Italiaanse golf De nieuwe literatuur

Schaamteloze zwelgzucht

Nederland is in de ban van de Italiaanse literatuur. Wat trekt ons aan in schrijvers als Sandro Veronesi, Niccolò Ammaniti en Paolo Giordano? Zeker is dat we wel pap lusten van Italië, met zijn lieflijkheid en viezigheid, zijn hartstocht en corruptie.

Sandro Veronesi, Kalme chaos. € 12,50
Sandro Veronesi, Caos calmo. € 17,25
Niccolò Ammaniti, Laat het feest beginnen. Vertaald door Etta Maris, € 19,90
Paolo Giordano, De eenzaamheid van priemgetallen. € 18,90
Paolo Giordano, La solitudine dei numeri primi. € 22,85
Margaret Mazzantini, Ter wereld gekomen. Vertaald door Miriam Bunink en Mara Schepers, € 22,50 (zie ook onze recensie)
Alessandro Baricco, Emmaüs. € 16,90
Nicola Lagioia, Breng alles terug naar huis. € 18,90

WE HEBBEN DE ITALIANEN ONTDEKT. Of zij ons, het is maar hoe je het bekijkt. Met drommen komen ze ons land in, ze worden vertaald, ze liggen hoog opgestapeld in de boekhandel en ze worden vooral: gelezen. Brééd gelezen. Drie van de vier meisjes in de trein zitten met Paolo Giordano op schoot, De eenzaamheid van de priemgetallen. Sinds verschijnen, 2008, onmiddellijk een bestseller, ook in Italië, en nog geen twee jaar later zijn er in Nederland zo'n 250.000 van verkocht. De dit jaar verschenen roman van Niccolò Ammaniti, Laat het feest beginnen, werd niet erg enthousiast onthaald, net even te burlesk, maar zijn vijf vorige romans gaan hier inmiddels cassettegewijs de toonbank over. Vooral Ik haal je op, ik neem je mee is na een langzame start, in 2004, niet meer uit de bestsellerlijsten weg te denken. Kalme chaos van Sandro Veronesi dateert ook al weer van 2006, maar is aan zijn 21ste druk toe. Iets minder luidruchtig aanwezig, maar niet minder stevig doorverkopend, is de hartstochtelijke overspelroman Ga niet weg van Margaret Mazzantini, uit 2001, net als de genoemde romans hierboven verfilmd, met Penelope Cruz in de hoofdrol. De vertaling van haar nieuwe roman, Ter wereld gekomen, ligt net in de schappen.
Misschien iets minder voor het grote publiek, maar wel alom gelauwerd en vertaald, zijn de boeken van Alessandro Baricco. In 1997 brak hij door met Zijde, ook al verfilmd, met Keira Knightley in de hoofdrol. Met De barbaren, een bundeling korte en speelse essays over onze zogenaamde nakende ondergang die dit jaar in vertaling verscheen, trok hij veel aandacht als cultuurrelativist, en dit najaar komt zijn langverwachte nieuwe roman uit, Emmaus.
Een heel ander succesverhaal is dat van de Napolitaanse journalist Roberto Saviano, die zoveel opzien baarde met zijn onthullingen over de maffia in Gomorra (2006), een schoolvoorbeeld van geslaagde literaire non-fictie, dat hij inmiddels ondergedoken zit. In het kielzog van de hernieuwde aandacht voor de Italiaanse georganiseerde misdaad kwamen de rauwe misdaadverhalen van Andrej Longo dit jaar in vertaling uit, Tien; moralistische parabels met een harde Godfather-ondertoon.
En dan zijn er nog de ‘echt’ jonge Italianen die hier door het succes van de nu 27-jarige Giordano in een gespreid bedje terechtkomen. Nu al niet meer kapot kan de 25-jarige Silvia Avallone, filosofe en dichteres, woonachtig in Bologna. Staal is haar eerste roman, die in Italië in januari verscheen, onmiddellijk een bestseller was, werd genomineerd voor de Premio Strega en in november in Nederland zal uitkomen. 'En ze is nog mooi ook’, zoals een redacteur van haar Nederlandse uitgeverij verzuchtte. Vlak vóór haar komt Alles terug naar huis van dertiger Nicola Lagioia uit, zijn derde roman, en de eerste die in het Nederlands verschijnt.
De invasie van de Italianen roept twee vragen op, of eigenlijk vier. Allereerst: zijn de Italiaanse schrijvers vooral in Nederland zo populair, of is het een breder fenomeen? Dan: is er sprake van een nieuwe literaire generatie in Italië die flink aan de weg timmert? Hieruit voortvloeiend: wat is het specifiek Italiaanse van deze literatuur? En waarom vinden wij die zo aantrekkelijk?
De drie grote wegbereiders van de Italiaanse revival in Nederland zijn Veronesi, Ammaniti en Giordano. In het tv-boekenprogramma Zeeman met boeken werd destijds de eerste roman die van Veronesi in Nederlandse vertaling verscheen, In de ban van mijn vader (2001), met opvallend veel bewondering en enthousiasme besproken. Opeens was er een goed boek waar ook nog om gelachen kon worden. Nu is In de ban van mijn vader ook een onweerstaanbare roman, zwart en geestig, over een man die er plotsklaps achterkomt dat zijn vader niet de man was die hij voorgaf te zijn. Het betekent een keerpunt in zijn leven, alles komt op de helling te staan. Een wervelend vertelde roman, die je bijna doet vergeten dat hij om wezenlijke zaken als identiteit en vervreemding handelt. Iets dergelijks geldt voor Kalme chaos, de roman waarmee Veronesi in Italië de Premio Strega won, en dat bij ons nog steeds via mond-tot-mond-reclame - altijd het beste signaal dat een boek een lang leven beschoren is - bij nieuwe lezers belandt. Een roman die zich vermomt als een ironische zedenschets, maar au fond over de rouw van een jonge man gaat die plotseling zijn vrouw heeft verloren. Hij weet niets anders te doen dan zich te posteren in zijn auto voor de school van zijn dochter, en de hele dag op haar te wachten. In de dagen, weken die volgen ontpopt hij zich tot een biechtvader voor collega’s, vrienden en voorbijgangers, die hem komen opzoeken in zijn auto. Een tamelijk gezocht gegeven dat wonderbaarlijk onthullend uitpakt.
De absurditeit, bij Veronesi constant voelbaar net onder het oppervlak, voert in het werk van Ammaniti de boventoon. Wat niet wil zeggen dat niet ook zijn romans duidelijk realistisch zijn getoonzet, maar bij Ammaniti speelt het toeval een bijna surrealistische rol. Ik haal je op, ik neem je mee is een sprankelende roman over vriendschap en liefde, tussen twee dertienjarigen en tussen een playboy en een maagd. Veel kommer en narigheid, maar ook hilariteit. Met kennelijk plezier worden ezels gekatapulteerd en huizen in de fik gezet. Ammaniti kan onbedaarlijk grappige scènes schrijven, maar ook zwaar treurige, en sadistische. Komedie of tragedie, ruim vierhonderd bladzijden lang is het de vraag, tot aan het eind de lezer een enorme oplawaai uitgedeeld krijgt. In emotionele zin dan.
Tragedie pur sang levert Giordano met zijn eerste en tot nu toe enige boek, De eenzaamheid van de priemgetallen. Twee verwante zielen, de zelfdestructieve en anorectische Alice en de hoogbegaafde en automutilerende Mattia, cirkelen twintig jaar lang om elkaar heen, in een ongrijpbaar soort vriendschap. De gruwelen van de adolescentie beschrijft Giordano meesterlijk en beklemmend. Het melodrama ligt permanent op de loer, maar de wiskundige geest van Mattia houdt de schrijver, zelf van huis uit natuurkundige, op een strak spoor.

VAN DEZE DRIE schrijvers is Veronesi de meest alom gewaardeerde. Voor Kalme chaos ontving hij twee jaar geleden ook nog de Prix Cevennes, de literaire prijs voor de beste Europese roman. Ook kreeg hij de Prix Femina Étranger, de Franse prijs voor de beste roman in vertaling. Een prijs die hij overigens opdroeg aan Roberto Saviano, die naar zijn mening in Gomorra 'het zieke hart van onze samenleving’ raakte. 'Wij hebben geluk, wij ontvangen prijzen, hij moet zich verstoppen.’
Ammaniti en Giordano worden in veertig landen uitgegeven, maar zijn, afgezien van in hun eigen land, en misschien in Duitsland, nergens zo populair als hier. Het succes van Ammaniti in Nederland heeft deels te maken met de populariteit van zijn pleitbezorgers: Kluun, Saskia Noort en Herman Koch. Na een gemiddelde verkoop werden zijn romans op de markt gebracht in een nieuw jasje, met opvallende blurbs op de cover, en ook werd de tamtam flink geroerd door zijn uitgever.
Giordano had 'gewoon’ een droomstart. Zachte, mooie jongen van 25, nerd in de dop, schrijft in negen maanden tijd, geïnspireerd door anorectische vriendin, een gevoelvolle roman over de mysterieuze meisjesziekte. En wint de belangrijkste literaire prijs in Italië, de Premio Strega, als jongste schrijver ooit, dat hielp ook. Toen in het eerste jaar in Italië achthonderdduizend exemplaren van het boek werden verkocht, stonden buitenlandse uitgevers in de rij. Maar weer, zo liet de scout van zijn Nederlandse uitgever weten: nergens anders was en is zijn roman zo'n succes als in Nederland.
Giordano is een van de beste schrijvers onder de veertig, volgens een recente enquête onder Italiaanse critici die het cultureel supplement van weekblad Sole 24 ore uitschreef. Ammaniti en Veronesi zijn die leeftijdscategorie alweer ontstegen. Wel werd Ammaniti ooit geschaard onder de 'giovani cannibali’, de 'jonge kannibalen’, de groep schrijvers die in de jaren zestig en zeventig zijn geboren, en, in Ammaniti’s bewoordingen, romans willen schrijven die kunnen concurreren met muziek, beelden en videospelletjes. Het zou een geuzennaam kunnen zijn, maar ook een scheldnaam. De Italiaanse literaire kritiek klaagt wat af over oppervlakkige modeschrijvers die zich te veel door Amerika laten beïnvloeden. Veronesi valt buiten deze categorie, te zeer een klassieke schrijver, of zo men wil een intellectueel. Begin jaren negentig waren films als Pulp Fiction en romans als American Psycho voor de jonge kannibalen een inspiratiebron. Niet bang voor commercie, en ervan uitgaand dat kwaliteit populariteit niet uit hoeft te sluiten. Ammaniti’s helden zijn Tom Wolfe en Robert Louis Stevenson, maar vooral Charles Dickens in de manier waarop hij zijn personages neerzet in ongelooflijke situaties die balanceren op de rand van het groteske.
Alessandro Baricco richtte zestien jaar geleden in Turijn samen met vrienden de schrijversschool Scuola Holden op, vernoemd naar Salingers held Holden Caulfield. Ze koesteren geen Italiaanse schrijvers als voorbeeld, maar Italië is wel hun vanzelfsprekende achterland. De couleur locale spat in de romans van Ammaniti als bolognesesaus tegen het plafond. In Zo god het wil (2007), de roman waarmee Ammaniti de Premio Strega won, wordt in bijzinnen de teloorgang van de Italiaanse arbeidersklasse vastgelegd, en getreurd om de lieflijke dorpjes die het afleggen tegen bedrijventerreinen en megastores. Anders dan Veronesi maakt Ammaniti daar buiten zijn romans echter niet zo veel woorden aan vuil: 'Italië is een mooi land, maar voor wie er leeft is het moeilijk.’

VERONESI ZET ZICHZELF veel nadrukkelijker neer als een Italiaanse schrijver. Niet dat hij zichzelf in een Italiaanse traditie plaatst. Hij ziet zijn werk in een lijn met dat van Samuel Beckett, Jonathan Swift, James Joyce en Thomas Pynchon. Schrijvers die volgens hem vanuit het tragische komisch zijn. De Italiaansheid van zijn werk uit zich in de manier waarop hij naar eigen zeggen de gespletenheid en de leugenachtigheid van zijn land thematiseert. Italië is in zijn ogen na de Tweede Wereldoorlog in twee delen uiteengevallen, een zichtbaar en een onzichtbaar deel. Een deel waarover men spreekt en schrijft en een deel dat wordt doodgezwegen en dat alleen naar buiten komt als er aanslagen worden gepleegd, of als er schandalen uitlekken.
Veronesi’s personages leiden een normaal leven voor de buitenwacht, tot er zich een catastrofe voordoet en het tot dan toe onzichtbare deel van hun leven naar de oppervlakte komt. Natuurlijk is de leugenachtigheid, en het gevoel dat het leven dat mensen leiden onwaarachtig is, van alle tijden en alle landen. Maar in Italië is die leugenachtigheid volgens Veronesi doorgedrongen tot de nationale psyche. Wat weer tot gevolg heeft dat zelfs op een individueel niveau liegen normaal is. Hoe dichter je in de buurt van andere mensen komt, hoe groter de verleiding wordt om te liegen. Berlusconi beschouwt hij als het symbool van die gespletenheid. Berlusconi is geen cynicus, gelooft heilig in zijn eigen verhalen over vrijheid en vernieuwing, en maakt tegelijkertijd met al zijn gesjoemel en smoezeligheid deel uit van dat andere, onzichtbare Italië.
Veronesi beschouwt het als zijn schrijversplicht om de dingen bij de naam te noemen, en heeft het altijd als een gemis beschouwd dat er in Italië geen sterke traditie van de sociale roman bestaat. De negentiende eeuw in Italië was de eeuw van de opera. Toen hij in de jaren tachtig begon met schrijven, kon hij zich naar zijn idee nergens bij aansluiten, omdat de generatie ervoor zich halverwege de jaren zestig van de roman had afgekeerd. In plaats van de behoefte zich af te zetten, had hij medelijden met schrijvers als Giorgio Bassani en Alberto Moravia. Fictie schrijven of zelfs maar lezen was volgens hen nutteloos geworden. Met de erfenis van de Tweede Wereldoorlog moest een heel nieuwe verhouding tot de literatuur worden uitgevonden. Geen enkele Italiaan werd nog in het buitenland gelezen, met uitzondering van Italo Calvino en Umberto Eco.

DAT EEN NIEUWE generatie vitale schrijvers zich heeft aangediend, wordt langzaam ook in Italië onderkend. Niet dat er net als in Nederland ook niet geklaagd wordt over de nivellerende invloed van de bestsellercultuur. En dat niet één Italiaanse generatie zo Amerikaans is als deze. Ook wordt gemord over de 'geringe klankvolheid van het proza’. Waar voorheen een al te excessieve lyriek nogal eens het probleem was, wordt volgens critici nu doorgeslagen naar de andere kant. Soberheid troef. En ook de Italiaanse markt raakt bedolven onder 'het narcistische proza van de Facebook-generatie’. Tegelijkertijd wordt gesignaleerd dat een nieuwe lichting van veelbelovende schrijvers steeds herkenbaarder is. Schrijvers die geen simpele entertainers willen zijn. Zoals bijvoorbeeld de in het begin genoemde Nicola Lagioia, van wie straks de autobiografische roman Alles terug naar huis in Nederland verschijnt, en die ook tot de beste schrijvers onder de veertig wordt gerekend. Desgevraagd licht Lagioia, die behalve schrijver ook criticus is, per mail toe dat volgens hem de hernieuwde Italiaanse literaire vitaliteit alles te maken heeft met het feit dat Italië de afgelopen jaren een land is geworden dat op drift is geraakt. Een land waar tegelijkertijd mensen leven als Berlusconi, Toto'riina, Wanna Marchi, Joseph Ratzinger en Fabrizio Corona levert in zijn ogen dagelijks theater op dat kan wedijveren met het beste drama uit de tijd van Elizabeth. De catastrofe waarop Italië afstevent - 'dat wat mij iedere dag doet lijden als man en als burger’ - is zijn goudmijn. Wat hij en zijn collega’s gemeen hebben vindt hij niet te vangen in termen van een school, stroming of stijl. Wat zij gemeen hebben is de uitzonderlijkheid van de context: het Italië van vandaag.
Een Italië waar Nederland wel pap van lust, met zijn lieflijkheid en viezigheid, zijn corruptie en zijn hartstocht. Giordano is nog steeds stomverbaasd over zijn succes en vraagt zich angstig af hoe hij dit ooit nog moet overtreffen. Door gewoon maar te denken alsof het niet gebeurd is, zegt hij, geheel in de lijn van de Italiaanse verdringingstraditie. Hij denkt dat het het oningeloste verlangen van zijn personages is dat lezers zo aanspreekt. 'Ieder van ons heeft een donkere kern die niet aan anderen uit te leggen valt’, zei hij in een interview. 'We kunnen over alles vertellen wat er omheen zit, maar over het hart van ons wezen, over precies datgene wat ieder van ons zo uniek, zo speciaal tot jou maakt, kan niemand praten. Dat is tragisch.’
Ammaniti gaf een ontwapenend simpele verklaring voor de ontvangst die hem ten deel valt in Nederland, die bij nader inzien misschien zo gek niet is: 'De personages in mijn boeken zijn zowel tragisch als komisch. Ze zijn zowel om te lachen als om te huilen. Dat weten de Nederlanders te waarderen.’
In de manier waarop Giordano zonder terughoudendheid de tragiek van zijn personages opvoert, onderstreept hij onbewust Ammaniti’s stelling. Dit is waar de Italianen goed in zijn: de enorme uitvergroting van emoties. De bijna schaamteloze zwelgzucht in groots lijden of groots genieten, en dan ook nog eens de vaak barokke bewoordingen waarin al die gevoelens gevat worden.
Voor Nederlandse begrippen is het opvallend dat literaire erkenning en publiekssucces bij deze Italianen hand in hand gaan. Nederlandse literaire romans die niet terugdeinzen voor grote kwesties en heftige gevoelens, zijn zeldzaam. Wat we in de Italianen toestaan, en zelfs bewonderen, vinden we bij schrijvers als Kluun, Arthur Japin en ook Jan Siebelink suspect, sentimenteel, ordinair of melodramatisch. Pathos, om niet te zeggen lichte hysterie, al kenmerkend voor de legendarische journaliste/schrijfster Oriana Fallaci, maakt ook het werk van Margaret Mazzantini zo buitengewoon aantrekkelijk. Die traditie wordt voortgezet in de debuutroman van al weer de jongste Premio Strega-kanshebber ooit, Silvia Avallone. Staal, waarvan ook de filmrechten al weer zijn verkocht, was nog maar voor de helft in vertaling te lezen. Voldoende om te denken dat dit wel eens de grote Italiaanse sociale roman zou kunnen zijn waar Veronesi op zit te wachten. Over twee meisjes die tot bloei komen tussen de schoorstenen van de staalfabriek in een armetierig kustplaatsje, Elba lonkend in de verte. Sociaal-realistisch, poëtisch, en ook: lekker vettig. Zo'n boek waarvoor we de Italianen nodig hebben.


Niccolò Ammaniti, Ik haal je op, ik neem je mee. Vertaald door Etta Maris. Lebowski, 419 blz., € 12,50
Silvia Avallone, Staal. Vertaald door Manon Smits. De Bezige Bij, 352 blz., € 19,90 (november)
Alessandro Baricco, Emmaus. Vertaald door Manon Smits. De Bezige Bij, 160 blz., € 16,90 (oktober)
Paolo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen. Vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. Jubileumeditie. Cargo, € 10,-
Nicola Lagioia, Alles terug naar huis. Vertaald door Jeroen de Keyser. De Bezige Bij, 304 blz., € 18,90 (september)
Andrej Longo, Tien. Vertaald door Pietha de Voogd. Van Gennep, € 9,90
Margaret Mazzantini, Ter wereld gekomen. Vertaald door Miriam Bunnik en Mara Schepers. Wereldbibliotheek, 508 blz., € 22,50;
Ga niet weg. Vertaald door Henrieke Herber. Wereldbibliotheek, 271 blz., € 10,-
Roberto Saviano, Gomorra. Vertaald door Karoline Sabbatino en Elke Parsa. Rothschild & Bach, 351 blz., € 12,50
Sandro Veronesi, Kalme chaos. Vertaald door R. Gerritsen. Prometheus, 414 blz., € 12,50