Saus

Er staat een vrouw voor de ingang van de supermarkt, naast een kraampje vol kleurige zakjes. Ze draagt een schort met het logo van een sausfabrikant.

In één hand klemt ze een buitenproportioneel grote asperge. Het is, door de onvermijdelijke fallusvormigheid van de betreffende groente, een onrustbarend gezicht. Ik vind vrouwen met zulke kraampjes sowieso een beetje eng. Zwarte Pieten of mensen in een kerstmannenpak ook. En abonnementenverkopers van De Telegraaf. Mensen die je overvallen, mensen die iets van je verwachten, al probeer je nog zo uit te stralen dat jij hun doelgroep niet bent. Altijd volgt er iets ongemakkelijks. Ik tracht dus in het kielzog van een man met een lange regenjas naar binnen te glippen, maar de vrouw met het kraampje heeft het in de gaten. Ze zet een stap in mijn richting. Van dichtbij ziet ze er verhit uit. Kleine zweetdruppeltjes glinsteren op haar voorhoofd. ‘Gaat u nog asperges eten deze zomer?’ vraagt ze. Ze lepelt de woorden nogal moedeloos op. Ik blijf staan en knik. ‘Die kans is erg groot.’ De vrouw pakt een zakje van haar kraam en houdt het me voor. ‘Dit is nieuw’, zegt ze somber. ‘Heerlijk romig en snel klaar.’ Ik geef mijn antwoord zo voorzichtig mogelijk. Dat ik niets tegen heb op saus uit een zakje, helemaal niet zelfs, maar dat ik toch, in sommige gevallen, liever zelf iets maak. Ze kijkt me aan en zucht gelaten, alsof ze het eigenlijk wel verwacht had. Sterker nog: alsof een andere reactie haar zou hebben verbaasd. Misschien zou ze graag fluisteren: ‘Groot gelijk, die zooi is niet te vreten.’ Maar dat kan niet. Zodra ik doorloop hoor ik haar tegen een nieuwe klant zeggen: ‘Gaat u nog asperges eten deze zomer?’ Ze heeft vast haar dromen gehad, denk ik. Haar plannen en ideeën. Maar het leven is wreed en ingewikkeld en om de een of andere reden staat ze nu hier. Herhalend hoe heerlijk, hoe romig. Met een asperge in haar hand. Zo verbeeldt ze onbedoeld een deprimerende kant van de commercie: het zoeken naar een doelgroep die men zelf niet eens wil zijn.