Ger Groot

Schaamte

Jarenlang was Tweede Exloërmond voor mij de woonplaats van de meest bevlogen ingezonden-briefschrijver van Trouw. Met onvermoeibare protestantse orthodoxie wees hij de theologische bedenkelijkheden aan die de kolommen waren binnengeslopen. Het waren berichten uit een andere wereld, onderstreept door de wonderlijke toponym. Was er – zo vroeg ik me onwillekeurig af – ook een Eerste Exloërmond? En wat was de Exlo? Een riviertje?

Sinds een paar weken is het plaatsje synoniem geworden voor een misdaad die in mij blijft rondspoken. Je hoeft geen (bijna) even oude dochter te hebben om overstuur te raken van de verkrachting van en de moord op de twaalfjarige Suzanne. Dat was ik anders ook geweest, net als heel Nederland, zo lijkt het. Maar daarbij blijft het niet. Er is nog iets wat mij tot mijn verbijstering aan deze moord verbindt, en dat is schaamte.

Voor de goede orde: tussen mij en de Drentse gruwel bestaat geen enkele relatie. Ik ben zelfs nooit maar in de buurt geweest, ken de betrokkenen niet en heb nooit iets gedaan wat zelfs met de grootste fantasie aan de gebeurtenissen gerelateerd zou kunnen worden. Ik ben wat dat betreft volkomen onberispelijk. En toch blijft deze misdaad aan mij kleven en laat de schuld ervan niet los.

Dat is niet de schuld die wij volgens een oude theologische traditie met elkander delen. Zondig geboren zijn wij allemaal, maar de fataliteit daarvan is in zekere zin nog te onschuldig, want te algemeen en dus nietszeggend. Aan ‘de mens’ blijft niets haken, vooral niet sinds hij in de moderne tijd een abstract individu geworden is. Eigenschaploos, heeft hij niets waarop de schaamte vat kan krijgen en dus leent hij zich gemakkelijk voor een even redelijk als blijmoedig humanisme.

En redelijk is mijn schaamte net zo min als ze abstract is. Wat ik met de dader deel is wat ik ben, des te schriller onderstreept door de aard van de misdaad. Meer dan wat ook is hier mijn geslacht in het geding. Niets valt het te verwijten, noch juridisch noch moreel. En de individualiteit van schuld is (naast de plicht tot het bewijzen daarvan) wellicht de grootste ethische triomf van het moderne denken. Ik weet dat, ieder weet dat – en niemand heeft het recht mij aan te klagen wegens een collectieve misdadigheid. Maar anders dan de regels van het openbare leven en de omgang willen, zijn wij in het diepst nooit helemaal modern geworden. Al pleit mijn weldenkendheid mij als een ware Brugman vrij, mijn wezen weet zich hoe dan ook besmet en daarop aangezien. Op dat besef ketst iedere argumentatie af. Want ja: ik weet dat de Drentse dader wel de psychopaat moet zijn waarvoor hij op grond van de feiten werd bestempeld. (Maar is dat wel waar?) En ook weet ik dat mij niets mag worden nagedragen op grond van overeenkomsten die zelf neutraal zijn – ook al gebeurt dat soms op grond van ideologische of politieke baatzucht.

Maar al die rechtvaardigheidsgedachten zijn in mijn interne confrontatie tussen ik en ik onmachtig. Niet het morele of juridische subject in mij staat hier terecht. Aangeklaagd weet ik mij als man. Door wie of wat? Door een half uitgesproken publieke stem, ongetwijfeld – al heeft die hier geen recht van spreken en zou hij beter moeten weten. Met recht spreekt hier alleen mijn eigen stem, die vrijspraak pleit maar heimelijk zijn schuld bekent. Schuld om het wezen dat ik incarneer. Schuld omdat ik besta.

Over dat alles is niet redelijk te spreken en geen ander dan ikzelf mag ooit op deze gronden mijn gerechtigheid betwijfelen. Een onbetwistbare luciditeit heeft ooit een eind gemaakt aan schuld per associatie, of per overdracht of enkel maar uit collectiviteit. Ze heeft gelijk – maar in het geheim heeft ze ons daarvan nooit geheel weten te overtuigen. Volkeren ‘zijn’ schuldig, groepen ‘zijn’ het, klassen en geslachten. Die oude overtuiging leeft onverminderd in ons voort, en al zou ze nooit in de openbaarheid als aanklacht mogen worden uitgesproken, soms doet ze dat toch onverhoeds – met goede of kwade bedoelingen.

Dus valt er niets te zeggen over mijn schuld en schaamte. Geen conclusie sluit dit stukje af, het minst van alles wel een christelijke oproep tot begrip omdat wij allen zondig zouden zijn. Voor de dader wil ik evenmin begrip als ik mijn eigen schaamte daaromtrent begrijp – en weet dat die niet op te lossen valt. Onschuldig weet ik mij, maar ik kan mij niet onttrekken aan Tweede Exloërmond.