Sceptici aller landen…

Kennis steunt op waarschijnlijkheid en niet op zekerheid, zo luidt het credo van sceptici. Vorige maand kwamen beroepstwijfelaars uit de hele wereld bijeen in Maastricht. Alles moet bewezen! Verder zijn ze doodnormaal. Waarschijnlijk.

ALAN, EEN SCHOOLHOOFD uit Noord-Londen, maakt tijdens een vrijwillige stadswandeling de voor de hand liggende grap: ‘Ik betwijfel iedere keer of de aangegeven locaties in de folders wel kloppen, maar heb de informatie nooit nagetrokken. I guess I’m not a very good skeptic.’
Het sceptische menstype bestaat niet, althans niet wanneer je afgaat op uiterlijke kenmerken en congresbadges. Een blik op de bezoekers van het 10th European Skeptics Congress (ditmaal georganiseerd door de Nederlandse stichting Skepsis) zou tot de conclusie kunnen verleiden dat sceptici geen jongeren zijn, geen vrouwen en geen mannen van onder de veertig, maar volgens Jan Willem Nienhuys, bestuurslid van Skepsis en met onder anderen Rob Nanninga en C. de Jager (voorzitter van de Ecso, European Council of Skeptical Organisations) organisator van deze bijeenkomst, moet je met dergelijke vaststellingen oppassen: 'Wat je waarneemt is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap. Bovendien zijn het vooral de mannen van boven de veertig die de tijd en het geld hebben om naar Europa te reizen.’ En de jongeren? Waar jongeren uithangen weet je nooit.
Skeptic Magazine neemt in het colofon een vast tekstblok op, 'What is a skeptic?’ zodat kandidaat-bekeerlingen meteen weten waar ze aan toe zijn. Scepticisme is geen cynisme; sceptici verzetten zich niet tegen iedere verandering van de status quo. De scepticus ontkent niet bij voorbaat dat een bewering waar zou kunnen zijn, hij wil alleen eerst bewijzen zien; 'skeptics are from Missouri - the “show me” state’. Het scepticisme is een methode, geen stellingname, en conclusies over de aard van verschijnselen zijn altijd voorlopig. De scepsis navigeert tussen het totale relativisme ('we weten niets’) en goedgelovigheid door. De Amerikaan Paul Kurtz herhaalt in zijn artikel 'The New Skepticism’ het vertrouwde standpunt dat onze kennis gebaseerd is op 'waarschijnlijkheden’, niet op 'uiteindelijke zekerheden’ - maar wetenschappelijke verklaringen pretenderen meestal ook niet meer dan dat.
DE SCEPTICUS zal dus wel weer niet bestaan, maar rond de lectuurtafels is toch een kalme saamhorigheid voelbaar; hier hoeft niemand zijn Missouri-trekjes te verdedigen. Er zijn afleveringen te koop van Skeptic Magazine en van de Skeptical Inquirer, en een encyclopedie over paranormale en occulte fenomenen - honderden pagina’s debunkery voor de liefhebbers. De vergevingsgezinde gelaatstrekken van de dalai lama prijken op de cover van Dalai Lama: Fall eines Gottkönigs, waarin wordt betoogd dat de geschiedenis van het lamaïsme is doortrokken van geweld en onderdrukking; volgens de auteur blonk het Tibetaans boeddhisme vanouds uit in demonengeloof en vrouwvijandigheid, en wanneer je goed naar de lama luistert hoor je nogal wat gemeenplaatsen en uitspraken van 'verdacht rechtse signatuur’. Michael Schermers prachtige, maar helaas nog onvertaalde Why do People Believe Weird Things is prominent aanwezig. Ik krijg een mooie kleurenfoto van Schermer, hoofdredacteur van Skeptic Magazine. 'The master himself’, zegt de verkoper, die heeft geraden wat ik dacht.
Een blik op de congresfolder maakt duidelijk met welke onderwerpen de sceptici zich zoal bemoeien: brainwashing, antisemitisme, het placebo-effect, astrologie, hypnose, Feng Shui, onwetenschappelijke selectiemethoden, de verhouding scepsis-religie, de angst voor genetisch gemanipuleerd voedsel en wat al niet. Maar er staat ook een moonlight cruise op het programma; sceptici zijn zo te zien betrekkelijk normale mensen.
Halverwege de jaren zeventig werd, in het kielzog van de beroemde Gauquelin-affaire (een Franse onderzoeker construeerde een correlatie tussen de geboortedata van topsporters en de positie van de planeet Mars - het 'Mars-effect’), het Committee for the Scientific Investigation of Claims Of the Paranormal (CSICOP) opgericht, geleid door Paul Kurtz, toen nog een filosofieprofessor. In het tijdschrift van het CSICOP, de Skeptical Inquirer, worden maand na maand bijgelovige koppen gesneld en misverstanden opgehelderd: het vuurdansen wordt ontmythologiseerd door uit te rekenen hoeveel tijd vuur nodig heeft om een haastig passerende voet te beschadigen en paranormale bijzonderheden worden ontmanteld aan de hand van hardvochtige statistiek.
Underwood Dudley stelt in de Skeptical Inquirer van september 1998 een experiment voor dat je eigenlijk niet eens meer hoeft uit te voeren om er iets mee te bewijzen. Je geeft aan een groep van 1200 mensen de opdracht een munt op te gooien, waarbij wordt afgesproken dat de kopgooiers steeds mogen blijven staan. Na één worp zijn er ongeveer 600 personen over, na twee worpen 300 enzovoort. Het is uiteraard statistisch onvermijdelijk dat er na een worp of tien een persoon overblijft die zonder uitzondering koppen heeft geworpen, en hij moet dus wel heel sterk in zijn sceptische schoenen staan wil hij zichzelf niet voor een geniale werper houden. Volgens Dudley zal hij vermoedelijk interviews aan de pers geven, waarbij hij zijn trainingsmethodes toelicht en uitspraken doet van het type: 'Ja, Theodor, vlak voor de laatste worp was ik gespannen, heel erg gespannen zelfs, maar ik voelde de kopgooi-energie gewoon door mijn aderen stromen, en toen het muntje in de lucht hing was ik volslagen kalm.’
Het is niet zo dat de sceptici ongeacht het onderwerp de alles-moet-plat-methode toepassen (zij zouden dan natuurlijk geen gewetensvolle sceptici meer zijn). Zo kregen hypnose, leugendetectors en vitamine C tot op heden vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. 16,37 procent van de abonnees gelooft in God; er is geen noodzakelijk conflict tussen religie en scepsis, maar de overgrote meerderheid van de sceptici is wel degelijk atheïst en vrijdenker.
DR. WAYNE SPENCER gooit zaterdagochtend met zijn lezing 'Skepticism in the Twenty First Century’ de knuppel in het sceptische hoenderhok met de stelling dat het voor sceptici geen zin heeft om voor de televisie te verschijnen. Uit onderzoek zou zijn gebleken dat kijkers in hoge mate informatieresistent zijn, en omdat sceptici het van televisie-onvriendelijk argumenteren moeten hebben is het nuttig effect nihil; ze kunnen maar beter boeken schrijven, aldus Spencer. Sceptici moeten een brede blik hebben: ze zouden alle nationale en sociale mythen ('de vrije wereld’, 'de vrije markt’, allerlei vormen van nationale 'grootheid’) aan een onderzoek moeten onderwerpen; verder moeten ze hun tegenstanders met respect behandelen, in de geest van Spinoza - niet belachelijk maken, maar proberen te begrijpen.
De Belgische filosoof Van Bendeghem kiest voor een tamelijk provocerende invalshoek. Sceptici blijven, na een debat, vaak gefrustreerd achter omdat ze geen greep konden krijgen op de gladde pseudo-argumentatie van hun opponenten, maar wanneer de onvrede wordt geventileerd met een meta-opmerking ('uw argumenten kloppen niet, omdat…’) neemt de verwarring alleen nog toe. Van Bendeghem stelt voor om drogredenen met drogredenen te vergelden: X claimt dat God bestaat, omdat er geen bewijs tegen bestaat, maar zijn tegenstander, de scepticus, betaalt met gelijke munt terug: ufo’s, toverheksen, Beëlzebub bestaan, omdat er geen doorslaggevende tegenbewijzen voorhanden zijn. Beide redeneringen zijn ondeugdelijk (je kunt nooit iets aantonen louter en alleen met een gebrek aan tegenbewijzen) maar X zit 'klem’, omdat hij met zijn eigen logica wordt bestreden. Iemand uit het publiek roept dat deze valsspelerij uiteindelijk tot problemen zal leiden, waarop Van Bendeghem antwoordt dat hij zich daarvan terdege bewust is; het kan geen kwaad om zo nu en dan af te dalen naar het niveau van de tegenstander, zo lijkt hij te suggereren, en dagvoorzitter Joop Doorman schiet hem te hulp door te herinneren aan Aristoteles, die in zijn Ethika Nikomacheia heeft beweerd dat er in de moraal geen strikte regels bestaan.
Mogens Winther, docent astronomie uit Denemarken (in het curriculum van middelbare scholen zijn er vier uren per week gereserveerd voor astronomie - een verstandig volk, die Denen) beschrijft hoe astrologen en astronomen in conflict raakten toen een schoolobservatorium, om uit de financiële nood te raken, het voornemen had om de steenrijke en succesvolle astroloog Ole Gilber cursussen te laten verzorgen in zaken-astrologie (het selecteren van kandidaten op basis van horoscoopgegevens). Men stuurde Gilber de anonieme geboortegegevens van dr. Mengele op, die Gilber ervan overtuigden dat '16 maart 1911’ een vergevingsgezind persoon was met weinig vijanden, iemand die goed met mensen kon werken. Gilber bleek een slechte verliezer. Hij beweerde dat hij meer informatie nodig had, men stuurde hem de precieze gegevens van een Amerikaanse seriemoordenaar (vergelijkbaar resultaat) en de kranten stonden wekenlang vol. Winther laat foto’s zien die zijn leerlingen in het schoolobservatorium gemaakt hebben (een heel mooie van de Andromeda Galaksen M31, op een afstand van 2,2 millionen lysår) en hij besluit met een grafiek waaruit blijkt dat de gevreesde zonsverduistering ditmaal gepaard ging met stijgende beurskoersen.
Omdat de hoofdmicrofoon van het spreekgestoelte stochastisch gedrag vertoont, moet Nienhuys talloze kilometers afleggen om de mobiele microfoon van vragensteller naar spreker en vice versa te verplaatsen. Langzamerhand wordt het gezellig.
IN DE LUNCHPAUZES zijn er geen broodjes, dus zwermen de sceptici uit over Maastricht. Ze halen aan het Vrijthof herinneringen op aan het wereldcongres in Heidelberg, vorig jaar, en ze zijn te laat terug voor de volgende spreker, Polidoro, die aantoont hoe je 'telekinese’ kunt verklaren aan de hand van statische elektriciteit en die vervolgens laat zien dat hij het lepeltje-molesteren van Uri Geller ook beheerst. Dr. Christopher French beweert dat goede sceptici zeldzaamheidswaarde hebben; hijzelf komt zo vaak op de televisie dat zijn familie denkt dat hij dood is wanneer hij twee dagen niet voor de camera’s is verschenen. 'Je tegenstanders heten meestal Zelda’, zegt hij, 'en professoren in de astronomie staan altijd aan jouw kant.’ Sceptici hebben het nadeel dat ze koud en afstandelijk lijken, terwijl pseudo-wetenschappers graag de rol van warme en ontvankelijke persoonlijkheden spelen. De boodschap van sceptici is domweg niet comfortabel: ze formuleren inzichten als 'de dood is het moment waarop biochemie in chemie verandert’, maar de mensen willen zo graag leuke dingen horen.
Halverwege de zaterdagmiddag springt Paul Kurtz overeind om spontaan zijn zorg uit te spreken over de toekomst van de scepsis. Vijfennegentig procent van de Amerikaanse televisieprogramma’s vertoont volgens hem een paranormale voorkeur; er is sprake van een 'major crisis’.
Michael Heap behoort tot het soort saaie sprekers die toch een boeiend verhaal vertellen, in dit geval over hypnose (niet op te vatten als een geestesgesteldheid, maar als gedrag dat mensen onder sommige omstandigheden nu eenmaal vertonen), waarna prof. dr. Peter van Koppen verklaart waarom getuigen liegen en onbetrouwbaar zijn: toeschouwers bij de doodslag op Meindert Tjoelker neigden ertoe van alles niet gezien te hebben, uit angst om te worden geconfronteerd met de vraag waarom ze niet ingegrepen hadden. O'Leary, sprekend over het Britse wantrouwen rond genetisch gemanipuleerd voedsel, is veruit de dikste spreker. 'Daarover kun je zoveel grappen maken’, zegt mijn schoolhoofd, 'dat je niet weet waar je moet beginnen.’
Het is tijd geworden om aan boord te gaan, de Maas op, in zuidelijke richting; er is geen moonlight. Ik realiseer me dat ik nog nooit met zo veel sceptici op een boot heb gezeten, al weet ik dat niet helemaal zeker. Op het benedendek wordt vis geserveerd, op het bovendek vlees; opmerkelijk veel schepelingen blijken gulzige dubbeldekkers te zijn. Het wordt donker en de Maaskade is hoog en saai; daarom kijken mijn Britse disgenoten niet naar buiten, maar bespreken ze de onwaarschijnlijke gladheid van Tony Blair en de zegeningen van de astrologie. 'Tweelingen hebben geen last van al die astrologische flauwekul’, citeert een medewerker van de EU een anekdote die ik al ken, 'want Tweelingen geloven niet in astrologie.’ We brengen geruime tijd door in een sluis, beschrijven een cirkeltje en varen meteen weer terug de sluis in. De Britten hebben nu een blik in hun ogen die op de een of andere manier voorbij de scepsis is geëvolueerd.
'SCEPTICISME IS het instrument van de rede tegen het georganiseerde irrationalisme’, schrijft Stephen J. Gould in het voorwoord van Schermers boek. Op zondag krijgen we de laatste zware dosis georganiseerd wantrouwen toegediend. De Duitse architect Aldinger - hij spreekt nog slechter Engels dan Nederlandse politici - bevestigt het vermoeden dat voor de resultaten van Feng Shui - 'een astrologie van het environment’ - geen deugdelijk bewijs bestaat (maar Amerikaanse projectonwikkelaars die in Hong Kong een gebouw willen neerzetten bellen zuchtend de lokale sjamaan), waarna Jacques Theodor korte metten maakt met achtereenvolgens de morfopsychologie (de ook voor hoger opgeleiden verleidelijke leer die een causale relatie veronderstelt tussen gelaatstrekken en karakter) en de grafologie als selectiemethode: hoe ver mogen je schrijfletters achterover leunen voordat je onverbiddelijk als 'emotioneel geremd’ wordt geboekstaafd? Henri Broch presenteert de resultaten van zijn college zetetica, een methode die studenten wil aanleren verschijnselen kritisch en analytisch te benaderen. 'Zich vergissen is menselijk’, luidt het zetetische motto, 'maar zich voortdurend vergissen niet.’
Een van de spectaculairste vergissingen uit de cultuurhistorie wordt door Derek Freeman in het derde Skeptic Magazine van 1997 beschreven. In 1925 werd Margaret Mead door Franz Boas (volgens de Winkler Prins 'geschoold in het exacte denken der natuurwetenschappen’) naar Samoa gestuurd, teneinde te bewijzen dat culturele invloeden het gehele menselijke gedrag konden verklaren. Binnen enkele maanden keerde Mead terug, schreef Coming of Age in Samoa en werd wereldberoemd. Zij dacht in de geest van John Locke: de mens werd geboren als een tabula rasa (een schone lei), de cultuur vormde het gedrag en zoiets als 'de menselijke natuur’ bestond in zekere zin niet - 'human nature’ was 'the rawest, most undifferentiated of raw material’, zoals ze schreef. Deze opvatting spoorde kennelijk uitstekend met de Zeitgeist, en de antropologie werd voor tientallen jaren misleid. Meads verhaal kwam erop neer dat de puberteit in Samoa geen conflictrijke periode vormde en dat de jeugd zich onbelemmerd mocht overgeven aan de promiscuïteit - een idyllisch beeld.
Derek Freeman reisde in 1940 ook naar Samoa, om het onderzoek te herhalen. Hij bleef veel langer, hij leerde de taal wél en kwam tot tegengestelde conclusies. Hij was zo verbaasd dat hij zijn onderzoek nog eens overdeed en jaren wachtte met publicatie. In 1983 verscheen zijn Margaret Mead and Samoa: The Making and Unmaking of an Antropological Myth. Het wetenschappelijk establishment was diep verontwaardigd; men wilde niet horen dat de Samoanen strikte seksuele voorschriften volgden en dat ze maagdelijkheid hooglijk waardeerden; dat was helemaal niet Polynesisch. Freeman had de illusie verstoord en hij werd het zwarte schaap van de internationale antropologie.
In 1987 kwam Fa'apua'a Fa'amu, Meads informante, met een officiële verklaring: zij en haar vriendin hadden Mead voor de mal gehouden; ze hadden haar het exacte tegendeel verteld van de werkelijkheid. Bij nader inzien bleek het voor de mal houden van nieuwsgierige westerse onderzoekers zelfs een hobby van Polynesiërs te zijn. De achttiende-eeuwer Labillardière vertelde de Académie des Sciences in Parijs dat de inwoners van Tonga ook voor onwaarschijnlijk grote getallen een apart woord hadden, maar wat hij feitelijk in handen hield was een lijst met obsceniteiten.
PAUL KURTZ MAG het congres besluiten. Hij houdt niet zijn voorbereide lezing, maar posteert zich als een docent voor de toehoorders en vraagt hen spontaan te reageren op de combinatie wetenschap-religie. De aanwezigen zijn het er wel over eens dat religie niet verboden is - 'bijgeloof is het geloof van de anderen’ - maar er wordt ook op gewezen dat wanneer claims betrekking hebben op verifieerbare gegevens, het de wetenschap vrij staat om zich met deze 'overschrijdingen’ te bemoeien. Er is iets ontroerends aan Kurtz, zoals hij daar staat en ons met brede maar breekbare armgebaren uitnodigt om mee te denken; een Mozes van de East Coast die zelf het beloofde land van een kritisch denkende mensheid niet meer zal binnentrekken.