in het kleine, uit saucijsjes en restjes blanke zijde samengestelde, lijfje op de loer lag.
Nu is het natuurlijk en met opzet niet het allereenvoudigste wat daar zwom. Het gaat er tenslotte om dat ze steeds maar iets zeggen dat in je oren klinkt als ‘zeven jaar trouwe dienst en nimmer falend toezicht en coefficient azijnbewustzijn en geheimzinnige olietoewijding’.
Maar goed.
Als de laatste poot van het lam de pan heeft verlaten blijft er ook nog saus over.
Een glazige massa. Wanneer je deze niet aantrof in een keurige pan zou je het wantrouwen en denken dat viscerale uitscheiding er part of deel aan heeft. Hoe kwam die daar ook alweer? Hoe ontstonden in deze rechtdoorzeese spontane keuken uberhaupt de meest ongebreidelde poten van het seizoen, het jaar en nog langer.
Als tegels in een Arabisch binnenhuis sluiten voor- en nasmaak hun voegzame zijkanten aan op ander geuren en smeuren. Flikkeren hun valenties de betere slechte paden op en wrijven goed gepoetste aroma’s verre lanen in. Nog afgezien zelfs van de laatste toevoeging die zeker niet de meest onbelangrijke was. Hoe kwam die daikon, de tot stokjes gesneden Satsuma-radijs, in de pan terecht? Nogal gewoon. Omdat hij over was van de donderdagse T-bone, ter illustratie opgetuigd met miso en daikon 'oroshi’. Dat staat voor geraspt. Bewerking waarbij een sterke aardgeur vrijkomt. Alsof je je kop tot iets onder het sleutelbeen in een vers konijnehol steekt.