Schansspringen

Een wonder is nodig willen de regeringspartijen begin februari nog eenstemmig reageren op het Irak-rapport. Onder meer de stijfkoppigheid van Balkenende zit in de weg.

WIE NOG DACHT dat binnen een kabinet en tussen kabinet en parlement uitputtend wordt gediscussieerd over ingrijpende beslissingen, wie nog meende dat problemen in die gremia van alle kanten worden omgedraaid, uitgeschud, doorgedacht en binnenstebuiten gekeerd, wie nog hoopte dat dit toch minstens het geval zou zijn als het om oorlog en vrede gaat, die is vorige week een illusie armer geworden.
Het is namelijk niet zo. Dat maakt de uitkomsten van de commissie-Davids die onderzoek deed naar de politieke steunverlening aan de inval in Irak zo verontrustend. De commissie heeft een klap uitgedeeld, midden in het gezicht van de politiek.
Het idee dat de Tweede Kamer daadwerkelijk kan controleren wat een kabinet doet, blijkt afhankelijk van de welwillendheid en de goede trouw van het kabinet én de regeringspartijen. Dat lijkt een open deur, maar dan wel een die meteen duidelijk maakt dat achterhouden van informatie, zeker in combinatie met zich monistisch opstellende regeringsfracties, de democratie ondermijnt. Het fundament is vertrouwen; wordt dat geschaad, dan stort het bouwwerk, bedoeld om de macht te controleren, in.
Als kabinet en regeringspartijen zich samen verschansen achter een eenmaal ingenomen standpunt, constateert de commissie, ‘komt een werkelijke gedachtewisseling niet van de grond’. Volgens het eindrapport van de commissie komt het 'misschien daardoor dat het Irak-debat in de Tweede Kamer op den duur begon te lijden aan een zekere intellectuele bloedarmoede’.
Dat verschansen was in dit geval niet alleen het wegkruipen achter het eigen standpunt, zo overtuigd van het eigen gelijk dat men er niet van wilde wijken. Daar zou nog iets voor te zeggen zijn. Nee, de schansen rondom dat eigen standpunt werden aan alle kanten opgetrokken door onwelgevallige informatie buiten de orde te plaatsen en hinderlijke discussies niet aan te gaan. De vraagtekens die de juridische afdelingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Defensie plaatsten bij het volkenrechtelijk mandaat voor de inval kwamen niet in de kraam van CDA, VVD en LPF te pas en kwamen daarom de rest van de Kamer niet ter ore. Toen het toenmalige PVDA-Kamerlid Bert Koenders, nu minister van Ontwikkelingssamenwerking, vroeg om een spoedadvies van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken over de adequaatheid van het mandaat, werd dat bewust als overbodig aangeduid, hoewel er aanvankelijk een ambtelijk advies lag om positief te reageren op Koenders’ verzoek. Bewust ook werd de zin die de Kamer erop wees dat ze zelf ook om zo'n advies kon vragen weggelaten uit het antwoord aan het parlement.
Ook nuanceringen van eigen inlichtingendiensten over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak werden van de Kamer weggehouden. Het verzoek vanuit het parlement om inzage in de informatie waarop de stelligheid was gebaseerd dat het Irak van Saddam over massavernietigingswapens zou beschikken, werd stelselmatig geweigerd.
Zoals de Kamer ook het verzoek van de VS om militaire bijstand werd onthouden in een stadium dat de oppositiepartijen een beter inzicht hadden gehad in de échte bedoelingen van de VS, hadden ze daarvan geweten. Helemaal in lijn daarmee is het angstvallig vermijden van de woorden regime change door het Nederlandse kabinet, terwijl het wist dat dit wel degelijk een gevolg zou zijn van de inval in Irak.
Ook kreeg de Kamer niet te horen dat het stationeren van de Nederlandse Patriots in Turkije intern al werd gezien als het instemmen met de inval en zelfs een verband had met het verzoek om een militaire bijdrage daaraan. Ook toen werd die stationering nog aan het parlement verkocht als het opvoeren van de druk op Irak om wapeninspecties toe te staan.
Ook binnen het kabinet werden lastige vragen uit de weg gegaan. CDA-minister Maria van der Hoeven vroeg om aandacht voor de invloed die militaire acties zouden kunnen hebben op de situatie in het Midden-Oosten. Maar, zo concludeert Davids, over 'de weerslag van dit soort acties op de Arabische wereld’ is nooit ten principale gedebatteerd binnen het kabinet.
Premier Balkenende zei in zijn reactie, die vorige week het kabinet deed wankelen, destijds naar eer en geweten te hebben gehandeld. Dat is een uitspraak die van toepassing is als je alles vooraf open en eerlijk hebt afgewogen maar na afloop toch moet erkennen dat er iets fout is gegaan. Bijvoorbeeld omdat er nieuwe informatie is gekomen nádat de beslissing is genomen. Maar die nieuwe informatie is er voor de persoon Balkenende niet. Dat is nu juist wat de commissie-Davids aan het licht brengt.
Na het beslechten van de zoveelste hoog opgelopen ruzie binnen het kabinet is nu afgesproken dat het rapport-Davids leidend zal zijn bij de echte, inhoudelijke kabinetsreactie, begin februari. Willen CDA, PVDA en ChristenUnie daar samen uitkomen, dan is daar niet minder dan een wonder voor nodig, het wonder van het toegeven door Balkenende van een kardinale fout. Want de wetenschap van nu waarmee het besluit van toen moet worden bekeken, is de wetenschap dat het vertrouwen tussen kabinet en parlement willens en wetens is geschaad. Niet alleen Balkenende’s stijfkoppigheid zit dit wonder in de weg. Als het zou geschieden, kan dat kardinale gevolgen hebben voor hem, dus voor het kabinet en dus ook voor de PVDA, die niet op de val van een kabinet zit te wachten.
Natuurlijk is er altijd nog de uitweg van de ingewikkelde tekst, met onnavolgbare draaiingen, waar het kabinet zich dan in het debat met behulp van eveneens ingewikkelde tekstexegeses achter verschanst. In de Kamer kruipen de regeringspartijen dan bij het kabinet achter de verschansing en reduceren de oppositiepartijen het debat tot de val van Balkenende. Om daarmee Davids’ belangrijkste constatering nog een keer werkelijkheid te doen worden.