Schaduwkanten

De vele partijen en de vele achterbannen die ze bedienen raken in een onstuitbare vicieuze draaikolk. De ideeën over hoe ze daaruit kunnen komen, hebben allemaal ook hun donkere kanten.

Medium den haag 22 2012 schaduwkant

Dat Nederland steeds moeilijker regeerbaar is, bleek nog eens pijnlijk toen het kabinet-Rutte vorige week verantwoording moest afleggen voor zijn doen en laten in het begrotingsjaar 2011. De begroting voor dat jaar was ingediend door een demissionair kabinet, toen nog onder leiding van cda’er Jan Peter Balkenende, en de verantwoording voor de uitvoering van die begroting werd afgelegd door een eveneens al weer demissionair kabinet, nu dan onder leiding van vvd’er Mark Rutte.

Was dit wel heel uitzonderlijk, de kabinetten die vanaf 2002 de naam Balkenende kregen, hebben geen van alle de eindstreep gehaald. Op een bijeenkomst naar aanleiding van het verschijnen van het boek De kabinetsformatie in vijftig stappen zei oud-cda-minister Ernst Hirsch Ballin afgelopen week dat na de val van het derde kabinet-Balkenende het demissionaire rompkabinet dat na die breuk met de pvda overbleef maar geen nummer meer is gegeven. Heel de zaal lachte. Een Balkenende IV in acht jaar tijd is inderdaad niet iets om trots op te zijn.

Dit roept de vraag op hoe het komt dat regeringspartijen er telkens voortijdig de brui aan geven. Een heel klein inkijkje in de achtergrond daarvan geeft de Lentecoalitie van vvd, cda, d66, GroenLinks en ChristenUnie die in de week na de val van het kabinet-Rutte met elkaar een fors pakket aan bezuinigingen wist af te spreken voor de begroting voor 2013, zodat in deze crisistijd 2013 geen verloren jaar wordt en de financiële markten er gerust op zijn dat Nederland een solide land blijft.

In die bewuste week in april dat minister van Financiën Jan Kees de Jager door de wandelgangen van de Tweede Kamer snelde om het akkoord rond te krijgen, poseerden de fractievoorzitters van de vijf partijen die elkaar uiteindelijk wisten te vinden nog trots met elkaar voor de camera’s. Niet voor niets heette het akkoord toen ook wel het wandelgangenakkoord. Maar toen afgelopen vrijdag de gemaakte afspraken formeel naar buiten kwamen, was er geen sprake van een gezamenlijke persconferentie. Het waren nu de journalisten die van fractie naar fractie snelden, meer een wandelgangenpersconferentie dus.

Waarom dat was? Waar in april nog trots werd gesproken over over schaduwen heen springen en een deel van Nederland blij was met de daadkracht die daarvan uitging, zijn in de afgelopen weken de schaduwkanten van het akkoord zelf helderder geworden. Niet alle achterbannen, partijleden én potentiële kiezers van die vijf deelnemende partijen vinden het aangenaam daar overheen te moeten springen. Niet alle achterbannen stellen het daarom ook op prijs hun fractievoorzitter of partijleider in de aanloop naar de verkiezingen van 12 september in die Lentecoalitiesamenstelling bij elkaar te zien zitten. Dat lijkt toch een beetje te veel alsof daar al de nieuwe regeringscoalitie plaatsneemt. Dat beeld moest en zou voor­komen worden.

De moed die de vijf hadden in april ontbrak ze een maand later. Tijdens kabinetsperiodes gaat dat precies zo. Er zijn in een regeerperiode altijd wel pijnlijke en veelal ook onvoorziene beslissingen die genomen moeten worden en waar deze of gene achterban niet mee kan leven. Er wordt dan gebroken op het moment dat een van de coalitiepartijen daar met het oog op de peilingen de tijd rijp voor acht.

Inmiddels beginnen de vele partijen die de Nederlandse politiek telt en de vele achterbannen die zij bedienen in een onstuitbare vicieuze draaikolk te geraken: hoe meer partijen in een coalitie, hoe groter de kans op één of meer ontevreden achterbannen, hoe meer kans op een tussentijdse val, hoe meer kans vervolgens weer op nog meer onvrede met als resultaat nog meer versnippering van de stemmen, hoe ingewikkelder vervolgens weer de coalitievorming en hoe groter de kans op nóg meer partijen in een coalitie, waarvoor vervolgens geldt dat er dan nog meer kans is op ontevreden achterbannen en deze hele cyclus weer van voren af aan begint.

Dat voor het Lenteakkoord vijf partijen nodig waren om aan een Kamermeederheid te komen is tekenend voor de versnippering. Maar het kan nog erger.

Hoewel opiniepeilingen een grote rol spelen in wat partijen tussentijds nog voor hun rekening durven nemen, en het daarom misschien goed zou kunnen zijn daar niet al te veel aandacht aan te besteden, hier toch even als schrikbeeld van een mogelijke verkiezingsuitkomst de peiling van Maurice de Hond van 20 mei. Een virtuele uitkomst dus, maar noch de Lentecoalitie, noch de paarse partijen pvda, vvd en d66 aangevuld met GroenLinks, noch de traditionele middenpartijen vvd, pvda, cda, noch een linkse coalitie van sp, pvda, d66 en GroenLinks, krijgen dan een meerderheid. En voor de volledigheid, hoewel niemand daarnaar terugverlangt, die van vvd, cda en hun voormalige gedoogpartner pvv ook niet. Een driepartijenkabinet dat wel zou kunnen met die uitslag is dat van sp, vvd en pvda. Maar ligt dat voor de hand?

Deze peiling laat zien dat het voor partijen beter is zich niet vooraf vast te leggen op samenwerking met andere partijen: de uitslag dwingt ze mogelijk tot andere coalities. De lijstverbinding tussen sp en pvda, zoals pvda-leider Diederik Samsom voorstelde, is dan ook vooral om een eventuele restzetel in het linkse ‘kamp’ te houden, geen liefdesverklaring. Die begrijpelijke terughoudendheid vooraf draagt echter ook weer bij aan onvrede bij de kiezer. Die weet immers vooraf niet wat er met zijn stem gebeurt, terwijl hij dat wél wil weten.

Hoe politiek en kiezer uit die draaikolk kunnen komen? Met een kiesdrempel zodat er minder partijen zijn in de Kamer? Met vrijwillige fusies omdat partijen daar zelf de meerwaarde van inzien? Met alleen verkiezingen op vaste momenten en niet na elke val, zodat partijen wel gedwongen zijn goed samen te werken? Slechts drie ideeën. Met allemaal schaduwkanten!