Saul Bellow (1915-2005)

Saul Bellow (1915-2005)

Bijna negentig jaar, de leeftijd der ijzersterken, is Saul Bellow geworden. Hij stierf op 5 april in Boston, waar hij nog tot op hoge leeftijd doceerde aan Boston University. Maar Boston was niet de stad waar hij echt warm voor liep. Bellow, zoon van joods-Russische immigranten die na een armoedig bestaan in Montreal op 4 juli 1924 berooid in Chicago aankwamen, zou aan deze windy city in Illinois verknocht raken. In The Chicago Book, ongepubliceerde herinneringen aan zijn jeugd in de stad aan Lake Michigan, en in vele artikelen probeerde hij deze metropool te omschrijven. Wat Dublin was voor Joyce betekende Chicago voor Bellow. In Life (1983) omschreef hij de stad van beroemde Bellow-personages als Augie March en Herzog: «Chicago bouwt zichzelf op, breekt zich weer af, veegt het puin opzij en begint op nieuw.»

The Adventures of Augie March (1953), de roman waarmee Saul Bellow doorbrak, is een geromantiseerde kroniek van het Chicago van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw en begint zo: «Ik ben een Amerikaan geboren in Chicago – Chicago, die sombere stad – en pak de dingen aan zoals ik het mezelf geleerd heb, met de vrije slag, en zal op mijn eigen manier geschiedenis schrijven: wie het eerst aanklopt, mag het eerst naar binnen; soms een onschuldig aankloppen, soms een minder onschuldig aankloppen.» In de introductie van zijn biografie Bellow (2000) noemt James Atlas deze openingszinnen Bellows literaire credo. Het Chicago van de anarchist Al Capone en «zijn bende komische killers» omschreef Bellow in navolging van Carl Sandburg als een jeugdige reus, een spoorweggoochelaar en ’s werelds grootste varkensslager, omdat Chicago de wolkenkrabber uitvond, de grootste vleesverwerkende industrie had (zelfs het gegil van de varkens werd ingeblikt) en het grootste treinrangeerterrein bezat.

Maar als Bellow Chicago beschrijft als een stad van onophoudelijke op komst en ondergang, dood, wedergeboorten en volksverhuizingen heeft hij het indirect ook over zijn eigen literaire creaties. De razendsnelle opeenvolging van rijkdom en armoede en de wisselende regenboogsamenstelling van de bevolking («Deze ruwe, brutale stad van Europese immigranten is nu grotendeels een stad van zwarten en hispanics») maken van Chicago een «onverschrokken koorddanser». Voor Bellow was Amerika zonder de rimboe van haar grote steden onvoorstelbaar. Toen hij in 1983 voor Life in Le Moyne Street op zoek ging naar het ouderlijk huis waarin de familie Bellow tijdens de crisisjaren had gewoond, trof hij slechts een gapend gat aan. Er was geen enkel aandenken aan hoe het vroeger was. Hij betreurde niet dat er niets was om zich aan vast te klampen. «Het dwingt je bij jezelf naar binnen te kijken, op zoek te gaan naar wat beklijft. Als je Chicago haar gang laat gaan, word je nog een filosoof.»

De belangrijkste Bellow-personages zijn inderdaad wankelmoedige wijs geren, denkers op de rand van gekte (brievenschrijver Herzog!) die door echtscheiding – Bellow zelf is vijf keer getrouwd geweest en heeft een dochtertje van vijf en drie volwassen zoons – in een chaotisch bestaan terecht zijn gekomen. De meest recente hommage aan Bellows meesterwerk Herzog komt van Ian McEwan. Hij laat zijn roman Saturday, zich afspelend op 15 februari 2003 tijdens een massademonstratie tegen Blairs Irak-beleid, voorafgaan door een lang en toepasselijk motto uit Herzog: «Bijvoorbeeld? Nou, bijvoorbeeld wat het betekent een man te zijn. In een stad. In een eeuw. In overgang. In een massa. Veranderd door de wetenschap. Onder georganiseerde macht. Onderworpen aan overweldigende controle.»

De kenner van de Romantiek Herzog is de fanatieke brievenschrijver aan de levenden en de beroemde, machtige doden. Op die wijze probeert hij de gekte op afstand te houden, het uit elkaar vallen te vermijden en de puinhoop van zijn bestaan te bezweren. «Maar de moderne persoonlijkheid is onstandvastig, verdeeld, weifelend, zonder de rotsvaste zekerheden van de mens uit de Oudheid, en ook zonder de krachtige ideeën van de zeventiende eeuw, heldere, harde theorieën.»

Bellows personages zijn vloeibaar en ongrijpbaar. Augie March bijvoorbeeld krijgt van een van zijn slimste instructeurs te horen dat zijn dominante gedachte bestaat uit geheimen, complicaties, leugens, vermommingen, vaudeville, meervoudige persoonlijkheden. Is het niet zo, zegt de instructeur, dat we het verhaal van de terugkeer van de vermomde Odysseus zo mooi vinden omdat hij op wraak uit is? Maar stel dat hij is vergeten waarom en waarvoor hij terugkeert en gewoon wat rondhangt in zijn vermomming en zelfs vergeet dat hij vermomd is? Deze Odysseus is een voorbeeld voor Augie March en voor vele andere literaire Amerikaanse helden. Want wie Roth, Faulkner, Pynchon of Bellow leest, weet dat hun onevenwichtige helden zeer gevoelig blijven voor het gegeven dat het sociale leven alles te maken heeft met een ingewikkeld rollenspel en dat men soms niet meer weet welke rol men speelt of moet spelen.

In 1968 reageerde Saul Bellow instemmend op een literaire overpeinzing van Philip Roth over het overdonderende mediageweld, de onophoudelijke beeldenlawine en de ongelijke con currentiestrijd die de schrijver moet aangaan met de dagelijkse nieuwsstroom. Roth omschreef de uiterlijke werkelijkheid als een groteske uitvinding en stelde voor de innerlijke realiteit, het zelf, tot onderwerp te nemen. Portnoy’s Complaint (1968) was het bevrijdende resultaat van een poging te ontsnappen aan het verleden, schuld en schaamte en intellectuele besluiteloosheid. Bellow gaf toe dat de schrijver niet met de «groteske feiten» van het nieuws kan concurreren. Oscar Wilde’s adagium «de natuur imiteert de kunst» blijft een vruchtbare uitspraak. Dat Bellows Herzog en Roth’ Portnoy’s Complaint beide gaan over mannen die op een sofa liggen en hun eigen analyse ter hand nemen is toeval. De twee romans zijn typische producten van de tijdgeest, die nog immer leesbaar zijn.

Saul Bellow heeft zich tot op hoge leeftijd druk gemaakt over de rol en de invloed van de Amerikaanse intellectueel. Hij was niet alleen lid van The Committee on Social Thought, een politiek-culturele club van de University of Chicago, ook bleef hij scherp kritiek leveren op de zogenaamde artistieke betrokkenheid van de intellectuele «voorhoede». Vlak na de Golfoorlog van 1990 signaleerde hij een alarmerende trend. Weinigen hebben meer tijd voor bellettrie, en vele voormalige literaire intellectuelen hebben het druk als adviseurs, supporters en Besserwisser. Erger nog, deze verpolitiekte bovenlaag is overgestapt op de wegwerpcultuur en de thrill-lectuur omdat men zich na een dag crisisbezwering wil verpozen met een pseudo-cultuur die van extreme spanning en platte sensatie aan elkaar hangt: van vuurgevechten tot lustmoordenaars. «Ons vermaak is een serie schrikbeelden van wereldrampen. Niets gematigds kan onze aandacht nog vasthouden.» Het grote leed (Auschwitz, Treblinka, de Goelag-archipel) misbruiken we om het kleine leed te verdrijven. Bellow noemde het Amerika van na de eerste Golfoorlog het Rijk van de Lichtzinnigheid.

Het ging Bellow in zijn romans altijd om de mannen die, metaforisch ge sproken, op het punt stonden opge hangen te worden. Want juist die mannen (Dostojevski!) bezitten een uitzonderlijk groot concentratie vermogen. Nu leven we in een tijd van verdoving, verdringing en vergeten. «Ook de klassieken drijven, nee, denderen richting Lethe-stroom.»

Tot het laatst bleef Saul Bellow woedend vanwege het verraad van «zwakzinnige academici en intellec tuelen».

Bellows venijnige tegengif ligt in de betere boekhandel: Herzog, The Adventures of Augie March, Seize the Day, Mosby’s Memoirs, Henderson the Rain King, Mr. Sammler’s Planet.

=