Schatje

Ik was met een hoofd vol muziek de trein in gestapt. De cellist met wie ik die avond had doorgebracht, had me nieuwe stukken laten horen: een merkwaardige, breekbare melodie was blijven hangen en vormde de grondtoon van mijn stemming. Een melancholische roes, geschikt om een uur lang uit een raam te staren, de donkere nacht in. Maar de jonge man die schuin tegenover me kwam zitten, dacht daar anders over. ‘Je ziet er moe uit, schatje’, zei hij. Ik bestudeerde zijn gezicht. Donkere krullen, een vlassig snorretje en ogen waarin iets gretigs en griezeligs gloeide. Hij ging er eens goed voor zitten. 'Ik kan je verwennen’, zei hij. 'Ik weet hoe ik met vrouwen om moet gaan.’ Ik schoot in de lach, ongewild. 'Ik geloof je graag’, zei ik. 'Maar ik heb geen interesse.’
Buiten trok een lint van lichtjes voorbij, waar ik mijn blik op probeerde te richten. In plaats daarvan zag ik ons weerspiegeld: een man op het puntje van zijn stoel, onophoudelijk starend, en een vrouw met een licht gekwelde uitdrukking op haar gezicht. 'Ik weet wat jullie lekker vinden’, fluisterde hij. 'Zeg maar wat je wilt, schatje.’ Wat is het toch, dacht ik, dat sommige mannen ertoe brengt vrouwen op deze manier te benaderen? Zou er ooit wel eens een vrouw zijn die denkt: god, wat een leuke, spontane jongen, laat ik mijn kleren uittrekken voor hitsige treinseks?
Hij legde één arm om de leuning, misschien om breder te lijken, en vuurde een lome grijns op me af. Negeren, dacht ik. Gewoon negeren. Maar de muziek in mijn hoofd haperde al. Mijn handen begonnen hinderlijk te trillen. 'Wat ik graag wil’, zei ik, 'is dat jij hier nu onmiddellijk mee ophoudt. Ophouden. Snap je dat?’ Hij keek me glazig aan. Toen knikte hij traag, haast bedachtzaam. Bij het volgende station stond hij zonder een woord te zeggen op en verdween uit het zicht. Terwijl de trein optrok dacht ik aan muziek. Ik zocht naar de melodie die ik zo mooi had gevonden. Een flard. Een enkele klank. Maar het bleef stil in mijn hoofd.