Media

Schaamte

Langzamerhand begin ik te verlangen naar vóór Greet Hofmans-achtige situaties, naar een journalistiek die pas spreekt als het van hogerhand mag. Niet dat ik voorstander ben van dergelijke journalistiek. Verre van. In een democratie moet de journalistiek prikken, bijten, zoeken, zeuren, aan de kaak stellen. Althans als het om zaken gaat die diezelfde democratie betreffen.

Als het om andere zaken gaat, dient de journalistiek voorzichtiger te zijn; als het om privé-zaken gaat, behoort zE zelfs afstand te houden. Maar dat blijkt niet mogelijk. Het is het een of het ander: openheid of geslotenheid, alles op straat of alles achter gesloten deuren. Een midden is er niet. Helaas.
De feiten zijn verdrietig en simpel. Een man heeft pech of, andere mogelijkheid, doet iets wat hij beter niet had kunnen doen. Het loopt fout. De artsen kunnen niet meteen de juiste diagnose stellen. De familie leeft tussen hoop en vrees. Meer is er niet, deze keer niet en alle andere keren dat zoiets gebeurt niet. Je hoeft alleen maar even de ogen dicht te doen om het te begrijpen. Wat zeg je op zo'n moment? Niets. Wat hoop je? Alles. Wat doe je? Weinig. Je sleept je door de dagen, wacht tot er iets gebeurt of tot een arts het verlossende of vernietigende woord spreekt. Ondertussen hang je met familie en vrienden op de bank, maakt een wandelingetje rond het (zieken)huis, voert een telefoontje met de naasten. Inderdaad, meer is er niet. Meer kun je niet. Meer hoeft ook niet. Tenzij…
Als je van koninklijke bloede of anderszins een BN'er bent, worden de regels van het normale leven opgeheven en heb je naast je verdriet ook nog te maken met een circus dat je volgt als een hoempaband de dansmariekes, met als enige verschil dat er niet gelachen maar (te) nadrukkelijk treurig gekeken wordt. Verder is alles zoals in het circus: tenten en kabels, massa en hysterie, o- en a-geroep, spanning, tromgeroffel. Je verdrietige wandelingetje wordt verstoord door een spring-in-’t-veld met een camera. Je moedeloos zappen langs tv-kanalen opgeschrikt door het nieuws dat je juist probeert te vermijden. Je handreiking naar je moeder of schoonzus uitgelegd als een teken van weet jij veel wat. Je zou willen schreeuwen. Het liefst een stok pakken en slaan. Maar het mag niet, kan niet, het betekent dat de zaak alleen maar erger wordt, dat er meer circus komt rond het zwart dat als een wolk over je hoofd, je lichaam en omgeving hangt. En dus doe je zo goed mogelijk je best het circus te vermijden en je te concentreren op verdriet, hoop, vrees en naasten.
Dit alles lijkt me zo evident dat elk fatsoenlijk mens, hiermee geconfronteerd, weet dat hij maar één ding kan doen: inbinden. In tijden vóór Greet Hofmans, zeg maar tot halverwege de jaren vijftig van de twintigste eeuw, gebeurde dat ook. Sindsdien zijn de zaken, zeker waar het het koningshuis betreft, veranderd. ‘De tijden zijn voorbij, dat rustig werd afgewacht of, en zo ja, welk communiqué van de zijde van het Hof over bepaalde gelegenheden werd gepubliceerd’, staat in een verslag van een Bijzondere Commissie die zich zomer 1965, een half jaar voor het huwelijk tussen Beatrix en Claus dus, over de verhouding tussen koningshuis en media boog. 'Mutatis mutandis geldt dit eveneens voor de gedragingen van de leden van het Koninklijk Huis.’
Weliswaar duurde het nog enige decennia tot dit laatste ook daadwerkelijk het geval was - de opkomst van de roddelpers vanaf het midden van de jaren zeventig droeg daar in verregaande mate aan bij - maar vanaf het eind van de vorige eeuw, met het gedoe rond Emily, Máxima, Mabel en Margarita, is de situatie definitief veranderd. Die verandering is dermate dat nogal wat journalisten, ook van kwaliteitsmedia, menen dat het lidmaatschap van een koninklijke familie of positie als BN'er automatisch een rol in het mediacircus met zich meebrengt. Het is een beetje zoals Henk van der Meyden ooit over Sonja Barend zei: als ze geen zin had in het gedoe moest ze maar een baantje als administratrice nemen.
Ik schaam me. Laat ik er geen doekjes om winden. Ik schaam me voor het feit dat ook ik, terwijl ik uit de grond van mijn hart meen wat ik schrijf, berichten googelde, speculaties las, foto’s bekeek, erover sprak. Waarom in vredesnaam? De verklaring is even banaal als gênant: omdat iedereen het deed. De wereld een apenkooi. Zo bezien deden de media braaf hun plicht. Het publiek vraagt. Het antwoord op de vraag roept meer vragen op, de antwoorden daar weer op nog meer en voor je het weet is het circus daar. Rommelende communicatie van artsen, RVD en overheden voegt slechts nog wat extra danspasjes toe. Ondertussen ontrolt zich een familiedrama zoals dat zich elke dag wel ergens ontrolt en waarvan, buiten de betrokkenen, iedereen ver hoort te blijven. Wie anders denkt, moet zich schamen.