Schaakmat door hoe het is

ALS IK EEN potje schaken heb verloren, dan wil ik mijn glunderende tegenstander nog wel eens toevoegen dat hij ‘goed gespeeld’ heeft. Dat is een compliment natuurlijk, maar tegelijkertijd lijk ik met die uitspraak aan te willen geven dat ik heus meer inzicht heb dan tijdens het spel bleek. Het ‘goed gespeeld’ is een poging mijzelf weer tot een waardige tegenstander om te toveren die men alleen kan verschalken door ‘goed’ te spelen. Ik probeer zo weer iets van de victorie van de ander af te snoepen.

Datzelfde gevoel had ik tijdens het lezen van Het mechaniek van de ontroering, een selectie uit het beschouwend proza dat Rutger Kopland de afgelopen 25 jaar schreef. De meeste stukken die hierin zijn opgenomen, kende ik al, maar nu ik ze in een keer achter elkaar las, had ik voortdurend het gevoel dat ik schaakmat werd gezet. Dat komt natuurlijk omdat ik dit boek niet zozeer begon te lezen om er achter te komen waar Kopland voor staat - want dat wist ik al - maar met de bedoeling hem tegen te spreken. Op grond van mijn bekendheid met zijn poëzie en met zijn beschouwend proza wilde ik het per se oneens met hem zijn. Ik begon te lezen als een tegenstander.
Voor de goede orde: niet omdat ik Kopland geen goede dichter vind. Integendeel juist: ik vind Kopland een van onze beste dichters. Het is veel vager en tegelijkertijd groter dan dat. Zijn poëzie roept bij mij verzet op. Als ik dat wat nader zou moeten aanduiden dan moet ik zeggen dat ik in opstand kom tegen de ‘feitelijkheid’ ervan, waarmee ik bedoel: tegen de onweerlegbaarheid waarmee in zijn beste gedichten wordt gezegd 'wat het geval is’. Kopland is als de schaker die met iedere zet aangeeft wat de mogelijkheden, maar vooral ook wat de begrenzingen van het spel zijn en die het daarbinnen desalniettemin voor elkaar krijgt zetten te doen die nog nooit iemand eerder heeft gedaan. Ik word dan zo'n wat beklagenswaardige schaker die wil protesteren tegen het feit dat er maar 64 velden zijn - dat lijkt me ineens veel te weinig
TEGENOVER ZIJN poëzie en beschouwingen word ik met andere woorden altijd weer die wat pathetische romanticus waarover Kopland het in zijn eerste essay heeft. 'Noodzakelijk voor het concept van de romantische held is (…) het geloof in een oorspronkelijke goedheid van de mens, de idee van een niet-problematische, gelukkige oerstaat, een toestand van ongeschondenheid en “onbeschrevenheid”, de tabula rasa’, zo schrijft hij daar. Zo iemand komt in opstand tegen een wereld die zo niet in elkaar zit. Hij 'projecteert zijn eigen narcistische protest tegen alles wat hem niet bevalt en projecteert zijn eigen slachtofferschap onder het mom van engagement’. Hij vertoont de trekken 'van een door en door conservatief, adynamisch, christelijk wereldbeeld, waarin een verlangen naar vroeger, naar stilstand, of naar later, naar na de dood, een besef van paradijselijke jeugd en zondige volwassenheid, en een besef van straf op het verantwoordelijk worden de hoofdrol spelen.’ U begrijpt dat ik hier al wat zuur glimlachend achter het bord zit.
Literatuur herdefinieert de grenzen die in een bepaalde tijd rond onze werkelijkheid worden getrokken en die bepalen wat wij 'werkelijkheid’ noemen. 'Literatuur d ient, in tegenstelling tot d e gebruikelijke associatie die dit woord oproept van verwording van irrealiteit, fictie, dromerij, ons te confronteren met onze realiteit, onze non-fictie, ons bewustzijn’, schrijft Kopland. Daar schuilt een minder grote tegenstelling in dan nu wel lijkt, maar dat is het nu juist! Mijn overtuiging leidt niet tot een (romantisch) pleidooi voor irrealiteit. Ik ben het met Kopland eens: het gaat om realiteit. En Kopland is het ongetwijfeld met mij eens dat die 'realiteit’ een andere is dan wat in het alledaagse leven zo wordt genoemd.
Het verschil zit hem denk ik in dat 'herdefiniëren’ van mij tegenover dat 'confronteren’ van Kopland. Een nuanceverschil. Alsof ik stenen in het water wil gooien met die zich uitbreidende kringen, terwijl Kopland steeds kleinere cirkels maakt rond wat hij blijkbaar wil zeggen, maar nog niet weet totdat hij het zegt. Ik zou de ruimte die de taal mij laat willen openbreken, op zoek naar wat er normaliter buiten blijft - Kopland brengt wat buiten het alledaagse taalgebruik ligt 'onder woorden’: letterlijk. En daar wil ik dan weer tegenin. En op dat moment word ik dus, ondanks mijzelf, die beklagenswaardige romanticus. Anders gezegd: ik zit tegen mezelf te schaken.
Gevoel tegenover verstand, zou je het kunnen noemen, al ben ik er niet zo zeker van of dat wel een echte tegenstelling is. Misschien gaat het veeleer om geduld, overleg en bezinning tegenover ongeduldige onbezonnenheid. Het is ver van mij Kopland een puur 'verstandelijke’ dichter te noemen, al noemt hij zichzelf, niet alleen als psychiater, maar juist als dichter 'objectivist en materialist’. Dat laatste is hij omdat hij, als hij wordt getroffen door iets, door iets dat de ontroering oproept waar het in de titel van dit boek om gaat, hij niet denkt: 'En nu zal ik dit en dat en zus en zo, nu zal ik ’m eens raken’, maar dat hij denkt: 'Wat is het?’ Hij stelt zich dus als het ware op tegenover het gevoel dat hem beheerst, zonder het daarmee overigens te verliezen Integendeel: dat gevoel is zijn 'poëtische motor’, zoals hij schrijft in het bekende dagboek Over het maken van een gedicht.
Dat dagboek, maar ook een soortgelijke tekst van later datum, Stilleven met goudplevier en het dankwoord bij de aanvaarding van de P. C. Hooft-prijs, 'Dankzij de dingen’, bestaat uit een eindeloos gemompel waarin het onophoudelijk gaat om de vraag wat er nu eigenlijk wordt bedoeld. Poëtisch geformuleerd heet dat: 'woorden vinden voor wat er niet was, voordat die woorden er waren’, maar dat klinkt naast wat er in werkelijkheid gebeurt haast zweverig. Want dit zoeken van iets wat nog niet klaar ligt - de 'herinnering aan het onbekende’, zoals Kopland het ook wel noemt - vereist exactheid, precisie, een geduldig en gedurig passen en meten, totdat het er is zoals het er is. Totdat je het herkent, dat wat je nog nooit zag.
ZO SCHRIJFT Kopland niet alleen, zo leest hij ook. In de stukken over Lodeizen, Kouwenaar, Krol, Van Deel, Schippers, Bernlef en Kousbroek stelt hij niet alleen de vraag wat het is dat hem raakt, maar ook waarom hij eventueel niet wordt geraakt, waar zijn reserves vandaan komen. Dat leidt tot observaties die zeer de moeite waard zijn: 'Kouwenaar toont in zijn gedichten de wonderlijke combinatie van een uiterst beheerst mens die zich probeert te laten gaan’, schrijft hij bijvoorbeeld, en dat is een visie op het werk van Kouwenaar die ik nog nooit eerder verwoord zag.