Schandalen op microniveau

Het sterkste aan de korte verhalen van de Italiaanse schrijver Beppe Fenoglio is de rol van de vertellers: veelal zwijgzame mannen die terugblikken op hun kindertijd in Langhe, een heuvelachtige streek in Noord-West Italië. Dat doen ze niet met overdreven heimwee of al te veel grote woorden, en ze torsen ook geen grote jeugdtrauma’s of gruwelijke gebeurtenissen met zich mee, maar er zijn simpelweg herinneringen die ze nooit helemaal hebben afgeschud. Bijvoorbeeld aan die ene keer dat een jonge ik-figuur met zijn tante en priesterneef naar een gratis bruidsmaal loopt, drijfnat van de regen, door het fraai beschreven heuvellandschap. Of aan die zomer dat een eveneens jonge ik-figuur – vermoedelijk dezelfde als bij het voorgaande verhaal; in Dag van vuur duiken regelmatig dezelfde personages op – op bezoek is bij zijn tante en ‘halfoom’ terwijl iets verderop een bloedbad wordt aangericht. De sublieme openingszinnen: ‘Eind juni gaf Pietro Gallesio het woord aan zijn dubbelloops. Hij vermoordde zijn broer in de keuken, maakte op het erf zijn neef koud die op de knal kwam aangehold, zijn schoonzus stond op zijn lijst maar ze verscheen achter een traliehek met haar jongste kind op de arm en dus vuurde hij niet op haar maar stormde naar de pastorie van Gorzegno.’

Wat het verhaal zo memorabel maakt is niet dit expliciete geweld – Fenoglio (1922-1963) schreef duidelijk niet om te shockeren – maar de perspectiefkeuze: terwijl die Gallesio in een langdurig vuurgevecht raakt met de carabinieri, volgen wij in het verhaal de vrij onuitgesproken ik-figuur. Die zich nauwelijks verroert tijdens deze voor hem lome zomerdag. Hij hoort de knallen in de verte, ja, steeds opnieuw, het schieten houdt urenlang aan, maar hij ziet verder niets van Gallesio en verdiept zich ook niet in diens beweegredenen; het voornaamste wat hij doet is registreren wat er tussen zijn tante en halfoom gebeurt, inclusief allerlei sober maar fraai geformuleerd gekibbel: ‘Toen riep mijn tante ons aan tafel. Mijn halfoom zei direct, terwijl hij ging zitten: “Vandaag heb ik meer zin in drinken dan in eten.”’ Waarop de tante weer boos wordt, enzovoort, in de uitgebreidheid krijgen dergelijke ruzies iets komisch, zeker met dat geknal op de achtergrond.

Medium hh 6136609
Beppe Fenoglio, datum onbekend © Effigie Photo Agency / HH
We horen het geknal op de achtergrond, ergens, daar buiten, maar we krijgen het niet te zien

Die contrasten, tussen het kleine, huiselijke en de luidruchtige buitenwereld, tussen de actie en de passiviteit, tussen ernst en lichtheid, tussen de terugblikkende ik en de participerende ik, duiken steeds op in Dag van vuur en geven de verhalen een aangename, niet te nadrukkelijke gelaagdheid. Fenoglio schrijft toegankelijk, vlot, en hij roept schijnbaar achteloos soepele dialogen en onvergetelijke beelden op (‘draagmuren gezwollen alsof ze aan waterzucht leden’; een Fiat-bestelwagen die ‘vooral bergopwaarts een gerammel liet horen dat op alle deuren in de wijde omtrek leek te kloppen’.) Alleen al daarom is het prettig dat uitgeverij Serena Libri, een klein fonds gespecialiseerd in Italiaanse uitgaven, deze bundel ruim vijftig jaar na verschijnen (in 1963) nu in vertaling heeft uitgebracht: Dag van vuur is een gave, compacte bundel met vrij klassieke verhalen die vaak een duidelijke kop en staart hebben en vooral aantonen waarom Fenoglio is gaan gelden als een van de betere naoorlogse Italiaanse auteurs, zij het na zijn dood. Zijn bekendste werk kwam postuum uit, zoals de roman Il partigiano Johnny (1968) en ook deze bundel.

Al moet gezegd: deze zes verhalen halen niet allemaal hetzelfde niveau. Fenoglio blinkt uit als hij de tijd neemt en dus de ruimte neemt voor zijn dialogen en beschrijvingen – de twee kortste verhalen uit Dag van vuur zijn niet geheel toevallig de zwakste. Ze worden weliswaar bekwaam verteld, maar voelen aan als veredelde anekdotes, verhalen van iemand bij het kampvuur, weet je nog die ene oom of vroegere kennis, zo verging het hem, einde verhaal.

Het proza wordt pas echt interessant wanneer Fenoglio zijpaden durft in te slaan. En wanneer hij een breed palet van personages opvoert, schakelt tussen de verschillende leefwerelden, de actie op afstand, de observaties van de ik-figuur. Zoals in ‘Superino’, het hoogtepunt uit de bundel. Hier krijgt het hoofdpersonage, met behendige tijdsprongen en uiteindelijk vooral bij toeval, te horen dat zijn jeugdvriend is overleden, nadat die had ontdekt dat hij de zoon was van de door hem zo gehate dorpspastoor. Weer voltrekt het belangrijkste zich buiten de macht van het hoofdpersonage om. En weer krijgt het verhaal juist door dat perspectief diepte, door de afstand van de ontdekking achteraf, en tegelijk de nabijheid van de vroegere vriendschap, het sluimerende schuldgevoel dat daardoor ontstaat.

Dag van vuur staat vol geschiedenissen en herinneringen uit een kleine, Italiaanse gemeenschap. Schandalen op microniveau, veel familieverbanden, van stuk voor stuk levens die nooit beslissende invloed zullen hebben op de geschiedenis. Als er iemand ziek wordt of sterft in deze bundel, overkomt dat een bijpersonage, niet de verteller zelf. Als een priester van zijn geloof dreigt te vallen, wordt dat verhaal niet beschreven vanuit de priester, maar zien we die uit de verte. We horen het geknal op de achtergrond, soms zacht, soms hard, de actie is er, ergens, daar buiten, maar we krijgen het niet te zien. En juist daardoor blijft het fascineren. Daardoor blijven we doorlezen.