Essay: Dalrymple en de onderklasse

Scandinavië, maar dan warmer

De Engelse psychiater Theodore Dalrymple stelt in zijn boek Leven aan de onderkant dat de onderklasse het slachtoffer schap als alibi gebruikt voor haar wangedrag en dat links haar dit excuus heeft aangereikt. Dalrymple miskent daarmee de complexe achtergrond waartegen een onderklasse ontstaat.

De onderklasse gebruikt op grote schaal het slachtofferschap als alibi voor haar wangedrag. Dat excuus is gedienstig aangereikt door de progressieve elite die dit alibi heeft overgoten met een saus van vulgair marxisme en waarderelativisme. Aldus luidt, kort door de bocht geformuleerd, de centrale stelling van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple in zijn intussen ook in Nederland alom besproken boek Leven aan de onderkant.

De verleiding is groot om dit op het eerste gezicht wrakkige bouwsel met een flinke bijl te lijf te gaan. Maar ik kan me er niet zo makkelijk op die manier vanaf maken. De kern van zijn verhaal moet namelijk tegen het licht van de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig worden gehouden. Dalrymple raakt met zijn these daarmee ook mijn eigen geschiedenis.

De beschuldigingen van Dalrymple zijn immers niet mals. De progressieve elite heeft zich deels onverschillig, deels gemakzuchtig opgesteld ten opzichte van het psychische welbevinden van de onderklasse, die daardoor ongehinderd (en soms zelfs aangemoedigd) kon weg duiken in een bestaan van maatschappelijke en morele anomie.

Is er na het afschillen van de karikaturale aspecten in deze redenering niet toch iets wat ertoe noopt zo’n beschuldiging serieus te nemen? Want ook mijn geschiedenis wordt bepaald door die jaren zestig en zeventig: door de studentenbeweging, de Kabouters van Roel van Duyn, de Communistische Partij van Nederland (CPN), het welzijnswerk, kortom, door de politiek. Ook ik heb deelgenomen aan ongeveer alles wat in de ogen van Dalrymple (en iemand als Bolkestein) schuldig is aan of ten minste verantwoordelijk is voor veel treurigheid daarna.

Twee voorvallen drongen zich op bij het doordenken van de stelling van Dalrymple over de verantwoordelijkheid van de intellectuelen voor het wel en wee van de onderklasse nu.

Het eerste speelde zich af in 1967. Ik was werkstudent bij het instituut voor massapsychologie, dat een onderzoek deed naar eerdere rellen in de Haagse Schilderswijk. Het veel bekeken actualiteitenprogramma Brandpunt van de KRO had een documentaire uitgezonden over een gezin in de Schilderswijk dat omstandig zijn gal spuwde over het leven in die wijk. Dat vonden hun medebewoners niet leuk. De ruiten van het gezin werden ingegooid. Het was vervolgens dagenlang onrustig in de wijk. De KRO werd overstelpt met brieven die schande van het programma en het betreffende gezin spraken. Wij onderzochten daarop de herkomst van die brieven, en constateerden met behulp van spelden op een plattegrond van de wijk dat de adressen erg geconcentreerd waren op bepaalde hoeken van de straat en zich bovendien dicht bij cafés bevonden. Op de een of andere manier concludeerden we dat die brieven daarom niet zo serieus genomen hoefden te worden.

Het tweede voorval zal een paar jaar later zijn geweest. Op de golven van de democratisering hadden wij het als doctoraal studenten politicologie voor elkaar gekregen dat we zelf een doctoraalgroep runden die onderzoek deed naar de mogelijkheid voor de bewoners van de Spaarndammerbuurt in Amsterdam om invloed uit te oefenen op het aangekondigde proces van stadsvernieuwing. De Spaarndammerbuurt was de eerste negentiende-eeuwse wijk waar dat grootscheeps zou gaan gebeuren, inclusief een fors sloopprogramma. Het eerste wat we deden was een soort sociale kaart samenstellen van de buurt: wat voor mensen waren het, hoe zat het met het politieke en het verenigingsleven et cetera.

Een van de mensen die we interviewden was een non uit het klooster dat om onnaspeurlijke redenen in de zeer linkse Spaarndammerbuurt stond. Zij zei onder meer: «Die mensen hier kunnen niet goed met geld omgaan: ze kopen yoghurt met vruchten in plaats van naturel.» Dat was tegen het zere been van het vooral door communisten gedomineerde actiecomité. We werden daar min of meer ontboden. Hoe we het in ons hoofd haalden om zo’n mening zomaar op te schrijven. «Dat was toch een belediging voor de hardwerkende arbeiders in de buurt?» Wij stonden daar wat bedremmeld. En beloofden beterschap. We moesten toch verder met dat actiecomité.

Wat illustreren deze anekdotes? Twee fenomenen. Eén, heel belangrijk voor het begrijpen van mensen die in de knel zitten: niemand laat zich vertellen dat hij of zij op de keper beschouwd een beklagenswaardig bestaan leidt, als men zich simpelweg geen ander bestaan kan voorstellen.

Twee: solidariteit zonder kritische reflectie is geen solidariteit omdat die solidariteit gebaseerd is op de onuitgesproken stelling dat de arbeidersklasse niet te corrigeren is, laat staan te verheffen: ze hebben sowieso al gelijk. «De arbeidersklasse is boven kritiek verheven, ze hoeft alleen nog maar haar ketens af te werpen», was de inderdaad gemakzuchtige stelling.

Later, toen veel studenten waren toegetreden tot de CPN, zijn er meer voorbeelden geweest van dergelijke onkritische solidariteit. De leus «geen man de poort uit» tegen reorganisaties in bedrijven heeft waarschijnlijk meer werkgelegenheid gekost dan behouden. Maar dat had niet zozeer met aanvaarding van slachtofferschap te maken, integendeel. In de CPN heerste de overtuiging dat ook gewone mensen hun lot konden verbeteren als ze zich ontwikkelden en organiseerden. Het onkritische zat meer in het feit dat de leuzen weinig met de realiteit van doen hadden. «Hogere lonen, lagere prijzen» werd een regelrechte karikatuur. De verkiezingsposter uit 1977 «Van Agt eruit, de CPN erin» werd door niet geheel bevriende activisten bij voorkeur op vuilnisbakken in plaats van op regeringsgebouwen geplakt.

Dat roept de vraag op of de Engelse onderklasse anders is dan de Nederlandse. Dalrymple’s beschrijving van de Britse onderklasse – met een constante mix van geweld, extreem drank- en drugsmisbruik plus kapotte gezinnen, waarin vrouwen (tijdelijke) gebruiksvoorwerpen zijn en kinderen ernstig verwaarloosd worden – is heftig en serieus te nemen. Dat die beschrijving wordt ontsierd door ook bingo, tattoos en rapmuziek over dezelfde kam van ontsporing en verwording te scheren, doet daaraan niet af. Van belang is echter wel of die schets representatief is voor de Engelse onderklasse en of dat op enige manier vergelijkbaar is met Nederland.

Ik pretendeer niet een compleet beeld te hebben van de Engelse situa tie. Maar twee factoren verdienen nadruk omdat die voor een serieuze analyse van belang zijn.

Allereerst de voor ons begrip archaïsche sociale verhoudingen (stoker en machinist op de locomotief, ook toen de trein al lang niet meer op kolen reed), waardoor «echte» arbeiders en bazen elkaar veel meer en langer dan elders gevangen hebben gehouden in wederzijdse beeld vorming. Ten tweede de politiek van Margaret Thatcher, die deze verhoudingen tijdens haar premierschap van 1979 tot 1990 doorbrak door eenzijdig de macht van de vakbonden te kraken, en in de sfeer van ongebreidelde marktwerking ook een groot deel van het midden- en klein bedrijf en passant tot de bedelstaf wist te veroordelen.

Beide factoren hebben bijgedragen aan het beeld dat Dalrymple schetst. Het marginaliseren van de vakbeweging, waarmee het zicht op handelingsperspectieven voor de Engelse arbeiders (hoe weinig modern soms ook) ondergraven werd, en het vrijwel afsluiten van mogelijkheden tot opwaartse mobiliteit (een belangrijke functie van het midden- en kleinbedrijf) hebben onder meer geleid tot een relatief grote onderklasse, met weinig mogelijkheden om «eruit te breken». Een Engelse collega schat deze groep op ruim twintig procent.

Bij gebrek aan reële mogelijkheden om «uit te breken» gaan sociale voorzieningen een belangrijke rol spelen. Mensen zijn er veel langduriger op aangewezen dan de bedoeling was en daardoor worden ze er volledig afhankelijk van. Avishai Margalit noemt het in zijn boek The Decent Society (1996) een kenmerk van vernedering als mensen zozeer in ondergeschiktheid of armoede verkeren dat ze volledig afhankelijk zijn van de goodwill van anderen.

Recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) wijst uit dat in Nederland het aantal gezinnen met een laag inkomen tien procent van alle huishoudens uitmaakt. Nederland beschikt bovendien gelukkig over een omvangrijk midden- en kleinbedrijf dat ook veel werkgelegenheid biedt. Maar daarbij moet meteen worden opgemerkt dat, ook al kan met recht de overeenkomst met Engeland ontkend worden, de tendensen niet goed zijn.

Jan Latten, bijzonder hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam, signaleerde in zijn oratie op 18 november 2005 dat de integratie in Nederland stagneert doordat de witte bovenklasse steeds meer binnen de eigen groep trouwt en de lagere, veelal allochtone, onderklasse datzelfde doet. «De verschillende sociale klassen trekken zich steeds meer terug in hun eigen scholen, opereren op een eigen deel van de arbeidsmarkt, wonen in hun eigen straten en bewegen zich vrijwel louter binnen hun eigen sociale netwerken», aldus Latten. Hij noemt dat «uitsortering» en voegt eraan toe: «Als de grote aantallen drop-outs van nu over tien jaar met elkaar trouwen vormen zij weer ouders met weinig kansen, die hun achterstandspositie doorgeven aan hun kinderen. Daardoor ontstaat over twintig jaar een nieuwe generatie achterblijvers.»

Dalrymple op termijn dus? Er is alle reden om, bijvoorbeeld uit weerzin tegen zijn verklaring van de toestand van de Engelse onderklasse, met alle macht te voorkomen dat in Nederland een soortgelijk proces van sociale uitsluiting, economische immobiliteit en culturele afgeslotenheid de kans krijgt. Maar hoe?

Nederland kent een specifieke traditie in de omgang met zijn onderklasse. Allereerst is het nooit een land van uitersten in de klassenstrijd geweest, meer een land van handel dan van industrie. Omdat Nederland ook altijd een land is geweest met een sterk ontwikkeld (verzuild) maatschappelijk middenveld – dat onder meer een grote rol speelde bij de ontwikkeling van sociale voorzieningen op het gebied van vorming, vrijetijdsbesteding en zorg, waar veel overleg en compromissen bij kwamen kijken (denk aan de schoolstrijd, waaraan we grondwetsartikel 23 te danken hebben) – is het sociale klimaat er eerder een van matiging geweest dan van felle strijd. De polder zit als het ware in de sociale ge schiedenis van Nederland «ingebakken». Ook na de Tweede Wereldoorlog was dat lang het beeld. De wederopbouw baseerde zich op generieke loonmatiging en prijsregulering, om met behulp daarvan de opbouw van de verzorgingsstaat in een sfeer van sociale vrede mogelijk te maken.

Maar het specifiekere beleid voor de burgers die buiten de boot vielen, ook na de oorlog nog gewoon in beleidsstukken aangeduid met «asocialen», is een ander verhaal. Nederland heeft de asocialen, de moeilijk opvoedbaren, de overlastgevers – de «gezinnen met een zware externe problematiek op het gebied van het wonen», zoals ze later gingen heten – achtereenvolgens geconcentreerd in woonscholen met een duidelijke fysieke begrenzing en toezicht (je moest voor tienen binnen zijn), toeslagbuurten en plaatsingswijken met extra grote woningen (Amsterdam had er na de oorlog vier, twee in Noord, twee in West). Daarin werd veel maatschappelijk werk gepompt. Floradorp in Noord met circa tweehonderd woningen had een buurthuis met een staf van elf mensen, waarvan zes of zeven maatschappelijk werkers.

De Tokkies zijn niet onverwacht opgedoken. Ze zijn geen bijzonder natuurverschijnsel. Ze kwamen uit zo’n plaatsingsbuurt met een geschiedenis vol burenruzies. Ze zijn eigenlijk gekweekt. Tot in het begin van de jaren zestig werd in sommige situaties zelfs letterlijk aan gezinsvorming gedaan. In marginale gemeenschappen, waar alles en iedereen door elkaar krioelde, wees een maatschappelijk werker aan wie als kind voortaan bij wie hoorde.

Toen dit specifieke beleid niet meer oorbaar werd geacht (het is nog een tijdje geprobeerd onder de noemer OBS, wat stond voor opbouwwerk in bijzondere situaties) is dat concentratiebeleid geleidelijk vervangen door het zogeheten achterstandsbeleid. Voor buurten met een meetbare achterstand (bijvoorbeeld op grond van de doorstromingsgegevens naar het voortgezet onderwijs) werd extra geld beschikbaar gesteld. Later heeft allerlei onderzoek uitgewezen dat dit achterstandsbeleid ook niet echt goed werkte. Toen werd «opvangen in algemene voorzieningen» het adagium: kinderen van het speciaal onderwijs naar «gewone scholen», mensen met een psychiatrische aandoening zo gauw mogelijk weer de straat op, ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis.

Maar ook dat hielp maar ten dele. De resterende echte «asocialen» waren onlangs enige tijd in hun habitat te zien bij SBS6, in het inmiddels na de nodige rellen geschrapte programma Probleemwijken, een soort moderne kermisattractie waarbij de gegoede burger al zappend van zijn genoegzame afkeer kon genieten.

De context van deze ontwikkeling is niettemin van belang. Let wel, we hebben het over een betrekkelijk korte tijdspanne waarin heel veel opeenvolgend of tegelijk plaatsgreep: de wederopbouw, de verzorgingsstaat, de democratiseringsbeweging, de ontzuiling, het verdwijnen van de ideologie, de terugtredende overheid, de oprukkende markt, het beroep op verantwoordelijk burgerschap, terwijl die burger nou juist net klant geworden was. Dat alles in ruwweg vijftig jaar! Om maar te zwijgen van de razendsnelle processen van digitalisering en globalisering die per saldo veel werkgelegenheid aan de onderkant deden verdwijnen.

Wat we ons waarschijnlijk niet voldoende realiseerden te midden van al die woelingen was dat de ene ontwikkeling soms op de ene plek wel goed uitpakt en op de andere plek juist niet. Of dat de ene beweging mogelijk maakte wat de andere juist weer uitdoofde.

Om een voorbeeld te noemen: wat in de jaren zeventig «de vermaatschappelijking van de zorg» werd genoemd, beoogde een beter verblijf van mensen met een psychische aandoening in de gewone samenleving dankzij een zorgende omgeving en goede begeleiding. Door het ontbreken van die laatste voorwaarden (de samenleving werd juist harder en de zorg in de buurt en aan huis steeds kariger) sloeg vermaatschappelijking bijna om in zijn tegendeel: versneld de instituties uit, de straat op en daar zoek je het verder zelf maar uit.

Een ander voorbeeld is het leerstuk van de seksuele bevrijding. Dat was gebaseerd op opvattingen over gelijkheid van de seksen en vrijheid in seksuele verhoudingen. Het is vervolgens neergedaald in omgevingen waarin die gelijkheid helemaal niet bestond en dus de seksuele vrijheid vooral de grotere vrijheid van de man bleek te zijn. En dat alles is ook nog eens stevig aangewakkerd door een ook al vrijer geworden commercie die de seksindustrie als zeer profijtelijk had ontdekt.

Hetzelfde geldt voor het verschijnsel individualisering. We hadden bedacht dat individualiteit op basis van een normatief kader over solidariteit en gemeenschapszin een grote stap vooruit zou betekenen ten opzichte van het knellende kleinburgerlijke keurslijf van verstikkende groepsstructuren en sociale dwang. Maar hadden we niet ook moeten voorzien dat het hand in hand opkomen voor het recht op individuele keuzen en het neerhalen van de archaïsche zuilen een rampzalige mix zouden kunnen opleveren van egoïsme en amoreel gedrag?

Hadden we de geest dus maar beter in de fles kunnen laten? Betekent dit dat we al die dingen niet hadden moeten bedenken, laat staan in de praktijk brengen?

Dat zou net zo onzinnig zijn als een pleidooi om te stoppen met gentechnologie. Ook daar is trouwens een soortgelijk dilemma aan de orde. Wat qua potentie een zegen zou kunnen zijn in de strijd tegen de honger verwordt tot een nieuwe slag om economische hegemonie met behulp van monopolies met patenten. Ook daar kan een goede gedachte, en een techniek die dat mogelijk maakt, door de context omslaan in het tegendeel.

Je hoeft geen marxist te zijn om te zien dat de ontwikkeling van ideeën, van wetenschap en techniek één ding is, maar dat de werkelijkheid uiteindelijk bepaald wordt door de sociale en economische verhoudingen waarbinnen de toepassingen worden gerealiseerd.

Dat nu is er mis in de redenering van Dalrymple. Door terecht misstanden in de onderklasse aan de kaak te stellen maar daar een ééndimensionale, psychologiserende analyse op toe te passen, meer gevoed door wrok en de kennelijke behoefte een paar oude rekeningen te vereffenen, miskent hij de zeer complexe achtergrond waartegen een maatschappelijke onderklasse ontstaat en zich ontwikkelt. Die onderklasse heeft te maken met een kluwen van jarenlang gevoerd beleid, een tijdgeestmix van assertiviteit (nog een leerstuk trouwens) en consumentisme en de dynamiek van de economische ontwikkeling die voor een minderheid tot een verscherpte uitval leidt.

Zo’n onderklasse zal er waarschijnlijk altijd zijn. De Internationale zal dus niet heersen op aard. Maar uiteindelijk blijft er een ultieme vraag overeind. Gaan we fatsoenlijk (dat wil zeggen niet vernederend) met haar om? Voorkomen we afhankelijkheid? Bieden we de mensen uit die onderklasse voldoende mogelijkheid om eraan te ontsnappen en bieden we tegelijk een helder en handhaafbaar maatschappelijk genormeerd kader van wat goed is en wat absoluut niet getolereerd zal worden?

Naarmate ik daarover meer begon na te denken («waarom irriteert die Dalrymple me zo, en waarom gooi ik zijn boeken niet gewoon opzij») kwam ik tot de onontkoombare conclusie dat de progressieve intellectuelen uit die beroemde jaren zestig en zeventig wel degelijk het een en ander moeten doordenken. Al is het maar om niet zo van slag te raken als een boegbeeld van de conservatieve beweging als Dalrymple afwisselend met fileermes en houwdegen tekeergaat. Het is nodig om gewetensvol te analyseren wat er is gebeurd in de tijd waarin de wereld voor ons gevoel aan onze voeten lag.

Dat is niet alleen een voorwaarde om de conservatieve aanval van een weerwoord te voorzien in een tijd waarin rechts het sowieso voor het zeggen heeft. Het is vooral ook nodig om weer een beetje lef te vergaren en uit de schulp te kruipen.

De opvattingen en ideeën over solidariteit, duurzaamheid en zin geving op basis van menselijke autonomie, over een actieve, herverdelende overheid zijn allerminst overleefd. Ze verdienen het om in een vernieuwd ontwerp voor het voetlicht te worden gebracht, maar dan in een creatieve combinatie met de aantrekkelijke kanten van de jaren tachtig en negentig: technologie, ondernemerschap, dynamiek en menselijke verantwoordelijkheid. Het uit een soort verlegen schuldgevoel in de vergetelheid laten raken van de ideeën van de jaren zestig en zeventig pakt namelijk ook rampzalig uit omdat daardoor de negatieve consequenties van de daarop volgende decennia gaan overheersen: consumentisme, vergroting van materiële verschillen, uitsluiting.

In die zin hebben de nieuwe conservatieven à la Dalrymple, spiegelbeeldig, net zo goed een probleem. In plaats van elkaar over en weer te verketteren, is het misschien toch beter na de nodige introspectie met elkaar aan tafel te gaan. Om op zoek te gaan, niet naar een tussenweg, maar naar een spanningsvolle combinatie van twee tijdperken. Toch een soort Scandinavië, maar dan warmer?