Film: Hoe duur was de suiker

Scarlett in Suriname

De verfilming van ­Cynthia McLeods roman over het leven van slaven en kolonisten op een suikerplantage in Suriname circa 1765 levert een bevreemdende kijkervaring op. Dat komt door de spanning tussen melodrama en ernst. Enerzijds valt er plezier te beleven aan de immoraliteit van het hoofdpersonage, een soort ­Scarlett O’Hara uit Gone With The Wind maar dan vileiner, anderzijds is er schaamte bij het zien van scènes waarin het bloed rijkelijk vloeit als de slaven met een zweep worden afgeranseld. Deze tegenstelling maakt het visueel aantrekkelijke Hoe duur was de suiker tot een onevenwichtige film.

Medium film

Dat ik zo weinig blijk te voelen tijdens het kijken naar het martelen van de zwarte arbeiders op de plantage noopt natuurlijk in eerste instantie tot introspectie. Misschien spelen vooroordelen of verwachtingen een averechtse rol. Bij het zoeken naar een antwoord stuit ik op vergelijkingsmateriaal, het recente Django Unchained van Quentin Tarantino, eveneens een werk waarin het racisme en de slavenhandel narratief gekoppeld zijn aan een vorm die traditioneel toebehoort aan het domein van vermaak, namelijk de spaghettiwestern. Het subversieve dat eigen is aan dit soort films – het geweld, het revolutionaire instinct – is uitermate geschikt voor het vertellen van een verhaal over onderdrukking en bevrijding, over wreedheid en menselijkheid. De kijkervaring in dit geval is bijna visceraal. Wanneer de nihilistische wraak van Django op de bewoners van de plantage waar zijn liefje werd gemarteld een feit is, voel je iedere seconde met hem mee; de haat van de witte beulen is misselijkmakend; het bloed van de slaven vormt druppels van pijn, haast tastbaar op het scherm.

In Hoe duur was de suiker ziet alles er glanzend uit: het blakende gezicht van ‘Scarlett’, in dit geval het witte meisje Sarith (Gaite Jansen) en de speelse schoonheid van haar bloedmooie lijfslavin Mini-Mini (Yootha Wong-Loi-Sing), Sariths zusje Elza (Anna Raadsveld) dat trouwt met Rutger (Yannick van de Velde) die al snel verleid wordt door Sarith. Of het hoogblonde kind dat Sarith krijgt met de goeiige plantagehouder Julius (Kees Boot) en wier vader in werkelijkheid, onvermijdelijk, een of andere woest aantrekkelijke koloniale soldaat is.

De film is vooral toegankelijk. Misschien is het daarom een film die Jean van de Velde, die eerder films als Wit licht en All Stars maakte, op het lijf geschreven is. Hij slaagt er wel degelijk in de gebeurtenissen coherent en met vaart te vertellen, wat iets van genot brengt, maar dat is niet genoeg. Hoe duur was de suiker doet geen recht aan de horror van de slavenhandel en het racisme, of aan de absurde menselijke ­instincten die tot het onrecht leiden, stuk voor stuk elementen die toch de kern van het verhaal vormen. De wijze waarop deze dingen vooral ontmenselijken, een motief dat allesoverheersend en vooral voelbaar is in Django, verdwijnt in het niet in Suiker, terwijl ‘Scarlett’ in Suriname stampij maakt over een jurkje dat verpest wordt door Mini-Mini, of wanneer ze weer eens pruilend kijkt naar nog een soldaat om in te palmen. De behoorlijk gewelddadige slavenopstand blijft lang op de achtergrond. Slechts aan het einde van de film borrelt dat op tot iets essentieels, maar dan is het al te laat.


Te zien vanaf 25 september, onder meer als opening van het Nederlands Film Festival te Utrecht