Schatzoeken

Sheila Och, Het geld ligt op straat. Vertaling Henja Schneider, Querido, 117 blz., 324,90
NAAR DE SCHAT wordt nog altijd gezocht en in sprookjes heerst armoe, maar overigens speelt geld in het kinderboek zelden een rol van betekenis. Ik herinner me een braaf verhaaltje van econoom Flip de Kam, waarin kinderen het ijswinkeltje van Ome Ko proberen te redden van de ondergang naast een enorme supermarkt. In Joke van Leeuwens Verhaal van Bobbel ervaart de vrijgevochten hoofdpersoon dat rijk worden ook onaangename kanten heeft, en bij Ted van Lieshout proberen kinderen hun natuurlijke staat slim te gelde te maken. Tijm gaat op de stoep zitten met een bordje: ‘De allerliefste jongen van de hele wereld’, en een hoed voor de bijdragen van de voorbijgangers. Het meisje Pipet adverteert: ‘Kind zonder ouders verhuurt zich aan ouders zonder kind’.

Misschien is het niet verbazingwekkend dat het nu een Tsjechische auteur is die de rol van het materiële, c.q. het materialisme, aan de orde stelt. Het geld ligt op straat van Sheila Och is een reactie op de veranderde samenleving na de Fluwelen Revolutie. De komst van McDonald’s, de magnetron en het kapitalisme draagt belangrijk bij aan de ‘nieuwe tijdgeest’, waarvan twee Praagse boezemvrienden dagelijks de invloed ondergaan. 'Alles hebben wat je niet nodig hebt, dat is rijkdom’, stellen ze vast, waarna ze zich op de wereld van het geld storten. Ze barsten van de goede ideeën, die ze met tomeloze energie toetsen op uitvoerbaarheid en effect in het dagelijks leven.
Karel en Jarda vangen wurmen voor de voorzitter van de hengelvereniging, en verdienen flink aan een Duitse televisieploeg die kickt op beelden van het kleine broertje dat die wurmen met smaak verorbert. Het tweetal wordt manager van een veelbelovend violist, bedenkt een hondenhotel en een ramenlapbedrijf, poetst tot misselijk wordens toe het gebit in een commercial voor tandpasta, en treedt in clownspak op als een soort incassobedrijf. Roerend is het 'recyclen’ van grafkransen, wat tot ongepast vrolijke scènes op het kerkhof leidt.
Sheila Och schreef een buitengewoon grappig verhaal, waarin ze tussen neus en lippen door heel wat laat zien van het individuele ondernemerschap en de bijbehorende problemen, en waarin ze luchtigjes de draak steekt met zowel de oude als de nieuwe tijd. De levenswijze overgrootvader weet het zeker: 'Waar men ophoudt met liefde te koken heerst niet de nieuwe tijdgeest, maar verval.’ Het mooi neergezette, ongerichte gedoe van een groep kinderen doet denken aan het werk van Erich Kästner, maar het is vooral het liefdevolle portret van de vertellende ik-figuur dat het verhaal boven de maatschappelijke satire uittilt. Twaalf jaar is Karel. Hij telt zijn groeiende schaamharen, beziet zijn moeder met nieuwe ogen, voelt zich te groot om geknuffeld te worden en heeft geen tijd meer om te voetballen, want hij moet nadenken. En die gedachten betreffen niet alleen de snelste manier om geld te verdienen: 'De beste oplossing voor het leven zou zijn als je het eerst zou kunnen uitproberen, als je het leven eerst in het klad zou kunnen leven.’