Interview met Peter Sloterdijk

‘Schandalen maken mensen dommer’

Peter Sloterdijks beruchte lezing ‹Regels voor het mensenpark› was geen provocatie. Sommige passages, met name over de oorlogsjaren, moesten echter wel reacties oproepen. Sloterdijk reageert en legt uit. ‘De schaduw van de oorlog was donkerder dan de oorlog zelf.’

Plotseling, in de zomer van 1999, leek overal gediscussieerd te worden over biotechnologie, genetische manipulatie, klonen en aanverwante onderwerpen. In Nederland zorgde Wim Rietdijk voor de nodige commotie. De Amerikaanse politiek filosoof Fukuyama publiceerde zijn boek The Great Disruption, waarin hij waarschuwde dat in de nabije toekomst zal worden getracht de ontbindingsverschijnselen van onze kapitalistische samenleving langs biotechnologische weg te bestrijden. In Frankrijk verscheen de roman Elementaire deeltjes, waarin Michel Houellebecq een toekomstige samenleving beschrijft waarvan de inwoners zijn verlost van alle driften en begeerten. En in Duitsland was er Peter Sloterdijk. Hoewel hij de lezing die hij hield op 20 juli in Elmau reeds twee jaar eerder in Bazel had uitgesproken, verschenen er ditmaal zeer alarmerende berichten waarbij herhaaldelijk het – in Duitsland elk eerlijk debat smorende – F-woord viel. Achteraf bleek Jürgen Habermas, de laatste voorman van de Frankfurter Schule, de belangrijkste initiator van deze hetze. Het leek geen toeval dat overal tegelijkertijd het debat oplaaide. Peter Sloterdijk denkt daar evenwel anders over: ‘De affaire rond mijn lezing is volgens mij een endogeen Duits fenomeen. Het is vooral een strijd tussen verschillende mentaliteiten, of meer nog een machtsstrijd om de middelen die de mentaliteit bepalen. Ik heb het dan natuurlijk over de media. De psycho-politieke regulering van de mentaliteit geschiedt niet langer door de godsdienst, maar door de media. In Duitsland zie je op het ogenblik een generatiewisseling. De generatie van de wederopbouw, die nu zo rond de zeventig is, gaat met pensioen, moet haar positie opgeven, moet het aan de jongere generaties overlaten. Dat valt niet mee. Zelf zijn ze belast met het verleden, omdat hun ouders nazi’s waren, en daarom zijn ze honderdvijftig procent democraten geworden. Bij die oudere generatie bestaat een zekere nervositeit, een wantrouwen tegen de jongeren. Ze zijn bezorgd of die wel zo braaf antifascistisch en democratisch blijven. Daarom is het debat zo bitter van toon.’ Wie eerst de woedende, bijkans hysterische verhalen over Sloterdijks rede te Elmau heeft gelezen, en daarna pas de (later beschikbaar gekomen) lezing, heeft moeten constateren dat de reactie nogal overtrokken was. Dat neemt niet weg dat de tekst enkele passages bevat die wel reacties móesten oproepen. Moeten we hierin niet een, al dan niet bewuste, provocatie zien? Heeft Sloterdijk toch niet een klein beetje zijn best gedaan om de aandacht van de media te trekken? De filosoof, die tot nog toe ontspannen aan zijn sigaar heeft getrokken en zeer rustig en bedachtzaam formuleerde, reageert enigszins verontwaardigd: 'Waar is die provocatie dan? Als men in een biologische context het begrip ‘selectie’ hanteert, is dat dan een provocatie? Zonder het begrip selectie zijn tal van wetenschappen helemaal niet mogelijk. Neem nu de moderne wiskunde, of de biologie, de speltheorie, de systeemtheorie – dat moet allemaal verboden worden als we dit begrip niet mogen gebruiken. Is men dan al een provocateur als men een wetenschappelijk vocabulaire hanteert?’ Hoewel inderdaad nogal wat kwaadwillende critici bij het woord selectie het perron van Auschwitz erbij sleepten, waren het toch vooral andere passages waarvan men zich kan afvragen of ze wel zo gelukkig zijn gekozen. Zo sprak Sloterdijk over de 'zozeer verduisterde jaren na 1945’, waarin een 'fundamentalistische sfeer’ overheerste, en in de eerste sensationele artikelen over de affaire werd erop gewezen dat de joodse historicus Saul Friedländer voortijdig de zaal had verlaten. Sloterdijk ontkent ook hier dat er sprake was van een provocatie: 'Vanuit het Duitse perspectief waren de jaren na de oorlog veel duisterder dan de periode 1933-1945. Tijdens het Derde Rijk leek de zon volop te schijnen. Pas na de oorlog realiseerde men zich wat er gebeurd was. Na de militaire ineenstorting volgde een psycho-politieke ineenstorting. Men begon de balans op te maken, trachtte te begrijpen wat er gebeurd was, en hoe het had kunnen gebeuren. Dat bedoel ik met een zwarte, verduisterde periode. Overigens geldt dat voor Frankrijk ook, dat blijkt duidelijk uit de literatuur. Het Franse literaire werk uit de periode na de bevrijding is veel somberder dan dat uit de bezettingsjaren; kijk maar naar de mode van het existentialisme. In de Italiaanse film zie je met de opkomst van het harde, zwartgallige neorealisme precies hetzelfde. Vanuit ideeënhistorisch perspectief zie je dat in Europa de nawerking van de oorlog de cultuur in hoge mate verduisterde. De schaduw van de oorlog was donkerder dan de oorlog zelf. Bovendien wordt steeds vergeten dat mijn lezing voor een groot deel over Heidegger ging. En voor Heidegger waren deze jaren, ongeacht of de maatregelen tegen hem terecht waren of niet, sombere en moeilijke jaren. Van een provocatie is beslist geen sprake geweest. Saul Friedländer heeft mij wel gevraagd wat ik nu precies bedoeld had. Ik heb het hem uitgelegd en bovendien heb ik, toen ik de lezing voor publicatie gereedmaakte, ter wille van hem enkele formuleringen aangepast. Wat me echter kwaad maakt, is dat ik steeds moet herhalen dat Friedländer niet wegliep vanwege mijn toespraak maar omdat hij een belangrijk telefoontje verwachtte. Hij heeft dat meermalen, zelfs zwart op wit, verklaard, maar dit hysterische verzinsel van mijn aanvallers blijft de kop opsteken. Zo werkt in Duitsland de pers blijkbaar. Als een joodse historicus wegloopt van een bijeenkomst is dat blijkbaar een demonstratie van verontwaardiging, en als hij dat later in alle toonaarden ontkent, is dat geen nieuws.’ Door sommige critici is gesuggereerd dat Sloterdijk zijn toespraak heeft gebruikt om Habermas en de aanhangers van de kritische theorie aan te vallen. Met een lichte zucht verklaart Sloterdijk dat ook dit grote onzin is: 'Ik denk bij het schrijven van zo’n rede toch niet aan Habermas, wat denkt men wel? Degenen die dat hebben geschreven zijn geestesziek. Hij is voor mij een filosoof die al minstens tien jaar intellectueel dood is. Ik lees zijn werk bewust niet meer, want het is filosofisch gezien onbeduidend, en stilistisch is het gewoon slecht. Hij is geen tijdgenoot meer, hij houdt zich niet langer meer bezig met relevante problemen en heeft dit alleen aangegrepen om weer in de schijnwerpers te komen. Wie beweert dat ik het schandaal heb geprovoceerd, weet eenvoudig niet hoe de media werken. Een schandaal laat zich niet organiseren. Het wordt wel geprobeerd, maar het lukt nooit. Zo’n schandaal ontstaat autonoom. Ik heb er bovendien geen enkele behoefte aan. Ik krijg genoeg publiciteit en de thema’s waaraan ik werk zijn zo fijn, zo subtiel, en mijn boeken eisen van de lezer zo’n inzet, zelfs een existentieel risico – dat alles wordt door een schandaal alleen maar kapotgemaakt. Een affaire zoals die rond Regels voor het mensenpark is ontstaan, leidt tot verkramping, tot intellectuele ineenschrompeling. Schandalen maken de mensen dommer.’ Hoezeer Sloterdijk met deze laatste uitspraak gelijk heeft, ontdekt de lezer die de tekst tot zich neemt. Wie een pleidooi voor biotechnologie, of zelfs eugenetica, verwacht had, komt bedrogen uit. Sommigen zullen zelfs teleurgesteld zijn. In feite zegt Sloterdijk over dit onderwerp niet meer dan dat met het oog op de huidige ontwikkelingen in de biotechnologie een 'codex van antropotechnieken’ nodig is. Kwaadwillende critici zagen hierin een pleidooi voor het creëren van een Uebermensch, terwijl anderen, die inzagen dat dit nergens op sloeg, Sloterdijk verweten dat hij hier veel te vaag bleef. Hij heeft in zijn Open brief aan Thomas Assheuer – de man die hem in opdracht van Habermas aanviel – toegelicht dat het hem ging om 'de grens (…) tussen legitieme, genmedische optimalisering voor individuen en illegitieme biopolitiek voor groepen’. Sloterdijk voelt er niet veel voor om dit nog nader uit te leggen. 'Die codex vormde niet het thema van mijn lezing, het was een opmerking terzijde, die met het strategische centrum van mijn overdenkingen helemaal niets van doen had. Regels voor het mensenpark is een meditatie over een van Heideggers kernbegrippen, namelijk ‘die Lichtung’. Het tumult is ontstaan omdat de critici weigerden zich af te vragen wat de literaire structuur van mijn lezing was. Alleen al de titel zou aan ontwikkelde mensen duidelijk moeten maken dat we hier te maken hebben met een begrip dat we ironie noemen. En wie mijn werk kent, weet dat als ik ironisch word men erg moet oppassen. Dan ben ik namelijk serieuzer dan gewoonlijk. Het gaat dan ook om een zeer serieus onderwerp, om de belangrijkste filosofische vraag. En die vraag is niet: wat is de mens? De belangrijkste vraag is: waar is de mens. Heidegger stelde deze vraag al, en gaf als antwoord: de mens is in de wereld. Dat is natuurlijk wel erg ruim geformuleerd, vandaar dat ik de vraag heb gepreciseerd: waar is de mens eigenlijk, als hij in de wereld is? En het antwoordt luidt: hij is in een park. Een park is een plek die alleen bestaat omdat er mensen zijn. Wij kunnen niet in de wereld gaan zoals een vreemde in een vreemd huis. Mensen moeten ergens wonen, ze moeten hun eigen plek creëren. Het mens-zijn is een vraagstuk van onroerend goed. Daarom heb ik de metafoor van het park gebruikt. Mijn lezing was een commentaar op Heidegger, een antwoord op de Brief over het humanisme. Hieraan is door vrijwel niemand aandacht geschonken, eenvoudig omdat de meesten die tekst van Heidegger niet kennen. Om dit probleem te ondervangen heb ik Regels voor het mensenpark geheel herschreven, zodat de structuur van mijn argumentatie ook duidelijk wordt aan lezers die minder ingevoerd zijn in Heideggers filosofie. Samen met een aantal andere essays over Heidegger worden beide versies van Regels over enkele maanden in boekvorm gepubliceerd.’ Een ander misverstand dat is gerezen na publicatie van de eerste versie van Regels is dat Sloterdijk gepleit zou hebben voor een nieuwe ethiek. De 'morele codex’ voor de antropotechniek zou echter beslist geen geheel nieuwe moraal moeten bevatten. Sloterdijk: 'Ethiek is altijd oude ethiek, er bestaat geen nieuwe ethiek. Onze ethiek is duidelijk, iedereen weet wat hij moet doen en laten. We weten wat de tien geboden zijn, we hebben het christendom, het boeddhisme en alle andere grote godsdiensten, en we hebben het burgerlijk wetboek. Er is geen ethisch probleem.’ Betekent dit dat de hele discussie over ethiek onzin is? Sloterdijk denkt een seconde na, en zegt: 'Eigenlijk wel. Het is een vorm van autohypnose. Waarom zouden we elke keer de hele geschiedenis van de moraal, van het Oude Testament tot aan de universele verklaring van de rechten van de mens, moeten overdoen? We weten toch allemaal wat het vijfde gebod is? Daar hebben we toch geen van overheidswege ingestelde commissie van deskundigen voor nodig?’ Ook waar het gaat om de nieuwe, zich stormachtig ontwikkelende technieken is het niet nodig om een ethische discussie te volgen. Sloterdijk: 'We moeten het eerst hebben over de ontologie en de logica, en pas daarna over de ethiek. De ethische maatstaven veranderen niet, maar eerst moeten we de omstandigheden begrijpen, moeten we weten waar we het over hebben. Dan kunnen we die oude maatstaven weer toepassen. Het grote probleem is dat we de huidige situatie niet goed interpreteren. We gebruiken allemaal het verkeerde vocabulaire en de verkeerde grammatica. Er moeten nieuwe begrippen worden ontwikkeld, waarmee we de veranderende werkelijkheid wel kunnen beschrijven. Momenteel leven we in een ontologisch Disneyland.’ Een van de weinige Duitse intellectuelen die het openlijk voor Sloterdijk hebben opgenomen, is de filosoof en Heidegger-biograaf Rüdiger Safranski, die afgelopen vrijdag met hem in De Rode Hoed debatteerde. In zijn artikel 'Het recht om geboren te worden, en niet gemaakt’ (ook opgenomen in de zojuist verschenen bundel) geeft Safranski er blijk van veel bezorgder te zijn om de eventuele gevolgen van de gentechnologie. Van een nieuwe 'morele codex’ wil hij niets weten, aangezien we beter terug kunnen naar de oude 'eerbied voor het ontzagwekkende in de natuur’. Sloterdijk is het niet met hem eens: 'Eerbied kun je niet dwingend voorschrijven. Bij de oude religies zag je dat die eerbied ontstond uit de ervaring van iets zeer gecompliceerds en overweldigends, dat men daarom als volmaakt ging beschouwen. Sinds de Verlichting kan dat niet meer. De natuur is weliswaar zeer gecompliceerd, maar allerminst volmaakt. Als je ziet hoeveel ‘mislukte’ exemplaren de natuur voortbrengt – kijk alleen maar naar de mens – dan wordt duidelijk dat de natuur niet perfect is. Ik vind het eigenlijk infaam als gezonde mensen tegen mensen met erfelijke, ongeneeslijke ziekten zeggen dat ziekte nu eenmaal behoort tot de conditio humana. Alsof ziekte een natuurrecht is! Deze mensen hebben er juist recht op dat alles wordt gedaan om de kwaliteit van hun leven te verbeteren. Voor hen is het onderzoek naar nieuwe technieken en therapieën een enorme bron van hoop.’ Sloterdijk reageert nogal laconiek op de vele sciencefictionachtige scenario’s waarin de rampen worden geschetst die het gevolg zullen zijn van genetische manipulatie. 'Om te beginnen begrijpt men niets van het onderzoek naar de genen. Veel berichten over ‘doorbraken’ bestaan uit pure bluf. Als men wil weten wat de stand van het onderzoek is, dan moet men zich het telefoonboek van Amsterdam voorstellen. Maar dan een waarvan alle bladzijden eruit gescheurd zijn, en bovendien de nummers en de namen van elkaar zijn geknipt. De wetenschap probeert die weer aan elkaar te passen. Dat duurt nog wel een paar decennia. De belangrijkste onderzoekers gaan ervan uit dat pas over zo’n dertig á veertig jaar het genoom ontrafeld is. En dan nog valt niet te verwachten dat manipulatie van een bepaald gen onmiddellijk leidt tot een bepaald resultaat. Dat zit allemaal veel ingewikkelder in elkaar. En dat geklets over kloneren, dat is helemaal lachwekkend. We hebben helemaal geen behoefte aan nieuwe mensen. Organen, daar is behoefte aan. Mensen hebben we genoeg. Er is nog steeds een overproductie aan mensen, en de genitale productiewijze bevalt iedereen nog steeds uitstekend, dus waarom zouden we?’ Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark: Kroniek van een debat. Uitg. Boom, 176 blz., ƒ29,90. De twee versies van Regels zullen samen met andere essays over Heidegger rond de zomer verschijnen bij uitgeverij Suhrkamp onder de titel Nicht gerettet: Versuche nach Heidegger.