In zijn college De Koude Oorlog, zojuist op vier audio-cd’s verschenen bij de Home Academy, vergelijkt Maarten van Rossem de internationale politiek met een schaakspel – om die overeenkomst onmiddellijk weer te verwerpen. Het gedoe van wereldleiders lijkt volgens hem meer op de improviserende rommeligheid die ook het dagelijks leven kenmerkt. Elke grote opzet wordt onmiddellijk doorsneden door omstandigheden die roet in het eten gooien of zelfs de ontdekking dat de uitgangsanalyse volledig langs de werkelijkheid heen schiet.

Misschien, zo suggereert Van Rossem, leed de hele Koude Oorlog aan zo’n eindeloos uitvergroot misverstand. De kern ervan vormde de overtuiging dat een mondiaal machtsevenwicht tussen de grootmachten de beste garantie was tegen het uitbreken van een Hete (Wereld)oorlog. Dat werkte goed, maar in de becijfering van dat evenwicht wrong het. Die cirkelde rond de gedachte dat ieder land dat aan de tegenstander verloren ging automatisch het machtsevenwicht deed verschuiven.

Naties, vooral in de Derde Wereld, vormden zo de pionnen aan het aantal geslagenen waaraan de stand van het spel kon worden afgelezen. Wie er méér had was aan de winnende hand en de ander daarmee automatisch de verliezer, want de totale som bleef altijd gelijk. Wat die landen in werkelijkheid voorstelden deed er in deze calculatie minder toe, noch de vraag of er uit het beheersen ervan enig voordeel viel te halen.

Met alle perifere brandhaardjes die het vuur van de Koude Oorlog gaande hielden hebben de grootmachten zich uiteindelijk niets anders dan ellende op de hals gehaald, aldus Van Rossem. Korea, Vietnam, Angola of Afghanistan: de strijd erom kostte alleen maar handenvol geld, soldatenlevens en ter plekke mateloos lijden en verwoesting. Dat laatste was géén schaakspel meer, maar de morsige opbrengst van een strategisch denken dat zich liet benevelen door de esthetica van zijn eigen formalisme.

Kunnen we het echter wel stellen zonder de fictie van de klare lijn en het heldere spel, hoe machteloos dat ook steeds weer langs de realiteit afglijdt? Wellicht schuilt in die discrepantie het werkelijke gevaar van ieder denken, dat er altijd toe geneigd is zijn eigen denkbeelden voor de werkelijkheid aan te zien. Onschuldig kan het spel dat daarmee gespeeld wordt dan ook alleen blijven zolang het het rijk van de fictie niet verlaat. Wie schaakt, maakt vooralsnog geen échte slachtoffers – en wie schrijvend zijn fantasie laat spelen evenmin.

In zijn vorig jaar verschenen bundel Overspel (uitgeverij Wereldbibliotheek) heeft Juan José Millás laten zien hoe schaakfantasie er literair uit kan zien. In deze ruim dertig verhalen verwisselen overspelige mannen en vrouwen van plaats volgens de strengst mogelijke regels van het formele spel. De man die ’s ochtends de lift naar beneden neemt om, na de trap weer op te zijn geslopen, het bed van de buurvrouw in te stappen, moet eerst nog even zijn vrouw bellen om te zeggen dat hij veilig in het vliegtuig zit naar Barcelona. Op dat ogenblik gaat de telefoon van de buurvrouw, en belt haar eigen, veilig in Barcelona aangekomen man. Door de tussenwand met het appartement ernaast zijn stemmen te horen: een man en een vrouw. ‘Tegen wie zou ze praten?’ vraagt man 1 zich over zijn eigen vrouw af. ‘Tegen zichzelf’, zegt de buurvrouw. ‘Ze maakt altijd beide stemmen.’

Zo maken Millás’ fantasieën geen slachtoffers, anders dan die van de verzuchting of milde ontgoocheling. Kinderen – die het overspel-ballet meteen een stuk hachelijker maken – komen zijn geometrische gambiet nergens verstoren. Het overspel dat hij bedrijft is dat van de idee. Het zijn de logische mogelijkheden van de werkelijkheid die zijn literaire materie vormen, niet de realiteit zelf. Daarin is hij de briljante speler die het gewone met één tikje de bizarre wending geeft waarin alleen de zuiverste rationaliteit kan verdwalen.

Daarom is deze fictie frictieloos en komen de moeilijkheden pas wanneer de echte wereld haar komt verstoren. Dan wordt het mondiale oorlogsschaak het toneel van slordige destructie en raakt, van haar veel onschuldiger kant, ook de literaire fictie in het ongerede. Want ieder verhaal dat over de wereld wil gaan, botst op wat zich niet straffeloos laat fabuleren en zich daarin voor de kunst onhandelbaar toont.

Dan komen personages, in de gestalte van échte mensen die zich in hen herkennen, plots hun gram halen – en heeft ieder boek een moraal, ook als de auteur die liefst ontveinst. Dan zijn er bij het overspel plots kinderen in het spel, en stuiten de mondiale strategieën op vluchtelingellende, ontaarding van de eigen troepen en verloren generaties. Dan wachten rechtbanken, kinderbeschermers, opstandige kiezers, lege schatkisten en internationale tribunalen.