Schaamteloze poging tot helderheid

JURRE VAN DEN BERG
BINNENVAART
Passage, 48 blz., € 14,50

Landmeters

De nacht vertrok en landmeters kwamen
om na te gaan of alles inderdaad zo was
als het leek: de loop van het kanaal

de heling van het pad en de passen
van het wiel langs de heg tot de weg
in door komma’s verdeelde getallen

hoe de kavels het water van dieren
de dieren van mensen en de mensen
van mensen scheidden

hoe de punten zich tot elkaar
en de gebogen aarde verhielden.
Sinds het jaar 2000 is er in de Nederlandse poëzie een Brits bestel geïmplanteerd. Er is een landelijke gedichtendag, we hebben een dichter des vaderlands en een Poëzieclub, die het tijdschrift Awater uitgeeft. Toch zijn we nog niet helemaal een soort Engeland geworden, waar poëzie dichter aanschurkt tegen de liedkunst, de popmuziek, tegen de narratief geritmeerde vertelling en via de lessen public speaking ook een wezenlijker onderdeel is van het onderwijs. Dichtbundels zijn niet beter gaan verkopen sinds deze omwenteling, alleen de notie van het gedicht en dat zoiets ook voorgedragen kan worden, lijkt minder wereldvreemd en stoffig. Bovendien zijn er opmerkelijk veel meer debuten dan voorheen.
En die verschijnen niet allemaal bij de reguliere uitgeverijen. Onder redactie van Gerrit Komrij is er de Sandwichreeks, waarin ons dan weer een debuut, dan weer een vergeten dichter wordt voorgeschoteld. De Windroosreeks van uitgeverij Holland, die al sinds 1950 bestaat, is nieuw leven ingeblazen en doet maar liefst tweemaal per jaar een worp van vier bundels. De Contrabas, bekend als een soms wat brommerig maar tegelijk vliegensvlug weblog, bestaat ook als uitgeverij en publiceert bundels van oudgedienden als Willem M. Roggeman en debutanten waaronder een performer als ACG Vianen. En er is een nieuwe reeks, de Hendrik de Vries-reeks, in het leven geroepen door de stad Groningen, en uitgebracht door uitgeverij Passage.
In Groningen, daar leeft het, dat weet iedere Britse toerist en iedere beginnende dichter. Je kunt er geen dichtersavond bezoeken of je struikelt over tientallen druk roezemoezende debutanten in spe. Ook Diana Ozon en Simon Vinkenoog, beiden toch op emblematische wijze met Amsterdam verbonden, publiceren tegenwoordig in Groningen bij diezelfde uitgeverij Passage. Dit voorjaar verscheen er de sympathieke en mooi uitgegeven bundel Kanaalkoorts van Kasper Peeters, afgelopen najaar de tweede bundel Dat was dat van de talentvolle Anneke Claus, de huidige stadsdichter van Groningen. De kwaliteit van de poëzie die bij Passage verschijnt is overwegend ruw. Anneke Claus maakt fraaie regels, maar werkt haar gedichten nog wat vaak uit naar een pointe. Dat is minder het geval met Binnenvaart van Jurre van den Berg, die ingehouden en voorzichtige poëzie schrijft, en zo een vreemde eend lijkt in de bijt van dat expressieve Groningen.
Binnenvaart verscheen in de reeks die vernoemd is naar de Groningse bard Hendrik de Vries. De bundel opent onhandig, zoals iemand die op reis gaat in de gauwigheid wat bijeenraapt. ‘Er is een lijst gemaakt met plaatsen/ en tijden van aankomst’ is geen lekkere opening van een bundel. ‘onze vingers vlijen/ aan het voeteneinde/ van hoogtelijnen’, klinkt wel mooi, maar is als ik het goed heb niet meer dan een aanduiding van de rand van een landkaart. Hier en daar klinkt deze poëzie wat ouwelijk, waar juist jonge dichters last van lijken te hebben, zoals in de wending ‘zoekt een fles zijn strand’. Maar tegelijk steekt er veel belofte in de bundel, als ‘de binnenvaart/ op lager peil de reis hervat’. Er wordt een schaamteloze poging ondernomen met heldere beelden en in duidelijke taal iets te onderzoeken. ‘Iemand nam zich voor van iemand anders/ te gaan houden’ is iets anders dan: ‘Iemand nam zich voor van iemand/ anders te gaan houden’. Zoiets lijkt voor de hand te liggen, maar de nuance in die eenvoud is te waarderen. Hinderlijk is het als in de gedichten het subject wegvalt en een ‘ze’ van alles kan betekenen: handen, morgens, flessen. Vaak zijn de openingregels wat gedragen: ‘Er zijn havens (…)’ Er klinkt iets sleets in de gedichten door, dat Van der Berg hier en daar weet uit te buiten: ‘wachten/ is vaker een soort stilstaan/ met te goede bedoelingen’. En al zijn sommige gedichten grammaticaal geconstrueerd, er zit een lichte spanning in die werkt. ‘wat je niet vast kunt houden/ kun je niet wegen’, stelt Van den Berg.
Het is even schrikken als blijkt dat de tweede en langste reeks van de bundel aan het boek Job is opgehangen: ‘Joden kenden geen frustraties/ omdat het woord niet bestond.’ Wel toont de samenhangende reeks aan dat de dichter consistent kan werken. ‘herhaling bestaat niet/ omdat ook wat terugkomt/ er nog niet was’, besluit het gedicht Meelezer. En bij Job 1:19 komt hij tot twee fraaie strofes:

Toch heb ik lang gedacht dat alles
ons iets te zeggen had: de tekens
zoals dat van de man met een radio
in zijn plastic tas met stoepkrijt

op de hoek van de straat, hoe het
meisje twijfelde bij de brievenbus
hoe de duiven opstoven en de dode
ter hoogte van de put.

Debutantenreeksen lijken het aloude eigen-beheercircuit te vervangen. Tegelijk kunnen ze dienen als opstapje of springplank. Ik krijg het vermoeden dat Jurre van den Berg tot meer in staat is. ‘Ik kan niet wennen aan de maan/ die in zijn hangmat uitbuikt’, schrijft hij en al blijven losse gedichten in een serie iets te veel fragmenten, ze zijn sfeervol en bewust van hun compositie. Er is het gevaar dat de dichter de dingen iets te bedoeld poëtisch wil zeggen: ‘kaarters bluffen glazen leeg’. En er klinkt een behoefte aan definiëringen. In Dit weten staat er ‘dat alles valt/ behalve warmte’.
De gedichten van Jurre van den Berg zijn enigszins schatplichtig aan die van Thomas Möhlmann, ze hebben een vergelijkbare poëtische toon. Maar Möhlmanns zoetheid heeft een bittere nasmaak, en dat maakt het werk spannend. Bij Van den Berg is dat nog ongewis. ‘Je kunt opnieuw leren lachen/ door te lachen om het lachen/ van anderen’, dicht hij melancholisch. En het gedicht Residu eindigt zo: ‘Steeds beter// weet je de lijmresten/ onder je nagels/ te verwijderen.’ De bundel Binnenvaart is een belofte. We ‘herkennen dieren aan hun sporen’, dicht Jurre van den Berg in het slotgedicht. In Binnenvaart oefent hij aangenaam op een eigen toon.