Eilandenrijk Oost-Europa in Rotterdam

Schaduwbestaan aan de Maas

Op de Rotterdamse Maasvlakte, bijna vijftig kilometer van de Coolsingel, bouwen honderden Polen, Kroaten, Tsjechen en Duitsers aan twee kolencentrales, een gas- en een olieterminal. Ze wonen in Hotel At Work. Contact met de buitenwereld is nihil. ‘Het lijkt hier wel een woestijn.’

AAN DE ENE kant de Noordzee, aan de andere kant de zware industrie van de haven. Het is het surrealistische decor waartegen het dagelijks leven van een paar honderd buitenlandse bouwvakkers in Nederland zich afspeelt. Ook buiten werktijd. Werken en leven op de bouwplaats. Want vlakbij de plek waar de Tweede Maasvlakte wordt gerealiseerd, staat een rij gestapelde containers die als eenvoudig hotel is ingericht.
Het weer is kalm, maar vlaggen met het logo van At Work bij de ingang van het omheinde terrein wapperen in de wind. De wind heeft vrij spel aan de monding van de Nieuwe Waterweg. ‘Gelukkig is de zomer in aantocht’, zegt Adam Slavomei, een 26-jarige Pool, bij de ingang van het complex, terwijl hij een sigaret opsteekt. Het is half zeven, donderdagavond. Busjes met buitenlandse kentekens brengen de eerste groepjes mannen terug van de bouwplaats. 'Het kan hier echt spoken ’s winters’, verzekert Adam.
Het containerhotel is een initiatief van Jan Snel, 'koploper op het gebied van flexibel bouwen’, zoals het bedrijf over zichzelf schrijft op zijn website. En flexibel is het hotel op de Maasvlakte. 'De huidige accommodatie kan zevenhonderd mensen herbergen, maar dat aantal kunnen we binnen afzienbare tijd vergroten tot vijftienhonderd’, vertelt Joost Onderdelinden, manager bij Snel. In 2015, als de Tweede Maasvlakte is opgespoten, zal At Work verplaatst worden naar een ander deel van de haven.
Het hotel is gebouwd om de files op de A15 te omzeilen. Ook de autoriteiten zijn er blij mee, het voorkomt de overlast van groepen van tien of meer arbeidsmigranten die onzichtbaar voor publieke instanties in een kleine eengezinswoning worden ondergebracht en uitgebuit door huisjesmelkers of malafide uitzendbureaus. Situaties die de Nederlandse grote steden maar al te goed kennen.
Maar terwijl de politiek discussieert over de overlast, huisvesting, arbeidsomstandigheden en integratie van tweehonderdduizend arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa kunnen er weken voorbij gaan zonder dat de bewoners van Hotel At Work iets van Nederland zien. En andersom: ze doen hun werk in de coulissen van de maatschappij, waar nauwelijks iemand ze opmerkt, dus probeert ook niemand ze ergens bij te betrekken. Het maakt de overheid weinig uit. In tegenstelling tot veel van hun landgenoten gaan de meeste bouwvakkers in Hotel At Work terug naar hun geboorteland als het project is afgelopen. Of naar een opdracht elders in de EU. Ze zijn bijna allemaal in dienst van bouwbedrijven uit hun thuisland die internationaal opdrachten aannemen.
Het is een vrijwel onopgemerkt, rondreizend constructiecircus. De mannen bouwen waar er maar werk is, volgens de wetten van de Europese open markt - in Ierland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en nu dus in de Rotterdamse haven. Ze doen zwaar werk en maken lange dagen. Voor half zeven ’s ochtends is iedereen vertrokken, tussen zes en zeven ’s avonds komen ze terug. Om tien uur zijn de lichten overal uit. Dit alles vijf tot soms zeven dagen per week. Ze klagen er niet over. 'Alleen baalt iedereen dat er geen kroeg in de buurt is’, zegt Adam, die 'hotel’ ook een wat al te flatteuze benaming vindt voor de containeraccommodatie van At Work.

DE INRICHTING van het hotel is inderdaad sober te noemen. De kamers zijn hufterproof. Op een tv-scherm na is er niets te slopen. Een streng huishoudelijk reglement in verschillende talen aan de binnenkant van de deur van ieder containerblok herinnert de mannen eraan dat ze niet thuis zijn. Maar ook het feit dat ze maandenlang een kamer delen met een of twee collega’s zal ze doen beseffen dat thuis voorlopig alleen een verlangen is. Sommige containerblokken hebben een klein keukentje. Douche en toilet worden in de regel gedeeld met ganggenoten, op de duurdere kamers na, die eigen voorzieningen hebben. Het geheel is in harmonie met de leegheid van dit uiterste puntje van de Rotterdamse haven.
Wel is er een gemeenschappelijke ruimte met twee pooltafels, een dartbord, een bar die meestal is gesloten en een satelliet-tv waarvan de gasten de knoppen niet mogen bedienen. Een kortgeschoren twintiger en een forse vijftiger met een matje in de nek, beiden Duitser uit de buurt van Dresden, staren naar het scherm waarop golf te zien is. Het geluid staat uit. Op aanvraag zapt een hotelmedewerker, minstens tien jaar jonger dan de man met het matje, een rondje langs de velden om te zien of er voetbal wordt uitgezonden. Helaas, het is nog te vroeg. Of misschien wordt er helemaal niet gevoetbald vanavond. Wel is er porno op een obscure satellietzender, wat leidt tot instemmend gebrom van de oude 'Ossie’, zoals hij zichzelf noemt. Later op de avond zal hij na een paar drankjes melancholiek vertellen over de DDR-tijd, toen die arrogante 'Wessies’ zich nog niet met zijn land bemoeiden. De medewerker zapt snel weg bij de geluidloze porno. 'Daarom mogen ze niet aan de knoppen zitten’, zegt hij.
Verderop in de gezelschapsruimte zitten twee jonge Kroaten te skypen met hun thuisfront. Er is draadloos internet, een dankbare verbinding met de bewoonde wereld. De jongens horen bij een groepje landgenoten dat rond een van de pooltafels staat. Achter in het vertrek zijn drie Polen aan het darten. Veruit de meeste gasten zijn op hun kamer. In het midden van de zaal zit de 45-jarige Marco van Eden achter een bord varkenshaas met patatten en salade, het dagmenu voor iets meer dan vijf euro. Hij is de enige Nederlandse bouwvakker in het verblijf en een van de weinigen die zich een eenpersoonskamer kan veroorloven.
Tijdens het eten houdt hij voortdurend een telefoon tussen zijn schouder en oor geklemd. Hij belt met zijn vrouw die in Terneuzen woont. 'Dat is al gauw twee uur op en neer’, vertelt Marco wanneer hij klaar is met zijn maaltijd. 'Dan zit ik liever hier. In de weekenden ga ik naar huis. Naar mijn vrouw en twee kinderen.’ Hij verhuurt zichzelf al vijftien jaar als zzp'er en heeft gewerkt door het hele land. Voordat hij deze opdracht aannam werkte hij op de Kop van Zuid in Rotterdam. Ook toen woonde hij in een hotel. Toch was dat niet te vergelijken met deze locatie: 'Dat was echt gezellig, want daar zat ik natuurlijk midden in de stad. Ik leerde mensen kennen en was al snel een stamgast in de kroeg onder het hotel. Ik wed dat ze me allemaal nog kennen als ik daar vandaag binnen zou stappen.’
Marco heeft in ieder geval tot 2013 werk op de Maasvlakte. 'Ik mag mijn handjes dichtknijpen. Veel van mijn vroegere maatjes zitten nu zonder opdrachten vanwege de crisis en de grote werkloosheid in de bouw. Sommige Nederlanders zijn misschien te beroerd om zwaar werk te doen, maar degenen die wél willen, hebben moeite om aan de bak te komen.’ Marco is ervan overtuigd dat de Oost-Europeanen werken tegen te lage tarieven: 'Officieel mag het misschien niet, maar wie gaat dat controleren?’
Met zijn buitenlandse collega’s in het hotel heeft de Zeeuw geen contact: 'We leven gescheiden. Ik heb niet zoveel met die jongens. Na het eten trek ik me dan ook altijd terug op mijn kamer. Mijn verblijf hier is praktisch, maar het is zeker geen gezelligheidsclub.’ Na het yoghurttoetje is Marco inderdaad vertrokken. 'Als zzp'er moet ik ook even de administratie doen. Daarna ga ik weer bellen met Terneuzen.’

DE GEMEENSCHAPPELIJKE ruimte blijft erg rustig op deze doordeweekse avond. Op het hoogtepunt staan er misschien 25 hotelgasten in plukjes rond het dartbord en de pooltafels, nationaliteit bij nationaliteit. De rest is op de kamers. Ljubo Babic, een Kroaat van middelbare leeftijd, zegt niet precies te weten waarom de groepen zo weinig mengen: 'De meeste mensen spreken wel Duits en er is weinig onenigheid onderling. Blijkbaar voelen de mannen zich toch het prettigst bij hun landgenoten.’
Het kan er ook mee te maken hebben dat de kamers zijn ingedeeld op nationaliteit. Heeft Ljubo het naar zijn zin? 'Ach, het werk is zwaar maar goed en de accommodatie is wat voorzieningen betreft sober maar in orde. Maar bij andere projecten, bijvoorbeeld in Duitsland, verbleven we meer in de bewoonde wereld. Toch prettiger. Dan kun je af en toe ontsnappen aan je werkomgeving. Hier staat alles in het teken van het werk en kom je alleen collega’s tegen.’
Wanneer de bar dicht is, zoals vanavond, kunnen de gasten bij de keukendames of uit de automaat een zwak alcoholische drank kopen. Een biertje dus. Geen wodka of andere sterke drank, om bacchanalen en bijbehorende ruzies te voorkomen. Drinken op de kamers is verboden. 'Dat betekent niet dat het niet gebeurt’, zegt Adam terwijl hij buiten zijn zoveelste sigaret opsteekt. Ondanks zijn jonge leeftijd geeft hij leiding aan ongeveer twintig landgenoten op de bouwplaats. Hij heeft net besloten tijdelijk bij Poolse vrienden in Hellevoetsluis ('Hellevoetsloeis’ voor de gasten) in te trekken. Want hij heeft het gehad met de verlatenheid van de Maasvlakte. Vanavond nog vertrekt hij.
'Zie je die jongens met die Lidl-tasjes?’ Hij wijst naar een groepje dat terugkomt van de bouwplaats. Ze zijn laat en lopen zwijgend naar de ingang van het derde containerblok. Het loopt tegen achten. 'Ook Polen. Ze koken hun eigen maaltijd omdat ze het eten in het hotel niet lekker vinden of te duur. Reken maar dat ze ook even langs de slijter zijn gegaan.’ Maar het zal niet uit de hand lopen, verzekert Adam. 'Ze gaan vroeg slapen. Morgen weer een werkdag.’

DE DUITSE bewoners van At Work rijden af en toe naar huis om hun gezin of ouders te zien. Voor veel Tsjechen, Polen en Kroaten is thuis te ver weg om te bezoeken tijdens een bouwproject van een paar maanden. Zij benutten de weinige vrije dagen soms door naar Antwerpen te gaan. Of een heel enkele keer naar Amsterdam. 'Daar zijn de vrouwen beter dan in Rotterdam’, verklaart Adam, die in tegenstelling tot veel collega’s thuis geen gezin heeft. Of de tripjes naar Amsterdam te maken hebben met het prostitutieverbod in de Maasstad wil hij niet zeggen. Neemt hij wel eens iemand mee naar het hotel? 'Uitgesloten. Op het terrein van At Work zijn vrouwelijke logés niet toegestaan.’
Dat merken ook de dames die in de keuken werken. Jessie Koekendorp, een blonde twintiger uit het nabijgelegen dorpje Rockanje, vertelt met een glimlach over de vasthoudendheid waarmee sommige bouwvakkers zich opdringen. 'Het zijn over het algemeen aardige en redelijk beleefde jongens, maar als ze een tijd niet naar huis zijn geweest weten ze van geen opgeven.’ Ze bezweert dat de mannen kansloos zijn in hun pogingen. Als ze even later langs de pooltafel in de gemeenschappelijke ruimte loopt waaraan het groepje Kroaten speelt, weet ze hun blikken zonder uitzondering aan haar kont geplakt. Maar Jessie kijkt niet om.
Ze werkt al in de keuken sinds de opening van het hotel in het voorjaar van 2010. Ze heeft verschillende groepen bouwvakkers zien komen en gaan. 'De jongens die hier nu zitten, uit Midden- en Oost-Europa, zien er redelijk gezond en weldoorvoed uit. Dat is wel eens anders geweest. Afgelopen zomer bijvoorbeeld verbleef hier een groep Italianen uit het zuiden van de laars. Die mannen zagen er zo slecht uit, volledig afgebeuld, met zweren en koortslippen van het harde werken. En ze hadden geen cent te makken. Een biertje van een euro konden ze zich vaak niet eens veroorloven.’ De Italianen waren ingezet bij het begin van de bouwprojecten, veruit het zwaarste werk. 'Sommige vrouwen in de keuken hebben zelf kinderen. Zij hadden nog meer medelijden met die jongens dan ik. Ze moesten zelfs wel eens de aanvechting onderdrukken om er eentje mee naar huis te nemen en eens goed te verzorgen.’
Om kwart voor tien ’s avonds verlaten de twee Duitsers als laatste de gemeenschappelijke ruimte. Want na zes blikken bier en enkele weemoedige verhalen over de verdwenen saamhorigheid van de voormalige DDR roept ook voor hen de werkelijkheid van morgen. Het zal een dag zijn zoals de voorgaande: werken, eten, een paar blikken bier, enkele gesprekken met collega’s en met wat geluk een voetbalwedstrijd op de buis. De wekker staat als iedere ochtend om half zes. Slapen dus.


Polenhotels in Nederland
Behalve Hotel At Work zijn er sinds 2007 nog enkele ‘Polenhotels’ in Nederland, bijvoorbeeld in het Westlandse Wateringen. Toch zijn er enkele belangrijke verschillen tussen het Maasvlakteverblijf en de overige Polenhotels. Zo blijven verreweg de meeste bewoners van Hotel At Work slechts een paar maanden in Nederland, terwijl sommige gasten van de locatie in Wateringen zich permanent in ons land willen vestigen. Daarbij komt dat At Work wordt gerund door Jan Snel, een bedrijf dat de gasten een verblijf aanbiedt, maar dat niet hun werkgever is.
Het hotel in Wateringen is daarentegen een initiatief van hetzelfde (Nederlandse) uitzendbureau dat de Poolse gasten in dienst heeft. Omdat zij hun loon ontvangen van een onderneming die hier is gevestigd, vallen zij onder het vrije verkeer van personen, evenals het overgrote merendeel van de arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Dat betekent dat zij dezelfde rechtspositie hebben als Nederlandse werknemers, hoewel uit recent onderzoek is gebleken dat veel Poolse arbeiders in de kassen van het Westland met een uurloon van hooguit acht euro onder het minimumloon werken.
De bewoners van Hotel Maasvlakte hebben een nogal complexe juridische status, omdat zij op de loonlijst staan van een buitenlandse aannemer die hier werkt onder het vrije verkeer van diensten. In de praktijk komt het erop neer dat de kernvoorwaarden uit de Nederlandse bouw-cao formeel op hen van toepassing zijn. Toch bestaan er sterke twijfels of de buitenlandse bouwvakkers in de Rotterdamse havens inderdaad een cao-loon ontvangen.
Gemeenten zijn over het algemeen blij met de Polenhotels omdat de autoriteiten zicht hebben op wie er verblijft en de locatie op een industrieterrein overlast in woonwijken voorkomt. De verwachting is dan ook dat het fenomeen zich in de komende jaren zal uitbreiden. Toch is er ook stevige kritiek op hotels zoals het Westlandse Polenverblijf, onder meer vanuit de vakbonden en de Poolse gemeenschap. Ze zouden veel te duur zijn voor wat ze bieden – vijftien euro per nacht in het Westland – en een drempel vormen voor de integratie, terwijl een deel van de gasten toch permanent in Nederland zal blijven. Bovendien groeit de overtuiging, ook bij overheden, dat de situatie waarin de gastarbeider voor zijn baan en bed afhankelijk is van hetzelfde bedrijf onwenselijk is. Daardoor zou de werkgever of het uitzendbureau een ongezonde machtspositie hebben en de arbeidsmigrant kwetsbaar zijn voor uitbuiting.


Arbeidsmigratie
Sinds 2007 hebben werknemers uit de Midden- en Oost-Europese staten (Moe-landen) die in 2004 lid zijn geworden van de EU volledige toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. De overheid verwachtte destijds een instroom van ongeveer vijftienduizend arbeidsmigranten. Intussen werken ongeveer tweehonderdduizend Moe-landers in Nederland, overwegend Polen, en vooral in de bouw, (glas-)tuinbouw en de agrarische sector. Naar schatting zal iets meer dan de helft zich permanent vestigen in ons land.
In 2010 vestigde de Haagse wethouder Marnix Norder nationaal de aandacht op de problematiek rond Moe-landers met zijn controversiële opmerking dat zijn stad te maken had met een ‘tsunami aan Polen’. In april 2011 presenteerde minister Kamp, in samenwerking met de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Westland, een pakket maatregelen dat onder meer moet leiden tot verhoogd toezicht op uitzendbureaus en effectievere controle op arbeidsomstandigheden. Boetes voor bedrijven die zich niet aan de regels houden gaan omhoog.