Schaterend voorgeslacht

IN DE ZEVENTIENDE eeuw stonden Nederlanders bekend als lachers. In het buitenland zag men een blozend koopmansvolk voor zich, dat ergens tussen kroegbezoeken in zijn geld verdiende en schaterend de kwartaalrekening opmaakte. Aan het einde van die eeuw was het met de humor gedaan. De vrolijke kaaskoppen waren verschrompeld tot zuinige calvinisten.

Onlangs verschenen twee boeken over het lachen van vroeger. Rudolf Dekker schreef ‘een geschiedenis van de humor’ in het Nederland van de Gouden Eeuw. Johan Verberckmoes heeft in zijn 'geschiedenis van het lachen’ de zuidelijke Nederlanden op het oog. De bloeiperiode in het zuiden lag vroeger. En waar in het noorden het calvinisme het geschater doet verstommen, is dat beneden de Rijn eerst de Spaanse overheerser en vervolgens de Contrareformatie. Het zuiden was in de zeventiende eeuw al in de greep van de ernst - althans, dat is het beeld. Verberckmoes wil bewijzen dat 'de wondere kracht van het lachen’ nooit is verdwenen. Dekker is minder ambitieus en wil de lezer tijdens het meelachen iets van de cultuur laten proeven.
OP HET EERSTE gezicht lijkt 'het lachen’ een merkwaardig onderwerp van onderzoek. Tot je het notenapparaat van Verberckmoes bekijkt. In vele talen zijn inmiddels omvangrijke studies verschenen - alleen het Nederlands heeft vooralsnog weinig gezaghebbends voortgebracht. Verberckmoes heeft stellig geprobeerd hieraan iets te veranderen. In Schertsen, schimpen en schateren onderneemt hij een poging om een hele eeuw van zijn stoflaag te ontdoen en tegelijkertijd 'het lachen’ op de geschiedkundige agenda te zetten.
De humor van toen verliep voor een belangrijk deel via het mechanisme van de omdraaiing ('inversie’), bijvoorbeeld een gek die iets slims zegt. Voorts was de humor vaak plat. De plotselinge aanblik van een roze kont ('ontblotingshumor’) kon de zestiende-eeuwer het laten uitgieren, net als een goeie bak over stront ('scatologie’). Inversie, ontblotingshumor, scatologie, het zijn stuk voor stuk begrippen die voor de onderzoeker van humor onontbeerlijk zijn. Maar, aldus Verberckmoes, de verfijning van het instrumentarium van de humoronderzoekers gaat onverminderd voort. Geavanceerd is bijvoorbeeld het onderscheid tussen toe- en uitlachen. Zelf legt de auteur een cruciaal verschil tussen de scherts en de schimp, tussen wat nog net wél en net níet kon worden gezegd. Maar na een 'historische antropologie van het lachen’, 'een fysionomie van het lachen’, 'een diëtiek van het lachen’ begin je te twijfelen of dit hele boek niet een ambitieuze vorm van inversie is.
Zo graag wil Verberckmoes dat we 'de levensbrengende lach’ serieus nemen, dat hij zijn onderwerp zelfs 'fundamentele machtsmechanismen’ laat 'ondergraven’. Als voorbeelden geeft hij martelaars die op het schavot de kerk nog uitdaagden, zoals de ketterse die riep dat je met het Heilige Oliesel beter je schoenen kon invetten. Wil Verberckmoes beweren dat de Reformatie ook doorgang had gevonden als ketters het alleen bij gevatte opmerkingen hadden gelaten? Of dat de Reformatie een fase was in de geschiedenis van het lachen? Als hij alleen heeft willen beweren dat ook in die tijd wel eens humoristische stijlfiguren werden gebruikt, kun je niet instemmend knikken zonder de meerwaarde van dat theoretische geknutsel te betwijfelen.
Een probleem waar Verberckmoes mee kampte, was dat hij 'de vormen van komische communicatie niet in situ kan observeren’. Rudolf Dekker kon dat wel. Toevallig belandde een zeventiende-eeuws handschrift op zijn lessenaar. In de inleiding schrijft Dekker: 'Onder de vage titel Anecdota bleek een verzameling verbazend platte grappen schuil te gaan. Verder lezend ontdekte ik dat de auteur, de obscure dichter Aernout van Overbeke, allerlei bekenden uit zijn omgeving op de hak nam.’ Veel grappen in dit manuscript bestaan dus uit opmerkingen, gemaakt door en gericht tot personen die werkelijk hebben bestaan. Veel moppen zijn pure casuïstiek en bieden een glimp van een feest, een terloopse ontmoeting of een terechtstelling. Dekker las ze en begon iets te begrijpen van een bohémienachtige club vrienden en de cultuur waar zij zich tegen afzetten.
VAN OVERBEKE was advocaat bij het Hof van Holland en had permanent gebrek aan geld. Wellicht dat de Anecdota voor publicatie bedoeld waren, maar zover is het nooit gekomen. Misschien ook heeft Van Oberbeke zijn verhaaltjes opgeschreven voor eigen gebruik. In een kluchtenboek als Het toneel der snaaken stond bijvoorbeeld expliciet vermeld dat onderhavige moppen bedoeld waren als 'bekwaam middel om van alle voorvallende zaken aardiglijk te leren spreken’.
'Het offensief tegen de lach’ dat Verberckmoes signaleert in de zuidelijke Nederlanden, vond tijdens het leven van Van Overbeke ook plaats in de Republiek. Steile predikanten bestempelden goochelaars, dansers, narren en 'jokspeelders’ als eerloze lieden. Etiquetteboeken kondigden reeds de steriele conversatie van de achttiende eeuw aan. Maar waar Verberckmoes de manierenboeken vooral als een sociale werkelijkheid opvat, ontmaskert Dekker ze als voorschriften, en nog weinig meer.
De grappen van Van Overbeke druisen regelrecht in tegen de voorschriften. Als advocaat was hij vaak getuige van terechtstellingen, een vruchtbare ambiance voor leedvermaak. Als een misdadiger de trap naar de galg opliep, moest hij dit achterstevoren doen. De misdadiger die hier, halverwege de trap, op werd gewezen, excuseerde zich: 'Dit is ook pas de eerste keer dat ik dit doe.’ Of de gewoonte van de scherprechter zout in de wonde te smeren. Een misdadiger riep smartelijk: 'Ach meester, niet meer van die zalf.’ Daar kon Van Overbeke hartelijk om lachen.
Lachen in de Gouden Eeuw brengt de schilderijen van Jan Steen tot leven. Het biedt een inkijkje in een cultuur waar de lach in hoog aanzien stond en waar men nog ongevoelig was voor de latere beschavingsidealen. En er valt zelfs wat te lachen.