Bescherming tegen schande

Schaamteloos in Irak

Goed nieuws uit Bagdad: het Program Management Office, dat toezicht houdt op de 18,4 miljard aan Amerikaanse fondsen voor de wederopbouw, heeft zichzelf eindelijk een doel gesteld dat haalbaar is. Natuurlijk, de stroomvoorziening is tot onder vooroorlogse niveaus gedaald, de straten zijn rivieren van afvalwater en er zijn meer Irakezen ontslagen dan er werk hebben gekregen. Maar nu heeft het PMO een contract gesloten met de Britse huurlingenfirma Aegis om zijn werknemers te beschermen tegen «moordaanslagen, ontvoering, verwonding en» — echt waar — «schande». Ik weet niet of Aegis PMO-werknemers zal beschermen tegen gewelddadige aanslagen, maar schande? Ik zou zeggen: missie al volbracht. De mensen die verantwoordelijk zijn voor de wederopbouw van Irak kunnen niet worden beschaamd, omdat ze geen schaamte kennen.

In de aanloop naar het «onderhandse» van 30 juni (ik kan het maar niet «overdracht» noemen) zijn de Amerikaanse bezettingsmachten schaamteloos geweest in hun pogingen geld te stelen waarmee een bevolking zou moeten worden geholpen die door de oorlog is geschonden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft 184 miljoen dollar bestemd voor drinkwaterprojecten overgeheveld naar het budget voor de nieuwe Amerikaanse ambassade in Saddams voormalige paleis.

Als proconsul Paul Bremer en zijn staf in staat waren zich te schamen, zouden ze misschien enigszins beschaamd zijn over het feit dat ze slechts 3,2 miljard van de 18,4 miljard die het Congres had toegekend, hebben uitgegeven — de reden dat de wederopbouw zo rampzalig achter ligt op schema. Eerst zei Bremer dat het geld zou worden uitgegeven tegen de tijd dat Irak soeverein was, maar klaarblijkelijk had iemand een beter idee: smeer het uit over vijf jaar zodat ambassadeur John Negroponte het kan gebruiken als pressiemiddel. Nu er vijftien miljard uitstaat, zullen de Iraakse politici Amerikaanse wensen van militaire bases en economische «hervormingen» willen weigeren?

De schaamtelozen, niet van zins afstand te doen van hun eigen geld, kenden geen scrupules toen ze in fondsen doken die toebehoren aan Irakezen. Nadat ze het gevecht hadden verloren om de controle te behouden over het oliegeld van Irak na het onderhandse, grepen bezettingsautoriteiten 2,5 miljard van die opbrengsten en besteden dat geld nu aan projecten die vermoedelijk al worden gedekt door Amerikaanse belastingdollars.

Maar als financiële schandalen je deden blozen, zou de hele wederopbouw van Irak behoorlijk beschamend zijn. Vanaf het begin hebben de architecten ervan het idee verworpen dat het een New Deal-achtig openbare-werken-project voor Irakezen zou zijn om hun land opnieuw op te eisen. In plaats daarvan werd het gezien als een ideologisch experiment in privatisering. De droom was dat multinationale bedrijven, vooral uit Amerika, binnen zouden stormen en de Irakezen verbijsteren met hun snelheid en efficiency.

De Irakezen zagen iets anders: banen die naar Amerikanen, Europeanen en Zuid-Aziaten gingen; wegen vol vrachtwagens die voorraden aanvoerden die waren geproduceerd in buitenlandse fabrieken, terwijl Iraakse fabrieken niet eens noodgenerators kregen. Als gevolg daarvan werd de wederopbouw niet beschouwd als een herstel van de oorlog maar als een uitbreiding van de bezetting, een buitenlandse invasie van een ander soort. En zo, terwijl het verzet groeide, werd de wederopbouw zelf een primair doelwit.

De aannemers hebben gereageerd door zich nog meer te gaan gedragen als een bezettingsleger: ze bouwden uitgebreide forten in de Groene Zone en omringden zichzelf met huurlingen. En gehaat worden is duur. Volgens de laatste schattingen slokken veiligheidskosten 25 procent van wederopbouwcontracten op — geld dat dus niet wordt besteed aan ziekenhuizen, waterzuiveringsinstallaties of telefooncentrales.

Meer dan voorbeelden van snelheid en efficiency lijken de aannemers overvragende, onderpresterende, treuzelende, slordige beesten, die zich nauwelijks kunnen verroeren uit angst voor de haat die ze hebben helpen kweken. Het probleem gaat veel verder dan de meest recente rapporten van Halliburton-chauffeurs die vrachtwagens van 85.000 dollar op de weg achterlaten omdat ze geen reservebanden bij zich hebben.

Particuliere aannemers worden er ook van beschuldigd dat ze leidende rollen spelen in het martelen van gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis. In een historische rechtszaak aangespannen door het Center for Constitutional Rights wordt de beschuldiging uitgesproken dat Titan Corporation en CACI International samenspanden om «personen te vernederen, folteren en mishandelen» met het doel de vraag naar hun «ondervragingsdiensten» te vergroten.

En dan heb je nog Aegis, het bedrijf dat 293 miljoen dollar betaald krijgt om het PMO te behoeden voor schande. Het blijkt dat CEO Tim Spicer van Aegis zelf een nogal beschamend verleden heeft. In de jaren negentig hielp hij mee rebellen te bestrijden en een militaire coup op te zetten in Papoea-Nieuw-Guinea en smeedde een plan om een wapenembargo te breken in Sierra Leone.

Als de bezetters van Irak in staat waren schande te voelen, zouden ze hebben kunnen reageren door strenge nieuwe voorschriften op te leggen. Maar in plaats daarvan verijdelden Republikeinen uit de Senaat slechts een poging om particuliere aannemers te verbieden gevangenen te ondervragen en stemden eveneens een voorstel weg om hardere straffen op te leggen aan aannemers die te hoge prijzen rekenen. Ondertussen probeert het Witte Huis ook vrijwaring van vervolging te verkrijgen voor Amerikaanse aannemers in Irak en heeft om die vrijstelling verzocht bij de nieuwe minister-president, Iyad Allawi.

Het lijkt waarschijnlijk dat Allawi daarmee zal instemmen, want per slot van rekening is hij zelf ook een soort Amerikaanse aannemer: hij, een voormalige CIA-spion, dreigt al de staat van beleg af te kondigen, terwijl zijn minister van Defensie over verzetsstrijders zegt: «We zullen hun handen afhakken, en we zullen ze onthoofden.» In een ultiem staaltje outsourcen is het bestuur van Irak uitbesteed aan zelfs nog wredere plaatsvervangers. Is dit beschamend, na een invasie die een dictatuur omver wilde werpen? Integendeel — dit is wat de bezetters «soevereiniteit» noemen. De Aegis-jongens hoeven zich niet druk te maken: schande gaat geen kwestie worden.

© The Nation