Schatjes

De jeugdcriminaliteit stijgt onrustbarend. Maar niet heus. De boefjes zijn hoogstens iets gewelddadiger geworden. En ze komen nog altijd uit verstoorde gezinnen. Dus is hulp in plaats van almaar meer cellen geboden. Een queeste naar de ziel van de jeugddelinquent.
ZO'N KLEIN jongetje en al zo'n dik dossier. Hij zit in een bende, rapporteert de Raad voor de Kinderbescherming, een bende van ongeveer twintig kinderen tussen tien en dertien jaar. In het dorpje Rozenburg, net onder Rotterdam, plegen zij inbraken, dealen softdrugs en bedreigen voorbijgangers. Jasper (13) is een van hen. Hij durft alles, heeft een grote bek, is dus populair.

Zijn moeder heeft onlangs plavuizen laten leggen in de woonkamer, zodat Jasper de vloerbedekking niet nog eens aan flarden kon snijden. Waarop haar zoon toen maar de zolder in de fik stak. Ook heeft hij zijn oudere zus met een mes bedreigd, kinderen op straat aangevallen, fietsen gepikt, hasj gejat en doorverkocht, sieraden van zijn moeder verpatst en winkeldiefstallen gepleegd.
Hij is thuis als wij zijn ouders gaan bezoeken, want de directeur van zijn school is ziek. Jasper moest vandaag maar niet komen, had de school vanochtend telefonisch laten weten - de directeur is de enige daar die hem aankan. Als hij naar beneden komt om kennis te maken, staat daar een tenger kind, grote pretogen onder een baseballpetje. Hij laat een verrassend goede striptekening zien. ‘Die mag je wel houden’, zegt hij nonchalant. Wat meteen zo'n beetje zijn laatste bijdrage aan het gesprek is.
Zijn moeder - geblondeerd, mager en op van de zenuwen - praat des te meer. Ze ratelt tegen Coja Smit van de Rotterdamse Raad voor de Kinderbescherming over Jasper, telg uit haar vorige, mislukte huwelijk, en over haar getergde nieuwe echtgenoot, een forse havenarbeider die zwijgend naast haar zit. Dat joch maakt hem gek, zegt hij na enig aandringen; hij kan er niet meer tegen en heeft alleen nog maar ruzie met zijn vrouw. Jasper heeft zijn petje over zijn ogen getrokken en hangt op de leren bank. Hij doet alsof hij niet luistert.
'Jasper kan niet zeggen: “Het gaat niet goed met mij” - daar is hij nog teveel kind voor’, legt Smit rustig uit. 'En dat heeft hij ook nooit geleerd. Rotzooi trappen en anderen wat aandoen is voor hem de manier om aandacht te vragen.’ De Raad kan niet veel doen op dit moment, zegt ze; ingrijpen wordt pas mogelijk als Jasper op heterdaad wordt betrapt of als iemand aangifte doet. Zijn moeder bijvoorbeeld. Die heeft nog nooit de politie gebeld, geeft ze toe, waarop ze uitroept: 'Daar denk je toch niet aan, om je eigen kind aan te geven!’
'HET MOET eerst echt uit de klauwen lopen voordat Justitie ingrijpt’, verzucht Smit in de auto terug naar Rotterdam. 'Jasper is een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving, hij zal zijn grenzen blijven verleggen. Eigenlijk roept hij heel hard om hulp, maar het is nu wachten tot hij een echt delict pleegt. Wij hebben vaak een strafzaak nodig als drukmiddel om een hulpverleningsplan te starten.’
Smit behoort tot de hulptroepen die uitrukken wanneer een kind zich niet kinderlijk maar crimineel gedraagt. Bij instanties als de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering is men ervan overtuigd dat er iets aan de hand is met kinderen die mensen beroven, met messen zwaaien of auto’s jatten. En dat koste wat het kost voorkomen moet worden dat de junior boefjes van nu de zware jongens van 2006 worden.
De Raad voor de Kinderbescherming neemt het op voor minderjarigen, ook als ze zich misdragen. En er zijn er heel wat die zich misdragen; jeugdcriminaliteit is in Rotterdam, zoals in alle grote steden, een serieus probleem. Driehonderd zaken lopen er op het ogenblik bij de afdeling strafzaken van de Raad, en dat zijn nog alleen die jongeren die door de politie zijn opgepakt. Zij hebben vaak heel wat op hun kerfstok, maar ze hebben ook rechten. Zo zit Peter, vijftien jaar, al weken opgesloten in een politiecel omdat er geen plaats voor hem is in een jeugdgevangenis. Al heeft hij zich dan schuldig gemaakt aan diefstal en mishandeling, van een langdurige eenzame opsluiting bij politieagenten die geen tijd voor hem hebben zal hij alleen maar slechter worden, weten de kinderbeschermers. Dus bewegen zij hemel en aarde om hem daar weg te krijgen.
Peter gebruikt drugs, is agressief en bedreigt zijn moeder. Hij gaat allang niet meer naar school. De Raad weet inmiddels dat Peter van zijn tiende tot zijn twaalfde seksueel misbruikt is door een oom. Hij heeft dat thuis verteld, waarna hij last kreeg van eetproblemen en nachtmerries, en zichzelf begon te verminken - en anderen.
Bijna altijd, weet men zo langzamerhand bij de Raad voor de Kinderbescherming, worstelen kinderen die delicten plegen met tal van problemen. Smit vertelt over Jaspers vader, die een strafblad heeft en zijn zoon vroeger stevig sloeg. Ook zijn vrouw kreeg slaag, tot ze wegliep en Jasper meenam. Maar zij kan haar zoon niet langer aan; hij staat nu op de wachtlijst van een tehuis in Ermelo voor vastgelopen, zwakbegaafde kinderen. Jasper kan niet leren; hij kan, op zijn dertiende, net zijn eigen naam schrijven. Eigenlijk kan hij alleen maar tekenen. 'Zelfs in het speciaal onderwijs moet Jasper een uitzondering geweest zijn met al zijn problemen’, zegt Smit. 'Hij heeft veel meer structuur en begeleiding nodig dan hij daar krijgt, en had dus veel eerder naar een geschikte school of inrichting gestuurd moeten worden.’
VANDAAG verzorgen Dick Looman en Nanna Driessen van de Raad voor de Kinderbescherming de 'vroeghulp’: de eerste hulp bij strafzaken, een soort piketdienst voor minderjarigen. Wanneer een kind door de politie is opgepakt, gaan zij direct poolshoogte nemen op het bureau, om daarvan verslag te doen bij de kinderrechter.
Dick Looman gaat Leendert (17) opzoeken in het Rotterdamse bureau-Oost. Hij zit daar al voor de derde keer. Waar Jasper nog op het randje balanceert, zit Leendert tot over zijn oren in de jeugdcriminaliteit. Zware mishandeling, diefstal, heling - hij heeft het er maar druk mee, want hij moet nog twee keer voorkomen voor akkefietjes uit het nabije verleden en hij heeft er al tachtig uur werkstraf op zitten.
Leendert is een stevige blonde jongen, met het onvermijdelijke baseballpetje op; hij ziet er wat sullig en goeiig uit. 'Maar zo link als een looien deur’, zegt Looman later. 'Vergis je niet. Hij haalt het geld met bakken bij zijn moeder weg.’
Leendert heeft veel geld nodig voor de dagelijkse ontmoetingen met zijn vrienden in het cafe. De honderden guldens zakgeld die hij maandelijks van zijn moeders bijstandsuitkering wist af te troggelen, waren bij lange na niet genoeg voor het bier, de hasj en de Puch waarop hij net als al zijn vriendjes rijdt. 'Het komt allemaal door dat kliekie van hem, hij heeft de verkeerde vrienden’, zegt zijn moeder die snotterend naast haar zoon in de cel zit. 'Die jongen heeft gewoon hulp nodig’, roept ze terwijl ze haar zoveelste shaggie draait, 'het gaat echt niet goed met hem!’ Ze kijkt erbij of het vanzelf spreekt dat die hulp niet van haar kan komen.
Moeder woont met haar vier kinderen op een piepklein flatje in Rotterdam. Ze heeft meerdere huwelijken en relaties achter de rug, en uit een daarvan kwam Leendert voort. Een paar jaar geleden kwam hij erachter dat de stoere bouwvakker die ook hier op het politiebureau zit en die hij altijd als zijn vader zag, pas na zijn verwekking in het leven van zijn moeder kwam. Die ontdekking was het begin van een lange reeks korte schoolcarrieres, van ruzies thuis, diefstal en geweld. Maar nu, zegt Leendert, wil hij 'echt nooit meer’ met de politie in aanraking komen: 'Je wordt gek in zo'n hokkie.’
'Ik denk niet dat er in die jongen echt iets crimineels zit’, zegt Looman als we weer buiten staan. 'Hij is de dupe van de gezinssituatie. Zijn ouders hebben pedagogisch weinig in huis. Ze hebben zelf nauwelijks structuur in hun leven en kunnen dat dus ook niet overbrengen. Hij is wel een risicogeval, type meeloper: grote kans dat hij opnieuw recidiveert. Maar we hebben nog een jaar tot zijn achttiende. Ik heb stille hoop dat we in die tijd nog wat voor hem kunnen betekenen.’ Looman faxt een kort verslag naar de kinderrechter en adviseert jeugdreclassering. Een paar dagen later blijkt dat het advies op de zitting is overgenomen.
En hoe lang zal het nog duren voordat de dertienjarige Jasper voor de rechter staat? 'We moeten nu volhouden’, zegt zijn begeleidster Coja Smit, 'en de periode doorkomen dat hij op de wachtlijst voor die inrichting staat.’ Ze wil Jasper onder toezicht van de Raad laten stellen, wat betekent dat hij zich aan haar aanwijzingen moet houden. Om vijf uur ’s middags thuiskomen, ’s avonds niet de deur uit, en hooguit een keer per week bij zijn weinig zachtzinnige vader op bezoek.
Voor Leendert zal de Jeugdreclassering een behandelplan opstellen. Als een estaffettestokje wordt hij nu doorgegeven aan de volgende hulpverlener, die hem het rechte pad zal wijzen. Want met kinderen kun je nog wat bereiken, die zijn nog bij te sturen, klinkt het keer op keer optimistisch.
'BIJ DIE zeventienjarigen ben je misschien wel te laat’, meent Wim Meeus, hoogleraar Jeugdstudies in Utrecht. 'In de ontwikkelingspsychologie groeit de overtuiging dat de wortels voor jeugdcriminaliteit heel ver terug liggen. Er zijn aanwijzingen dat jongetjes die als kind al gedragsproblemen vertonen, onhandelbaar en agressief zijn, de potentiele klanten zijn voor de latere jeugdcriminaliteit. Je zou dus heel vroeg moeten ingrijpen, als ze tien jaar zijn of nog eerder, maar helaas kan dat meestal pas als het uit de hand loopt. En als het dus te laat is.’
Voor Anja Bogeman, hoofd van de afdeling strafzaken van de Rotterdamse Raad voor de Kinderbe scherming, is dat geen reden om het erbij te laten zitten. 'Natuurlijk is het moeilijk iets te bereiken met hulpverlening en therapie’, zegt zij, 'maar je hebt een zekere inspan ningsverplichting. Als je een kind alleen maar opsluit, weet je in ieder geval zeker dat hij niet zal leren zich een volgende keer te gedragen.’
Jeugdcriminaliteit, relativeert Meeus, heeft vaak een 'exploratiefunctie’: 'Jongeren proberen uit te zoeken hoe ver ze kunnen gaan, en ze willen scoren bij hun leeftijdgenoten. Wij noemen dat identiteitsstrategieen. Het is tamelijk ongereflecteerd gedrag, dat bij de meeste jongeren vanzelf overgaat.’ Inderdaad komt de helft van de jeugdcriminaliteit voor rekening van 'gelegenheidsdelinquenten’. Voor de andere helft is een veel kleinere groep 'gewoontedelinquenten’ verantwoordelijk. Dat is de harde kern, zegt Bogeman: 'Jongens die op hun zeventiende al zo gepokt en gemazeld zijn dat je niets meer bij ze kunt bereiken.’ Ondertussen is ruim 85 procent van de kinderen nog altijd gewoon kind, zonder noemenswaardige problemen en zonder iets met politie, justitie of reclassering te maken te hebben.
Jeugdcriminaliteit is een rekbaar begrip. Zowel het meisje dat een lippenstift steelt als de jongen die ’s nachts auto’s kraakt, maakt zich er schuldig aan. Het is niet toevallig, meent Meeus, dat het overgrote deel van de daders zestien of zeventien jaar is - dus op het hoogtepunt van hun puberteit. 'Soms is er inderdaad sprake van pubergedrag’, zegt Bogeman; 'kinderen verkennen op deze leeftijd nu eenmaal hun grenzen. Maar net als spijbelen moet je het plegen van delicten vaak als een signaal voor problemen zien. En daar moet je dan ook iets aan doen. Je moet een tik uitdelen, maar als je niet ook het probleem wegneemt, weet je dat zo'n kind het morgen weer doet. Een geregeld leven met school, werk of andere bezigheden: dat is de basis waaraan wij proberen te werken. Zodat zo'n kind zelfstandig in de maatschappij kan komen te staan.’
'HET BEGINT een aardige waslijst te worden, meneer Arends’, zegt Nanna Driessen van de Raad voor de Kinderbescherming tegen Jeroen (17). Een gewone jongen met kortgeknipt haar, een geruite bloes, spijkerbroek en Nikes; hij zou niet uit de toon vallen in een heel andere omgeving. In de kantine van een havo bijvoorbeeld, of van een hockeyclub. Maar we drinken koffie met Jeroen Arends in de kale advocatenkamer van politiebureau De Slinge. Driessen komt bij hem langs voor de vroeghulp. Hij is al eens eerder opgepakt voor diefstal, heling en vernieling. Sindsdien heeft hij alweer 35 brommers en een motor gejat, en in drie scholen ingebroken. 'Ik had net werk gevonden toen ze me arresteerden’, zegt Jeroen, 'ik zit nog in mijn proeftijd.’ 'Dus je zit hier je toekomst te verzieken?’ stelt Driessen. 'Als ik dat werk kwijtraak, heb ik helemaal niks meer’, klinkt het mat.
In een uur moet Driessen een beeld van hem zien te krijgen. 'Het is een spel’, zegt ze. 'Ik moet altijd snel beslissen of ik stoer terugdoe of dat ik op de sentimentele toer ga.’ Jeroen benadert ze 'op het gevoel’, zoals ze achteraf zegt. Ze is ernstig en belangstellend en krijgt hem daarmee aan de praat. Hij blijkt talloze scholen afgewerkt te hebben, mocht op sommige maar een dag blijven. Hij kon niet goed leren, spijbelde veel en belandde uiteindelijk op een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. 'Ik was altijd aan het vechten’, zegt hij met nauwverholen trots, 'zelfs de grote jongens waren bang voor mij.’
Jeroen woont sinds kort bij zijn vader omdat hij altijd ruzie had met zijn moeder en haar nieuwe vriend. Maar pa is er bijna nooit, die zit vaak weken achtereen in het buitenland voor zijn werk. Een simpel woordje op de vragenlijst die Jeroen moet invullen, illustreert zijn thuissituatie: 'Onderneemt het gezin gezamenlijk vrijetijdsactiviteiten?’ 'Nee’, staat daar in hanepoten achter.
'Eigenlijk ben je best zelfstandig’, zegt Driessen. 'Ik moet wel, he’, antwoordt Jeroen schouderophalend. Ook 'dat jatten’, zegt hij, deed hij meestal alleen. 'Ben je zo'n eenling?’ vraagt Driessen. 'Best wel’, mompelt hij, om er dan opeens bitter aan toe te voegen: 'Je hebt geen vrienden joh, alleen maar kennissen.’ Driessen zwijgt even verbouwereerd en zegt dan op de man af: 'Ik vind je een beetje eenzaam.’ Zijn gezicht vertrekt en er komen tranen in zijn ogen. 'Kan best’, zegt hij kortaf. 'Ik maak me daar niet druk om, hoor.’ Hij staart voor zich uit en zegt dan zwakjes: 'Misschien doe ik daarom wel die dingen.’
Jeroen houdt het haast niet uit in de cel waar hij al drie nachten zit, vertelt hij. Maar hij is vooral bang wat hem verder te wachten staat. Wat is dat, een 'offistier’, vraagt hij wel drie keer, en wat gaat die met hem doen? Moet hij naar de gevangenis? En hoe lang dan? Driessen legt hem uit dat de kinderrechter dat beslist, en dat zij jeugdreclassering zal adviseren. 'Wil je dat? Iemand die je helpt, die niet boven je staat maar naast je?’ 'Vind ik wel goed’, zegt hij, 'misschien leer ik er wat van. Ik ben toch een boerenlul, dat ik al die dingen gedaan heb.’ 'Nou,’ zegt Driessen, 'maar ik vind je ook een toffe knul.’ Waarop hij weer vecht tegen de tranen.
Als we afscheid nemen is hij weer de stoere Jeroen. 'Doei he’, zegt hij kortaf, en sloft achter een agent aan, terug naar zijn cel.
ZE WILLEN allemaal veel geld, om veel uit te gaan, veel te drinken en veel te blowen. Om rond te lopen op Nikes en rond te rijden op een Puch. 'Jongeren zijn absoluut materialistisch’, zegt Meeus, 'maar zo worden ze ook opgevoed. Ze krijgen de boodschap mee dat je vooral veel consumentengoederen hoort te hebben. En als je daarvoor een beetje moet jatten, ach. Wij zijn een los volkje. De publieke moraal in Nederland is dat je je niet helemaal aan de regels hoef te houden, niet in het verkeer, niet bij de belastingdienst, en dat kleine diefstalletjes er een beetje bij horen.’
De normen zijn rekbaar en de etalages liggen vol. 'Een gelijktijdige toename van verleiding en afname van controle en beperkingen’, signaleert de socioloog Kees Schuyt in zijn vorig jaar verschenen rapport Kwetsbare jongeren en hun toekomst. Individualisering, het verdwijnen van sociale controle en het vervagen van waarden geven volop kansen en weinig houvast aan jongeren die 'hun grenzen aan het ontdekken zijn’.
Negentig procent van de jeugddelinquenten zijn jongens; de meesten van hen zijn tussen de vijftien en zeventien jaar, laag opgeleid, en hebben problemen op school en thuis. Het lijkt wel of ze stuk voor stuk een ongelukkige jeugd hebben (gehad). Een mooi excuus? Nee, zegt Anja Bogeman, maar wel een verklaring. 'Natuurlijk weten deze kinderen best dat ze grenzen over schrijden. Maar je ziet wel heel vaak dat er iets is misgegaan in hun vroege jeugd, of dat hun ouders niet in staat zijn hen te sturen en liefde te geven.’
In de huidige hausse aan media- aandacht voor de criminele jeugd hoor je daar niet veel over. De nadruk ligt veelal op het schandaal, de onverschilligheid van de daders, 'het koele geweld van jonge jongens’, zoals Vrij Nederland onlangs kopte. En op de vermeende verontrustende toename van de jeugdcriminaliteit. Die wordt echter niet door de statistieken gestaafd. In 1982 werden 50.000 minderjarige verdachten door de politie gehoord, nu zijn dat er zo'n 40.000. Die daling houdt ongeveer gelijke tred met de demografische ontwikkelingen.
'DOOR DE toegenomen aandacht lijkt het probleem gegroeid’, zegt Meeus, 'maar in Nederland heeft de jeugdcriminaliteit zich vanaf de jaren tachtig gestabiliseerd. In de jaren zeventig was het wel behoorlijk toegenomen, maar pas nu is er zo veel belangstelling voor. Criminaliteit is een issue - kijk naar de IRT- kwestie. Bovendien wordt in alle moderne westerse landen ellende vaak gekoppeld aan jongeren. Jongeren zijn problemen.’
'De politiek zit met de jeugd in haar maag’, schrijft Theo Doreleijers in zijn proefschrift over jeugdstrafrecht en hulpverlening. 'Dat blijkt al uit het feit dat er in de laatste jaren achttien rapporten verschenen zijn over problematische jeugdigen en de jeugdzorg.’
Op het ministerie van Justitie geeft men toe dat niet zozeer het aantal delicten van minderjarigen is gestegen, maar wel de ernst van de zaken. Het overgrote deel (62 procent) betreft al jaren vermogensdelicten, maar het aantal geweldsmisdrijven is toegenomen. Meeus bevestigt dat aarzelend. 'Er is een zekere toename van geweldscriminaliteit, maar dat is zo'n klein percentage - ik vraag me af hoe betrouwbaar die gegevens zijn.’
De ernst van de misdrijven van jongeren is dus wat toegenomen, evenals de ernst van hun problemen. 'Het dagelijks leven van de ongeveer twintigduizend jongeren die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de kleine criminaliteit’, schrijft criminologe Femke Halsema in haar recent verschenen boek Ontspoord!, 'wordt beheerst door tal van sociale problemen. Velen gokken, gebruiken drugs en hebben nauwelijks meer een band met de conventionele samenleving.’ Zij hebben weinig scholing, weinig sociale vaardigheden, en dus weinig kans om een plaatsje te veroveren in de prestatiemaatschappij, aldus Halsema.
Geen wonder dus dat het percentage allochtone jongeren onder de jeugddelinquenten zo schrikbarend hoog is. Schuyt legt in zijn rapport een rechtstreeks verband met hun gemarginaliseerde positie. Kinderen van allochtone afkomst hebben veel integratie- en generatieproblemen, ze hebben de meeste psychosociale problemen van alle jongeren, de laagste opleidingen en de minste kans op werk. Zij zijn, aldus Meeus, 'de onderklasse van deze tijd’. Bij de Rotterdamse Raad voor de Kinderbescherming bijvoorbeeld staat op zestig procent van de dossiers een allochtone naam. Maar oerhollandse klantjes als Jasper, Leendert en Jeroen maken duidelijk dat het niet aan de huidskleur maar aan de omstandigheden ligt.
Terwijl de aandacht voor jeugdcriminaliteit is gestegen, is de tolerantie afgenomen. 'Er wordt veel overlast ervaren’, zegt Anja Bogeman. 'Waar we vroeger last hadden van pubers, benoemen we dat nu eerder als overlast waarop met het strafrecht moet worden gereageerd.’ Jeugdcriminaliteit wordt niet zozeer als een maatschappelijk, maar vooral als een justitieel probleem gezien. Dat blijkt ook uit de aanscherping van het jeugdstrafrecht. Sinds september vorig jaar kunnen zestien- en zeventienjarigen maximaal twee jaar cel krijgen, waar dat voorheen een half jaar was. Bogeman: 'Er zit een enorme verharding in de nieuwe wet. We roepen met z'n allen dat minderjarigen zoveel mondiger zijn geworden, maar dat moet zich niet vertalen in langere straffen. Je moet kijken wat je nog met ze kunt om het ten goede te keren. Van zitten wordt niemand beter - ik moet het eerste rapport nog zien waaruit blijkt dat van gevangenisstraf iemand opknapt.’
Ook Doreleijers betreurt het dat de politiek 'kiest voor almaar meer cellen, terwijl op de jeugdhulpverlening voortdurend bezuinigd wordt’. Het huidige beleid is, zo schrijft hij, 'meer gericht op het maatschappelijk belang (algemene preventie van recidive) dan op het belang van de jongere met zijn problemen.’
VANONDER zijn petje staart Leendert onwennig naar maatschappelijk werkster Arianne Breddels. Het is vrijdag, een paar weken later. In de agenda van de Rotterdamse Jeugdreclassering staan de namen van Leendert en Jeroen. Zij komen vandaag kennismaken, voor een begeleiding die wel twee jaar kan gaan duren. Leendert heeft van de kinderrechter een maand voorwaardelijke gevangenisstraf gekregen, negentig uur dienstverlening en jeugdreclassering. 'Dat is’, legt Breddels hem uit, 'eigenlijk ook een straf. Je moet je aan de afspraken met ons houden, dat is je opgelegd door de kinderrechter.’ Die was, zegt ze, verbaasd geweest over Leenderts waslijst aan delicten. 'Hoe heeft dat nou allemaal kunnen gebeuren?’ vist ze voorzichtig. Met moeite krijgt ze uit hem dat hij minstens jaarlijks van school werd gestuurd, dat hij een paar jaar niet thuis heeft gewoond, dat hij het niet kon geloven toen hij hoorde dat zijn vader zijn vader niet was. 'Toen ben ik begonnen al die dingen te doen.’ Waarom, dat weet hij niet. Veel belangrijker vindt hij nu dat zijn zusje er niet achter komt. 'Ik wil niet dat zij ook die pijn heb.’
Jeroen krijgt Alzira Freire als begeleidster bij de Jeugdreclassering. Ook daar is het aantal allochtone kinderen ver in de meerderheid. 'Maar ik heb de laatste tijd steeds meer van die blanke jongens uit keurige buitenwijken’, zegt Freire. Jeroen ziet eruit om door een ringetje te halen. Nat haar van het douchen, sjiek leren jack (vierhonderd gulden, vertelt hij erbij). De 'offistier’ heeft een half jaar tegen hem geeist; binnenkort is de uitspraak. Hij maakt zich grote zorgen, praat in zijn opwinding steeds platter Rotterdams. 'Moet ik dan een half jaar zitten? En mag ik dan nooit naar huis? Daar zit ik over in, weet je. De mens is bang om opgesloten te worden, ja toch?’
We verlaten na het gesprek samen het gebouw en nemen de metro naar het centrum van Rotterdam. Daar, onder de grond, vertelt Jeroen hoe kwaad zijn vader was toen alles uitkwam. 'Maar die was vroeger ook geen lieverdje, hoor.’ Hij is er trouwens toch nooit, Jeroen denkt erover maar weer bij zijn moeder te gaan wonen. Als hij nou maar een vriendinnetje had - ja, dat zou hij wel willen. Dan had hij iets om naar uit te kijken, dan zou hij vast niet 'van die rare fratsen’ uithalen. Hij vertelt hoe het was om zo'n school binnen te gaan, midden in de nacht, in zijn eentje. De kick, de adrenaline die dat geeft - hij gaat er helemaal van stralen. 'Je oren’, doceert hij, 'die zijn het belangrijkst. Je moet gewoon heel goed luisteren. En als je dan thuiskomt en je hebt er weer een computer bij, dan is dat kicken hoor.’
DE ZWAARSTE jongetjes houden zich schuil in de bossen van Breda. Rijksinrichting voor Jongens Den Hey-Acker oogt als de betere kostschool, slechts het enorme hek om het terrein doet vermoeden dat het hier om een tuchtschool gaat. Binnen is het vergeven van de sloten, grendels en camera’s; de ruiten zijn slechts dertien centimeter breed.
Zelfs Andras zou daar niet doorheen kunnen glippen, al is hij maar een paar turven hoog. Dertien jaar is Andras; hij heeft grote bruine ogen en het postuur van een kind van tien. Maar dat zegt niks, zegt zijn begeleider Henk, het zit ’m echt niet in de lengte. 'We hadden hier een keer een jochie van twaalf die het brein was achter een hele bende.’ De Joegoslavische Andras heeft al een aardig aantal inbraken op zijn geweten. 'Ik had geld nodig’, verklaart hij.
Op het ogenblik verblijven tachtig jongens in Den Hey-Acker. Ze dragen allemaal dezelfde kleren - spijkerbroek, T-shirt, schipperstrui. In groepjes van tien worden ze de hele dag bewaakt en beziggehouden op verschillende units: gesloten afdelingen waar een soort gezin wordt nagebootst, met een eigen kamer - of liever: cel - voor ieder kind, een eetruimte, zithoek met tv, tafeltennistafel en een keukentje.
We draaien een dagje mee op unit vier - 'de troepgroep’, grijnst begeleider Henk. 'Het is hier wel klote, hoor’, zegt Erik (16). 'Je kan niet eens naar buiten kijken door die kutraampjes.’ Erik is onlangs in zijn woonwagen van zijn bed gelicht wegens autodiefstallen en inbraken. Hij had al eerder vastgezeten voor achttien zaken. 'Niet veel van geleerd he’, grijnst hij. 'Ik reken nu op een jaar of twee. Maar zitten helpt toch niet. In zo'n gevangenis ontmoet je andere jongens en doe je ideeen op.’ Hij laat zijn kamertje zien, dat afgezien van de playmates aan de muur een kaal hok is met alleen een bed, een tafeltje en een toilet. 'Dit is de laatste keer’, zegt Erik vastberaden; 'als ik vrijkom wil ik mijn lasdiploma halen, een baan zoeken en bij mijn vrienden uit de buurt blijven. Dan komt alles goed, dat weet ik zeker.’
Nooit meer, echt de laatste keer - de hele dag klinkt die zin uit diverse jongensmonden. Zou het? Bekend is dat twee derde recidiveert. 'Wij kunnen hier niet zoveel aan ze sleutelen, het is allemaal gepiel in de marge’, zegt begeleider Paul. En zijn collega Henk: 'Wij zijn de laatste schakel - denk maar niet dat wij heiligen van ze kunnen maken.’
'Je moet ervan uitgaan dat je zo'n kind nog wat kunt leren en dat je nog niet met een misvormde persoonlijkheid te maken hebt’, zegt plaatsvervangend directeur Eric Bouwsma. 'Aan een jongen van zestien met een slecht ontwikkeld geweten valt nog wel wat te schaven. In de bajes verharden ze, maar hier worden ze niet alleen maar opgesloten. Wij zijn de hele dag bezig met sociale vorming, met onderwijs, sport, houtbewerking, corvee. En ze moeten normaal met ons en met elkaar omgaan. De maaltijden zijn vaak nog de belangrijkste leermomenten.’ Niet zelden, vertelt Bouwsma, vinden de jongens het hier zo goed toeven dat ze niet meer weg willen. 'Velen hebben het hier beter dan ze het ooit gehad hebben, en vinden houvast en rust na de ellende waar ze uit komen.’
Bouwsma gelooft heilig in de pedagogische aanpak van de Bredase inrichting en wil die nog verder uitbreiden. Door bijvoorbeeld een 'arbeidsmarktgerichte leerweg’ aan te bieden. Helaas, zegt hij, krijgt het jeugdbeleid van Den Haag echter 'steeds meer gevangenistrekjes’; 'Het pedagogische aspect moet steeds meer concurreren met bezuinigings- en beveiligingsmaatregelen.’
UNIT VIER gaat aan tafel. De pot schaft vandaag runderlapjes met worteltjes en rijst. Andras kijkt vies en neemt alleen rijst met veel ketjap erover.
'Iedereen hier is kleptomaan, maar ik ben pyromaan’, giechelt Leo (17) met volle mond. Hij heeft voor miljoenen in rook laten opgaan in het Brabantse dorp waar hij vandaan komt. Leo heeft 24 maanden gekregen, vertelt hij, omdat hij zo stom was om tegen de kinderrechter te zeggen dat hij het 'wel kicken’ vond, brandstichten. 'Maar als ik stop met drinken gebeurt het nooit meer’, bezweert Leo, die in behandeling is bij het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs.
'Jij wilde alleen maar vlammetjes zien, ik heb tenminste geld op de bank als ik thuiskom’, roept Ahmed, op unit vier ook wel 'het opperhoofd’ genoemd. Toen hij nog op het LBO zat, pocht Ahmed, blowde hij elke dag voor vijftig gulden de lucht in. Hij heeft een woning leeggeroofd, om vervolgens bij de pizzeria ernaast een greep in de kassa te doen. Het leverde hem 17.000 gulden op. 'Jatten’, zegt het opperhoofd, 'zit in ons bloed.’ 'Nee man’, roept Leo kwaad, 'dat zit in je kop!’
'Het zijn geen makkelijke jongens, ze zijn een eind de weg kwijt’, zegt begeleider Paul. 'Maar ze hebben het geen van allen zo gewild, het is allemaal ellende, ongeluk en pech - vooral bij de allochtone jongens.’ Ongeveer zeventig procent van de jongens op Den Hey-Acker is van allochtone herkomst. 'Antillianen en Marokkanen zijn de moeilijkste groepen, die zijn ook het minst ver met hun emancipatie in de Nederlandse samenleving’, zegt Bouwsma. Zijn pupillen, vervolgt hij, realiseren zich vaak niet wat ze gedaan hebben. 'Ze spelen cowboytje en hebben geen idee van de impact, zijn stomverbaasd dat iemand dood blijft liggen als je met een pistool schiet.’
'Deze jongens hebben niet bepaalde eigenschappen, ze missen een aantal eigenschappen’, zegt de Amsterdamse psychologe Judith Markus. Zij heeft langere tijd een groep van ruim tweehonderd jongens in justitiele jeugdinrichtingen gevolgd en onderzocht. Bij velen ontbreekt volgens Markus sociaal gevoel, empathie, inlevingsvermogen. 'Dat is ze thuis nooit aangeleerd.’ De band die de meesten met hun ouders hebben is beroerd, zo komt naar voren uit Markus’ proefschrift over jonge mannelijke delinquenten. 'Er is door hun ouders vaak niet naar ze omgekeken, en op school zijn ze lastig. In intelligentie weken de jongens die ik onderzocht heb niet af van de gemiddelde Nederlander, wel in opleidingsniveau: een kwart zat op een te laag schooltype voor hun IQ. De meesten hadden ook een abnormaal grote behoefte aan spanning en bravoure. Ze komen uit een soort subcultuur waarin veel uitgegaan, gerookt, gedronken en gespijbeld wordt.’
Tussen spijbelen en jeugdcriminaliteit, zo is genoegzaam bekend, is een duidelijke relatie. Maar vaak dringt dat signaal niet tijdig door op de hedendaagse bezuinigende en uitdijende scholen. Op school, schrijft Schuyt, wordt de afwezigheid van leerlingen keurig geregistreerd door de computer, maar niemand die de uitdraaien bekijkt.
ROBERT (16) gaat allang niet meer naar school. Hij maakt schaakstukken en speelgoed op de afdeling houtbewerking in Den Hey-Acker, waar hij vastzit voor afpersing en beroving. Toen hij werd gearresteerd was Robert al tien maanden aan het zwerven; hij was weggestuurd van het internaat waar hij woonde.
'Ik heb geen huis’, zegt hij verontschuldigend, 'ik moest toch wat geld hebben voor eten en shag.’ Het is hier net een hotel, zegt hij, heel wat beter dan die politiecel. Maar zijn straf valt hem toch zwaar. Nooit weer, de laatste keer - echt.
'Huisje, boompje, beestje - dat is mijn streven’, zegt Robert.
Uit privacy-overwegingen zijn de namen van de geinterviewde kinderen veranderd.