Schaken op vijf borden tegelijk

DE POLITIEK is saai of slecht. Het is een tredmolen die bevolkt wordt door kleurloze bureaucraten of een slangenkuil waar gewetenloze types elkaar met listen en lagen bestrijden. In de kleurloze tredmolen doen politici er niet toe. Ze zijn dragers van een ambt en belast met de taak de maatschappij draaiende te houden. In de slangenkuil doet de samenleving er niet toe. De macht is een doel op zich.

Parlementaire journalisten bijten zich vaak stuk op deze twee archetypische beelden van de politiek. Ze geven consciëntieus de diverse kabinetsplannen weer en de reacties van diverse partijen en maatschappelijke instanties, maar als ze de politiek spannend willen maken, grijpen ze terug op het beeld van de slangenkuil. Dan wordt elk meningsverschil een wedstrijd met een winnaar en een verliezer en worden politici geportretteerd als slimme strategen en leugenachtige sprekers.
In beide archetypes gaat de charme van de politiek verloren. Politiek is de kunst van het mogelijke. Maar wat mogelijk is en wat niet, staat niet bij voorbaat vast. Een goede politicus weet dingen tot stand te brengen die voor onmogelijk werden gehouden. Een goede politicus voelt aan wanneer de tijd ergens rijp voor is.
Op dit moment steekt de Haagse politiek schril af bij dit ideaal. De kunst lijkt nu te zijn om met zo weinig mogelijk genoegen te nemen. Zelfs Bolkestein is tam. Koen Koch heeft de sfeer goed getypeerd: de lijsttrekkers zouden de verkiezingen het liefst een keertje overslaan.
IN DEZE MAGERE tijden had ik voor mijn politieke kicks al mijn hoop gezet op de dramaserie Het jaar van de opvolging van Jan Blokker en Frans Weisz. Ik hoopte dat zij een groots en meeslepend beeld van de politiek zouden schetsen. Ik hoopte op een versie van de werkelijkheid die mooier en aantrekkelijker is dan het origineel.
De serie is zonder meer opwindender dan het Den Haag van vandaag, maar de charme van de politiek, de kunst van het mogelijke, komt er bekaaid van af. Daarvoor is de moraal van het verhaal te cynisch. De boodschap van de serie is dat politiek corrumpeert. Het drama is gelukkig rijker dan de boodschap. Op sommige momenten toont de serie de ingrediënten voor een wervende politieke praktijk: hoofdrolspelers met een heldere agenda en onzekere uitkomsten.
Blokker en Weisz hebben een faustiaans drama gemaakt, waarin Gijs van Dorp, de beoogde opvolger van de al twaalf jaar regerende premier Rahusen, voor de macht zijn ziel moet verkopen. In de eerste aflevering is Van Dorp nog een buitenstaander. Hij is juist geen politiek dier. Als hij over politici praat, spreekt hij over anderen. Zijn successen in het begin van de serie dankt hij ook aan zijn gebrek aan ervaring. Juist doordat hij ongebruikelijke dingen doet, overrompelt hij anderen.
De mooiste scène uit de eerste aflevering is de vergadering van de fractie van de Partij van de Vrijheid. Nadat Rahusen, de vertrekkende premier, Van Dorp heeft aangewezen als zijn opvolger, maakt de fractieleider eveneens zijn aftreden bekend. Sommige fractieleden staan op hun achterste poten. Zij vermoeden een opzetje. ‘Wil jij ontkennen dat dit geregisseerd is, Van Dorp?’ vraagt Mireille Laporte, de belangrijkste concurrent van de aangewezen opvolger. Als kijker weet je dat Van Dorp dit gevecht moet winnen, maar je weet nog niet hoe. Van Dorp beslecht het pleit uiteindelijk door de strijd niet aan te gaan. Hij ontkent niks, kondigt aan dat hij helemaal geen fractievoorzitter wil worden en verlaat de vergadering.
Het eerste ingrediënt van een spannende politiek is hier aanwezig. Er gebeurt iets onverwachts. In de fractie breekt paniek uit. Ze wil Van Dorp niet opgedrongen krijgen als voorzitter, maar wil nog minder een crisis in de partij. Daarom doet uiteindelijk een flinke meerderheid van de vergadering een dringend beroep op Van Dorp om het fractievoorzitterschap op zich te nemen.
Blokker en Weisz gebruiken de scène echter om niet om de charme van de politiek te tonen, maar om de onschuld van de hoofdrolspeler te tekenen. In de korte tijd dat Van Dorp denkt dat zijn politieke einde nabij is, is hij niet teleurgesteld. Hij voelt zich 'opgelucht, bevrijd’, zo meldt hij zijn vrouw. Blokker en Weisz hebben zijn buitenstaanderspositie nodig. Als non-politicus is hij onschuldig. Hij wordt ook geregeld Gijsje genoemd. Hij is nog een kind dat veel moet leren, namelijk slechtigheid.
Zo kan hij er het levende bewijs van worden dat macht corrumpeert. De affaires die in de loop van de serie op hem afkomen, zijn allemaal aanslagen op zijn waarachtigheid. En nadat hij aan de macht heeft geroken, zakt hij voor elk moreel examen. Als het slecht gaat met de campagne, verkoopt hij zijn moeder. Als er een lijk uit de kast komt, verloochent hij een oude liefde. Als er een vreemde virusinfectie uitbreekt, lekt hij informatie naar de pers en steekt hij zo een dolk in de rug van Rahusen. Als de pers de rol ter discussie stelt van het adviesbureau van zijn vriend dat achter de schermen hem en Rahusen van adviezen bedient, laat hij zijn vriend vallen. En ten slotte bedriegt hij ook zijn vrouw. Eigenlijk is dat het ergste, want zij is het symbool van de zuiverheid. Het is niet voor niks dat Blokker en Weisz haar haar extra blond hebben gemaakt. Will van Kralingen, die de rol speelt van Marleen, heeft haar haar voor de serie juist zwart moeten verven. Maar zij is dan ook de assistente van de mannetjesmaker achter de schermen en de ware duivel in de serie.
HET FAUSTIAANSE schema maakt van de politiek een slangenkuil. Het enige verschil is dat Van Dorp niet slecht is, eerder karakterloos. Hij begaat zijn zonden niet moedwillig, ze overkomen hem. Hoewel Van Dorp bereid is zijn ziel te verkopen, redt hij het uiteindelijk niet. Hij is, vindt men, te aardig gebleven. Hij leek soms last te hebben van gewetenswroeging en in zijn laatste politieke optreden presenteert hij zijn droom van een betere politiek: een eerlijke politiek zonder dubbele boekhouding. In die slottoespraak kun je zien dat het jarenzestigideaal van authenticiteit en oprechtheid de moeder is van het cynisme van de jaren negentig. Juist door waarachtigheid het allerbelangrijkste te maken, kan er alleen teleurstelling volgen. Want een maatschappelijk ideaal van waarachtigheid kweekt politici die een schijn van oprechtheid gebruiken als wapen. Zoals de Amerikaanse socioloog Richard Sennett schreef: 'Het bijzondere van Nixon was niet dat hij loog, maar dat elke leugen werd ingebed in sterke uitlatingen over zijn eerlijkheid en goede bedoelingen.’
DE IRONIE WIL dat Blokker en Weisz een beeld van de politiek schetsen dat dicht in de buurt komt van de veronderstellingen van de journalisten die zij in hun serie zo genadeloos portretteren. In Het jaar van de opvolging zijn journalisten alleen op zoek naar de mens achter de politicus of, als ze mooi is, de vrouw achter de politicus. Na de aanwijzing van Van Dorp als opvolger wil de jonge hoofdredacteur van de Volkskrant, die inmiddels verschijnt op tabloidformaat, niet alleen een foto van Van Dorp, maar ook een portret van zijn vrouw, een voormalig fotomodel. Hij geeft een van zijn redacteuren opdracht uit te zoeken of ze ooit in Playboy heeft gestaan.
De aanklacht van Blokker en Weisz is duidelijk. De journalistiek heeft alleen maar oog voor sensatie en voor de mens achter de politicus en niet meer voor de zaak zelf. Maar het cynisme van de journalist vindt zijn evenknie in de cynische boodschap van de serie: idealen zijn verdwenen, maar politiek corrumpeert als nooit tevoren.
In het politieke feuilleton dat Jacques Monasch, voormalig campagneleider van de Pvda, schreef voor de verkiezingssite van de Digitale Stad (http://www.dds.nl, eerste aflevering 16 april) zit dezelfde dubbelheid. De journalist heet hierin Max Skalp, omdat hij alleen maar uit is op zo veel mogelijk hoofden van politici. Maar ook hier lijkt zijn cynisme terecht, want alle hoofdrolspelers zijn inderdaad louter bezig elkaar een hak te zetten. De onhebbelijkheid van de parlementaire journalistiek om politiek te reduceren tot een spel met winnaars en verliezers, wordt in naam bekritiseerd maar in feite bevestigd.
ER ZIJN TWEE manieren om het archetype van de slangenkuil te vermijden. Het portret van de politiek moet idealistischer of raadselachtiger zijn. In Primary Colors, de sleutelroman over de verkiezingscampagne van Clinton in 1994 die nu ook is verfilmd, wordt geflirt met idealisme en raadselachtigheid. Als een politicus of een partij eenmaal in de vuurlinie ligt, is het moeilijk het tij te keren. Het campagneteam van de naar Clinton getekende Jack Stanton is permanent in de weer om greep op de situatie te krijgen, maar steeds worden ze ingehaald door nieuwe problemen.
Zowel in het boek als in de film is de centrale vraag: waarom overleeft Stanton onthullingen over zijn seksleven en leugentjes over zijn verleden wel, waar anderen in vergelijkbare situaties sneuvelden? Het is daarmee een onderzoek naar het charisma van Stanton. Gewetensvragen komen alleen nog aan bod bij zijn medewerkers. De verteller, zijn politieke adviseur, verdedigt zijn steun voor de soms weinig principiële Stanton met het argument dat Stanton iets heeft wat geen van de andere kandidaten heeft: idealen. Dat maakt dat hij bereid is om Stanton zijn gebrek aan scrupules te vergeven: 'I’ll take the liar over the man who doesn’t care.’ Hier is de boodschap dat wie iets wil bereiken zijn zuiverheid moet opgeven.
Dit 'vuilehandenmotief’ ontbreekt bijna volledig in Het jaar van de opvolging. Er is één moment waarop Van Dorp iets van idealisme toont. Dan is hij bereid voor de goede zaak geheime stukken naar de pers te laten lekken. Maar het is de oprisping van een vrijwel verdwenen sentiment. Doordat de morele teloorgang van Van Dorp het centrale thema is, lijkt de politiek nergens over te gaan. Nergens krijgen we te zien waarom Van Dorp de politiek in wil. Nergens zien we wat zijn idealen zijn. En dat terwijl er maatschappelijk heel wat op het spel staat. Zo heeft de liberaliseringstendens een hyperbolisch hoogtepunt bereikt met de op handen staande uitbesteding van de ziektewet aan de Koreanen.
De andere strategie om tegenwicht te bieden tegen het archetype van de slangenkuil is om het tragische karakter van de politiek sterker aan te zetten. Mensen gaan niet altijd alleen ten onder door de manipulaties van anderen. Soms zijn het de onbedoelde gevolgen van hun eigen daden die hen de das om doen.
Hoewel Het jaar van de opvolging speelt in 2010, is de verhaallijn geïnspireerd door Lubbers’ aanwijzing van Brinkman als zijn opvolger en het daarop volgende debacle voor het CDA. In het verhaal van Brinkman zitten zonder meer faustiaanse elementen. Brinkman was tot veel bereid om premier te worden. Net als Van Dorp liet hij zich uitgebreid coachen. Tot er uiteindelijk niets meer van hem over was dan een imago. Maar juist door deze ultieme kneedbaarheid is Brinkman eigenlijk geen interessant personage.
LUBBERS, DE andere grote verliezer van 1994, is dat wel. In Het jaar van de opvolging verliest Rahusen, net als Lubbers, langzamerhand het vertrouwen in zijn beoogde opvolger. Rahusen blijft echter onverminderd een briljant strateeg, die drie zetten vooruit denkt. Hij blijft ook onvoorstelbaar onaangedaan door de ineenstorting van zijn partij. Lubbers was in die tijd echt in paniek. Ed. van Thijn schrijft in zijn dagboek Retour Den Haag dat Lubbers in maart 1994 serieus overwoog af te treden. Nu wordt in de serie het beeld overgenomen dat Brinkman van Lubbers had: iemand die hem moedwillig dwarsboomt.
In feite was Lubbers de laatste maanden zijn politieke intuïtie kwijt. Hij kon niet meer inschatten wat het effect was van zijn daden. Dat is veel dramatischer dan het verhaal van een perfecte strateeg. Het raakt ook meer aan het mysterie van de politiek: hoe het juiste te kiezen in een situatie van onzekerheid. Een politicus moet weten met welke conflicten en gevoeligheden wel en met welke niet of minder rekening moet worden gehouden, moet weten wat op een bepaald moment wel en wat niet kan. En dat is niet eenvoudig, want politieke conflicten zijn zelden eenduidig. Het is doorgaans niet alleen een conflict over een bepaalde kwestie, maar ook een conflict tussen personen, partijen, belangengroepen en ministeries. Het is schaken op vijf borden tegelijk. Politici worden zo acteurs die zelf niet weten in welk script ze spelen. Dan worden ze telkens ingehaald door de gebeurtenissen. Kijk naar de nasleep van de Oosterparkrellen, kijk naar het debacle met het CDA in 1994.
De nadruk op het corrumperende effect van de politiek staat ook de identificatie met de hoofdrolspelers in de weg. Ik heb genoten van de serie, maar met geen van de hoofdrolspelers kon ik meeleven. Ik zou het mooier hebben gevonden als Het jaar van de opvolging een politiek drama was geworden waarin het publiek zich identificeert met Lubbers/Rahusen. Waarin het publiek de paniek voelt als keuzes, gemaakt in onzekerheid, onbedoelde gevolgen hebben die niet meer te beheersen zijn. Dat zou ook een waarlijk commentaar zijn op het cynisme van de journalistiek, omdat het laat zien dat niet de waarachtigheid van de politicus, maar de meerduidigheid van het conflict en de diepte van zijn dilemma interessant is. Het zou een verbeelding van het Haagse bedrijf zijn waarin niet het corrumperende maar het tragische van de politiek de boventoon voert.