Scènes uit de ouderdom

‘Kjell Askildsen (1929) wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste prozaïsten van Noorwegen van dit moment.’ Van hoeveel schrijvers uit alle mogelijke taalgebieden zou dit niet gezegd kunnen worden? Welke lezer laat zich door zo'n wervende zin, waarmee de vertaalster haar nawoord begint, verlokken tot de aanschaf van een bundel verhalen, die bovendien als eerste deel van het verzameld proza van deze beroemde onbekende wordt aangekondigd? Het maakt op z'n minst nieuwsgierig hoe een keuze uit vier verhalenbundels het begin van een verzameld werk in vertaling kan worden. Maar allereerst is het de vraag of deze keuze de lezer ervan overtuigt dat het hier een auteur betreft die ten onrechte niet eerder vertaald werd, en hem doet uitzien naar meer.

De eerste dertien verhalen, driekwart van deze bundel, ontleend aan drie verhalenbundels die verschenen tussen 1953 en 1982, bevatten naar mijn smaak niets dat ik niet al eens, vaak beter, bij andere auteurs ben tegengekomen: simpele verhalen over fragiele jeugdliefdes, twijfel aan het regime van een zwartekousengod, een glurende puber, op elkaar uitgekeken stellen op vakantie in Griekenland. In een paar verhalen wordt iets meer geprobeerd, ook in de zinnen en opbouw van ‘Een roos is ontloken’ en 'Wachttijd’.
Dan volgt er een tekst uit 1983, 'Thomas F.’s laatste notities aan het publiek’, krakende geluiden van een oude schrijver die op sterven na dood is. Vanaf dat moment wordt Askildsen een schrijver met een eigen geluid. Scènes uit de ouderdom, zou je de betere verhalen uit deze periode kunnen noemen, en die zijn verre van idyllisch.
Een man staat op een zondag voor het raam en staart naar een lege straat, hij is zelf ook leeg; op vragen van zijn vrouw geeft hij geen antwoord. Hij gaat naar buiten, is getuige van een autobotsing en gaat weer naar boven. 'Wat is er met je, Anton?’ 'Niets.’ 'Jawel, Anton, er moet iets zijn. Je antwoordde niet toen ik je iets vroeg, je ging gewoon weg. Zeg me wat er is, alsjeblieft.’ 'Er is niets. Ik ga me douchen.’ 'Alsjeblief, Anton. Je maakt me bang, ik weet niet wat ik moet denken.’ 'Je hoeft helemaal niets te denken. Ik ga me douchen.’
In deze verhalen storten geen werelden ineen, er loopt zelfs niets leeg, de ballon is al tijden leeg en slap. In zulke situaties betekenen de schaarse tekenen die mensen elkaar nog geven altijd iets anders. In het beste geval beseft de een dat hij de ander niet kent, of denkt: 'Zo ben ik niet, zo ben ik niet.’
Met dat al kan ik niet zeggen dat ik echt een beeld heb gekregen van het hele werk van Askildsen. Het nawoord helpt me ook niet: 'proza met de tot op het bot uitgeklede beschrijvingen van menselijke relaties (…) Zijn zinnen worden steeds korter en uitgekleder.’ Tot op het bot uitgekleed, ik weet niet wat ik me daarbij moet voorstellen; het cliché schijnt een literaire deugd te verbeelden. Maar dan ook nog uitgekleder dan uitgekleed? Rammelt dat proza niet een beetje? Ik moet zeggen dat ik ook literair aan wat vlees op de botten de voorkeur geef boven een naakt geraamte.