Schaamhaar

De wonderlijke Portugese cineast Joao Cesar Monteiro is een vaste gast op het prestigieuze filmfestival van Venetie. Dat moet voor een deel de verklaring zijn van het feit dat zijn merkwaardige nieuwe film A comedia de deus werd opgenomen in het competitieprogramma. Niet dat zijn nieuwe film niet goed is. Volgens mij is hij heel goed. Hij is ook raar, fijnzinnig, decadent en op een charmante manier amateuristisch, en dat zijn zeldzame eigenschappen voor films die strijden om de eer van het winnen van een groot festival. Monteiro is de maker van het gedenkwaardige Herinneringen van het gele huis (1989) en van het wat minder geslaagde De laatste sprong (1992).

In zijn nieuwste film is Monteiro weer in grootse vorm en overtreft hij zijn eigen hoogtepunt Het gele huis. Net als in Het gele huis speelt Monteiro zelf de hoofdrol. Hij speelt niet zichzelf, maar zeker ook niet een heel ander iemand. Joao Monteiro is in A comedia de deus Joao de Deus. Geen goddelijke komedie dus, maar een Monteiro- komedie. Voor wie Het gele huis niet heeft gezien, is het nuttig te weten dat Monteiro’s fysionomie van zichzelf al komisch is. Hij is als de magere helft van een komisch duo, waarvan de dikke helft ooit is verdwenen. Hij heeft een lijf als een skelet van James Ensor en een hoofd als dat van een te vroeg geboren roofvogel.
De Deus/Monteiro is in de film ijsmaker. Voor zijn ambitieuze bazin drijft hij ijssalon Het Paradijs, waarin door hem zorgvuldig geselecteerde en opgeleide verkoopsters zijn zelfgemaakte ijs verkopen. IJs waarvan hij de soms merkwaardige receptuur zelf heeft ontwikkeld. Maar hoe groot zijn kunnen als ijsmaker ook is, het zijn eerder de verkoopsters dan het ijs waar zijn belangstelling naar uitgaat. Zij moeten een rol spelen in het vervullen van zijn onschuldig-perverse en komische verlangens. Als het woord niet zo belast was, zou je A comedia de deus een pornografische film kunnen noemen. Maar om verwarring te voorkomen is het wellicht beter om hem te omschrijven als een intelligente ironisch-erotische komedie.
Monteiro beoefent een genre van de erotica dat verwant is aan dat van achttiende-eeuwse Franse schrijvers als Crebillon, Choderlos de Laclos en Restif de la Bretonne. De Deus/Monteiro is een estheet. De schoonheid van de weg naar het doel is oneindig veel belangrijker dan het doel zelf. Maar ook een zeker resultaat telt. Nadat hij een jong meisje een bad in melk heeft laten nemen, waarbij hij het beslist niet erg vond dat ze haar plas niet kon ophouden, maakt hij uiteraard ijs van de gebruikte melk. Als het bad leeg is inspecteert hij het zorgvuldig op een achtergebleven schaamhaar die hij kan toevoegen aan zijn collectie. Want al vroeg in de film hebben we hem zien bladeren in een groot album met vele zorgvuldig gerangschikte zakjes met haar voorzien van soms uitvoerige bijschriften. Dat lijkt misschien niet bijzonder geestig, maar het gaat erom hoe de Deus/Monteiro opgetogen door een vergrootglas naar zijn nieuwste aanwinst kijkt. Een bad in melk is nog niet zo vreemd, maar een meisje op een luchtbed als op een altaar terwijl de Deus/Monteiro als een dirigent het droogzwemmen stuurt, is al iets merkwaardiger. En ook hier gaat het vooral om de volle overgave en de tijd die de filmmaker/acteur/erotomaan neemt om een geestige scene als deze volledig uit te spelen.
A comedia de deus zit vol met dit soort soms vergezochte, maar steeds geestig weergegeven vondsten. De Monteiro is binnen het filmmaken een aangename zeldzaamheid. Natuurlijk zijn er altijd grote komische acteurs geweest die zichzelf regisseerden, zoals Buster Keaton en Charley Chaplin. Woody Allen was ook met een film in Venetie vertegenwoordigd om te bewijzen dat die traditie nog leeft. Maar de erudiete zelfspot die Monteiro beoefent is van een speciale orde en geeft zijn film de allure van een in leer gebonden en duur geparfumeerd boek.