Het proces tegen de beulen van Bergen-Belsen

Scharführer X

Abel Herzberg, die een tijdlang voor de Joodse Raad had gewerkt, belandde in de Tweede Wereldoorlog via Westerbork en Buchenwald in Bergen-Belsen. Na de oorlog schreef hij voor De Groene over zijn ervaringen - ‘Scharführer X’ was de eerste van vele.

Medium josefkramerarrest2
Josef Kramer, vlak na zijn arrest. 17 april 1945. © United Kingdom Government

Joseph Kramer, de commandant van Bergen-Belsen, en een aantal leden van zijn commando staan terecht, en allerlei vragen die reeds in velen onzer gerezen waren, vlammen op. Men kan namelijk niet roerloos in de krant het portret aanschouwen van de man tot wiens slachtoffers men heeft behoord of onbewogen blijven bij het lezen van de feiten, die hem en zijn helpers worden ten laste gelegd, als men deze in al hun gruwelijkheid zelf heeft zien bedrijven.

Maar het zijn toch die feiten niet, niet het gebeuren, die het duidelijkst voor de geest blijven staan. Veeleer zijn het enkele momenten die door de een of andere onnaspeurbare oorzaak onvergetelijk blijven. Wij herinneren ons het verleden in close-ups. Bijvoorbeeld een sergeant (in de taal der nazi’s een Scharführer) lachend op de fiets door een veld van uitgemergelde naakte lijken. Zo blijft mij ook de uitdrukking bij op het gelaat van een luitenant, een lange, jonge kerel, die in gezelschap van een uniform met rode revers, waar een generaal in zat, het kamp was komen bezoeken. Het was een uitdrukking van geluk, van stralend machtsbewustzijn, van overmoed, hoog zich verheffend boven de groepen groezelige, hongerige vrouwen, schichtig-nieuwsgierige kinderen en sjofele mannen, die half angstig, half verbeten, de pet afnamen. ‘Hier heersen wij’ – zei dit gelaat – ‘soeverein, ver van de weg, ver van het medeweten en de inmenging van enig mens, over de ellende, die ons goed doet, over ziekte en dood, die wij hebben veroorzaakt, en die ons thans als trouwe knechten hebben te huldigen.’

Ik zie een in alle haast ontruimde barak van het Altersheim, waar stervende oude vrouwen, na van hun laatste brood bestolen te zijn, uit drie-hoogbedden op de grond waren gesmeten (door Häftlinge overigens!) en waar te midden van een chaos van potten, schalen, kroezen, scherven, smerige kleren, half vergane schoenen, verscheurde lappen, beschimmelde koffers, uit elkaar gevallen rugzakken en hopen stinkend vuil, een oud besje met naakt onderlijf lag te zieltogen. Een paar SS-officieren kwamen poolshoogte nemen. Ze lachten, ze waren tevreden. ‘Die Sache hat geklappt.’

Wat ze gedaan hebben, de nazi’s, en waarvoor ze terechtstaan, dat hebben ze met vreugde en met wellust gedaan. Er was geen sprake van enige aarzeling of bedenking, laat staan van enig terugschrikken voor het uiterste en het ergste. Er was niet eens sprake van onbewogenheid of onverschilligheid. Zij gingen de weg ten einde. Er was meedogenloze wreedheid en een groeien daarin, een welbehagen daarover, er was overal en altijd de wrange grijns van het leed-vermaak over de huilende jammer beneden hen, onder hun onberispelijk gepoetste laarzen. En alleen een enkele keer kon men een eenvoudig soldaat horen mompelen: ‘Junge, junge, das is doch ooch a Mensch.’ Maar dat was uitzondering. Alles wat een rang had, de Scharführer in de eerste plaats met wie de gevangenen bijna uitsluitend in aanraking kwamen, gnuifde en verkneukelde zich hoe langer hoe meer, en hoe wreder het toeging, hoe meer pleizier hij had, en zij joegen elkander en zichzelf op om wreedheid door groter wreedheid te doen over-treffen, te sarren, het leven van joden en Häftlinge (politieke gevangenen) te vergiftigen, en waar honderden, later duizenden en tienduizenden wegkwijnden en stierven door honger, uitputting, luizen tyfus en dysenterie, daar juichte hun hart.

Telkens dachten wij: het kan niet erger, en dan werd het toch erger. Voor de Duitsers waren er nooit kadavers genoeg.

Hoe is dat mogelijk geweest? Hoe kunnen mensen tot zodanige laagheid vervallen, mensen nog wel van een volk dat nog niet zo heel lang geleden van cultuur niet verstoken is geweest?

Wanneer men antwoordt dat wij met misdadigers te doen hebben, is dat een kwalificatie en geen verklaring. En wij zouden daarmede nog vrede kunnen hebben indien het individuele gevallen gold. Maar het gaat niet om enkelingen of tientallen, maar om een volkskern van honderdduizenden en wellicht miljoenen, zo niet om de meerderheid van een groot volk. Vergeten wij vooral niet dat de zaak met haat en verguizing, met represailles en met straf – waarover wij het hier niet willen hebben – niet is afgedaan. Het is van het grootste belang te weten wat dat voor een mens was, die Joseph Kramer of de Scharführer Heinz en Fritz en Rau en Lübbe of de Sturmführer X of N. Het gaat namelijk niet om de beoordeling van hem, maar van ons.

Is hij een Duitser en is hij elders ondenkbaar? Of kan hij, of iemand die op hem lijkt, onder bepaalde omstandigheden overal voorkomen?

Wij zijn, naar ik vrees, maar al te gauw geneigd hem een Duits monopolie te verlenen. Dat is op zichzelf begrijpelijk genoeg. Ten eerste wassen wij ons zelf daarmee schoon. Als wij zeggen dat hij een Duitser is, bedoelen wij dat wij ons zelf niet in staat achten in die mate te degenereren als hij. En daarenboven begrijpen wij hem niet, noch de zinledige en nutteloze wreedheden die hij begaan heeft. En wij kunnen moeilijk als algemeen menselijk aanvaarden wat wij niet begrijpen. Alleen die eigenschappen, driften, hartstochten, krachten, zwakheden, die op de een of andere wijze ook in ons leven, zij het dan alleen slapend, kunnen wij begrijpen. Daarom kunnen wij de literatuur volgen van ons overigens volkomen vreemde volken en tijden. Daarom ook kunnen wij vertalen. Daarom is er een algemeen internationaal verkeer mogelijk. Van Joseph Kramer of de SS-man X daarentegen begrijpen wij niets. Het is of wij voor een krankzinnige staan die in een geheel andere wereld leeft. En daaruit concluderen wij dat hij principieel anders moet zijn dan wij.

Maar als wij nu toch eens iets van hem konden begrijpen? Als wij – niet te zijner verdediging – die ons verre kan liggen – maar ter wille van ons zelf en onze zuiverheid zouden proberen door te dringen in zijn aanvankelijk ondoordringbare natuur? Er is misschien wat zelfoverwinning toe nodig, maar het kan de moeite waard zijn.

Nu ben ik geen psychiater en ik kan niet verder komen dan de indruk van een leek die, zelfs als hij tegen de grond geslagen wordt, de belangstelling niet verliest voor zijn tegenstander, omdat hij weet dat deze belangstelling de eerste voorwaarde is om te zijner tijd raak en juist terug te slaan. Daarom is deze indruk misschien niet geheel zonder belang.

En deze indruk is dat Scharführer X niet met een gewoon misdadiger op één lijn kan worden gesteld. Er zijn er natuurlijk onder. Er zijn er voor wie de SS de gelegenheid werd om straffeloos iedere misdadigheid bot te vieren, daarvan een goede broodwinning te maken en er nog eer bij te behalen ook. Maar de grote meerderheid is anders.

Scharführer X is… niets. Hij is leeg. Men heeft hem idealisme toegedacht. Hij bezit dat niet. Men heeft hem opvattingen toegeschreven. Hij miste ze. Men heeft in hem tenminste vaderlandsliefde of nationaal enthousiasme willen ontdekken. Hij heeft er geen zweem van.

Hij heeft een maag, een hart, longen, darmen, nieren en hij stelt er bijzondere prijs op deze behoorlijk te doen functioneren. Dientengevolge zijn zijn natje en zijn droogje hem heilig. Voor het overige is hij een ding. Leeg.

Menige politieke partij heeft op de leegte gespeculeerd en daarmede tijdelijk succes gehad, maar de nationaal-socialistische heeft dat consequent gedaan. Uit de leegte is zij opgebouwd, zij, en nog meer dan zij, haar SS.

Want de mens die geen overtuiging heeft, en die niet weet wat hij wil, noch ook voldoende intelligentie bezit om zich een weten te verwerven en die eigenlijk alleen maar wil dat hij niets behoeft te willen, en die de moed niet opbrengt om iets te begrijpen, die man, die bang is in het donker en bang in het licht, die de schemering lief heeft waarin hij voort kan dobberen op het ondiepe, modderige slootwater van zijn gevoel (of van dat wat hij zijn gevoel noemt en wat gemeenlijk niet veel meer is dan een zinnelijke prikkel), dat onvolgroeide kind dat de angst van zijn jeugd nooit kwijt raakt, die stumper, die eigenlijk ‘dood-gewone man’, wat kan hij met zijn angstige, achterdochtige, schichtige en schuchtere ziel in het gewoel van de wereld anders doen dan zich te laten biologeren door de schijnwerpers der altijd weer opkomende krachtpatserij, dan eens van keizers en dan weer van revolutionairen?

Is hij slecht, die ‘doodgewone man’? Welneen. Is hij goed? Ook niet. Hij is geen van beide en beide tegelijk. Hij is een beetje wreed tegen een vlieg en sentimenteel tegen een muis. En nu hebben ze hem gezegd dat hij sterk is en dat kracht is: ‘als je niet bang bent voor bloed’, en nu is hij niet bang. Dat wil zeggen, hij is vreselijk bang en juist daarom slaat hij er maar op los. Hij heeft angst voor zijn angst en dat noemt hij moed.

Hij heeft ook een ideaal. Hij zou zondags op zijn balkonnetje willen zitten, in hemdsmouwen en zonder boord, de radio aanzetten en de kanarie een klontje suiker willen voeren. En daar een mens naar verandering verlangt, zou hij ook wel eens willen pootje baden. Maar ze hebben hem gezegd dat hij een Duitser is en dat Duitsland groot is, en ze hebben over ‘eer’ gesproken. Nu toetert hij maar mee in de fanfare en aangezien hij net zo min als zijn kameraden in staat is zich iets bij de hele zaak voor te stellen, toeteren ze allemaal om het hardst. En zo, om te verbergen dat zij bibberende kinderen zijn, bombarderen zij elkaar tot man. En wat voor een man. Geen man met een confectiepakje an, maar met een uniform.

En dan komt er nog een moeilijk kapittel bij. Een mens is nooit zo doodgewoon, zo leeg, zo dubbel-blank, of hij heeft een geweten. En dat geweten spreekt, spreekt met een oude stem, die hij zich herinnert van de catechisatie in zijn jeugd: ‘Kaïn, Kaïn, waar is Uw broeder Abel?’ En die stem moet worden gesmoord, omdat anders alles verloren gaat, moed en vaderland, fanfare en uniform.

Wee, wee, wee, broeder Abel, als deze stem moet worden gesmoord. Dat moet jij betalen.

En zo ontstaat na de eerste droppel bloed de ene wreedheid na de andere, steeds groter, steeds feller. Men heeft wel gezegd dat Scharführer X gewetenloos zou zijn. Was het maar waar, dan was hij niet zo wreed geworden.

Het is allemaal uit het niets ontstaan. Want aan de aanvang stond geen overtuiging, maar een gebrek aan overtuiging, en dat gebrek heeft een -voortdurend groeiende onzekerheid gevoed, die dan altijd weer door een voortdurend -groeiende schijnzekerheid moest worden gedekt. De infectie was begonnen.

Hij kón helemaal niet anders, Sturmführer N of Scharführer X. Hij was een Golem, een leeg ding met een aan anderen ontleende kracht, die men nu gerust aan zichzelf kon overlaten omdat hij in zijn vernietigingsdrang niet meer tegen te houden viel. Want als hij zich zou laten tegenhouden, of ook maar even weifelen zou, dan zou hij ineen ploffen en daartegen verzette zich zijn instinct tot zelfbehoud.

En zo werd Sturmführer N of Scharführer X die als kind zo laat zindelijk was, als jongetje zo angstig, als scholier zo middelmatig en als man zo ‘doodgewoon’, van lieverlee en voordat hij wist hoe hij het had tot massamoordenaar. En zo komt hij tenslotte voor de beul, die in de geschiedenis altijd staat te wachten op iedere tyrant.

Is dat allemaal nu uitsluitend Duits? Voor een deel vermoedelijk wel, in zoverre als er in Duitsland op grond van de omstandigheden en de historische ontwikkeling een zekere gepredisponeerdheid voor was geschapen.

Maar voor het overige?

Zijn er niet overal wat meer mensen zonder overtuiging – en wat erger is – zonder vatbaarheid voor enige overtuiging, dan men aanvankelijk denkt, ook onder de zogenaamde overtuigden? Bestaat er niet heel wat meer lust aan vervolging en leed dan men zich bewust is?

En het geweten, werkt dat altijd in de gewenste richting en niet vaak genoeg in perverse zin?

En de goden, hebben zij niet overal verschrikkelijke dorst?