Schedelweide, slangenpark

ALS WAS HET een horrorroman, zo inviteert het achterplat van De wespenfabriek handenwrijvend: ‘Treed binnen - als je het aankunt - in de buitengewone wereld van Frank. Excentriek is een omschrijving die niet eens in de buurt komt.’

Om te vervolgen met het verplichte pakkende citaat uit het boek, dat de lezer definitief die gruweldrempel moet laten overgaan en de wereld van de nu al bizarre Frank moet doen binnentreden: ‘Twee jaar na de moord op Blyth vermoordde ik mijn jonge broertje Paul, om heel andere en meer wezenlijke redenen dan waarom ik me van Blyth had ontdaan, en een jaar daarna mijn jonge nicht Esmeralda, min of meer in een opwelling. Dat is mijn score tot op heden. Drie. Ik heb in geen jaren iemand vermoord, en ben ook niet van plan dat ooit weer te doen. Het was gewoon een fase waar ik doorheen moest.’
Voeg daarbij de twee blurbs (uit Punch en Mail on Sunday), die reppen van 'obsessieve roman, een nachtmerrie van een boek’ en 'gruwel die zo afschuwelijk is dat je er kippenvel van krijgt’, plus de reputatie van de uitgever (Luitingh-Sijthoff publiceert vooral thriller- en horrorgiganten (maar lekker ook Bret Easton Ellis), en je hebt een behoorlijk uitgesproken verwachting van De wespenfabriek. Er zijn literatuurmensen die dat alles tesamen voldoende vinden om een dergelijke roman ongelezen opzij te leggen.
Maken zij even een vergissing! De wespenfabriek heeft weliswaar kenmerken van een horrorstory, is inderdaad bij vlagen enigszins gruwelijk, beschrijft een wereld die gewone mensen net zo graag leren kennen als de dodelijke beet van een gifslang, en is buitengewoon meeslepend in zijn obsessieve gewelddadigheid - dat is allemaal waar, maar tegelijkertijd is het boek een hoogstandje, een volwaardige roman van hoog literair gehalte.
THE WASP FACTORY was het boek waarmee Iain Banks debuteerde, in 1984. Het werd korte tijd later in het Nederlands gepubliceerd, echter zonder dat het wat 'deed’. Nu, dertien jaar na dato, is de roman opnieuw vertaald ('en nu wel goed’, meldt de uitgever). Het heeft dus erg lang geduurd voor Banks in Nederland eenzelfde erkenning kreeg als elders in de wereld. Wellicht is het te veel om te zeggen dat hij wereldberoemd is, maar Banks is toch zeker bekend bij een tamelijk groot publiek, dat met name in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten zijn boeken koopt. Banks is een Schot, en schrijft onder het prima versluierende pseudoniem Iain M. Banks ook science fiction. Maar zijn echte, 'literaire’ reputatie dankt hij aan romans als The Bridge, Espedair Street, Canal Dreams, The Crow Road en Whit.
Alsof er geen toeval bestaat zond de VPRO afgelopen zondag het eerste deel uit van de dramaserie The Crow Road, inderdaad naar Banks’ roman (die ons dan ook niet lang meer in onze eigen taal zal worden onthouden). Voor veel mensen zal dit een eerste kennismaking zijn met het oeuvre van de Schot. Maar misschien is het voor hen een interessanter begin om De wespenfabriek te lezen.
De wereld die we daar als lezer huiverend binnentreden, is het sadistisch universum van Frank, een jongen van zeventien jaar die met zijn vader in een vervallen huis woont. Zijn grootste vijanden zijn vrouwen en de zee. Aan vrouwen heeft hij een hekel omdat ze zwak en stom zijn en in de schaduw van mannen leven, en aan de zee omdat die altijd kapotmaakt wat de jongen bouwt en zijn 'tekens’ wegspoelt.
Frank bouwt dingen en maakt tekens. Het centrale punt in zijn wereld is zijn wasp factory - wat hier misschien eerder begrepen moet worden als machine dan als fabriek, maar dit terzijde. Het verhaal is vrij straight. Op een goede dag belt Franks broer Eric op, die ontsnapt is uit het gesticht waar hij werd vastgehouden wegens verregaande krankzinnigheid en agressie. Er wordt gevreesd dat broertje opnieuw, net als vroeger, honden in de fik gaat steken. Eric is goed gek.
Verder doet ik-verteller Frank uitgebreid verslag van zijn dagelijkse moord- en martelpraktijken - op dieren wel te verstaan: 'Een nietig vuurtongetje flakkerde rond de mond van de Vlammenwerper, ik blies het uit. Er verscheen nog een konijn dat kleiner was. Ik raakte het met de vuurstraal en het schoot buiten bereik in de richting van het water naast de heuvel waarop de wilde ram mij had aangevallen. Ik spitte in de Krijgstas, haalde het luchtdrukpistool eruit, spande de haan en vuurde in één beweging. Het schot was mis en het konijn verdween met een rooksliert achter zich aan rond de heuvel.
Ik kreeg nog drie konijnen te pakken met de Vlammenwerper voordat ik hem inpakte. Het laatste dat ik deed was de laaiende stroom benzine naar de ram spuiten, die daar nog steeds gevuld en dood en bloed druppelend voor aan het Weitje zat. Het vuur viel aan alle kanten om hem heen zodat hij verdween in het deinende oranje en het kringelende zwart. In een paar seconden had de lont vlam gevat en na ongeveer tien seconden ontplofte en doofde de vuurbal.’
Het Weitje, het Slangenpark, de Offerpalen, de Bunker, de Schedelweide, dat zijn de locaties van Franks wreedheden. Zijn dierenmishandeling ziet hij zelf in het licht van de moord op drie naasten waaraan hij schuldig is. Overigens legde Frank eenzelfde soort creativiteit aan de dag in het mensenmoorden als bij het beestenbeulen - zo creatief dat daar hier niet over uitgewijd mag worden.
DE WESPENFABRIEK voert de lezer inderdaad mee naar een zwarte, macabere wereld vol wreedheid en dood, maar doet dat zonder psychologische olifanten door porseleinkasten. Het knappe van Iain Banks is dat hij het in deze roman allemaal redelijk subtiel weet te houden, en geen botte violence for violence’s sake gaat bedrijven - hoezeer bovenstaand citaat ook in die richting moge wijzen. De verhouding tussen Frank en zijn broer is spannend, de verhouding, de alles bepalende verhouding, tussen Frank en de buitenwereld, is absoluut meeslepend beschreven, en de op het eerste gezicht zo sadistische jongen ontwikkelt zich tot langzamerhand (ook naarmate hij verder verstrikt raakt in zijn eigen probleem, dat op ook al vrij bizarre wijze met zijn sekse te maken heeft) een personage waar men stilletjes zeer aan gehecht raakt; vooral, ja vooral als hij zijn wespenmachine laat werken: 'De meeste doodsoorzaken die de Fabriek te bieden heeft zijn automatisch, maar bij sommige is mijn tussenkomst vereist voor de genadeslag, en dat houdt, uiteraard, verband met wat de Fabriek mij mogelijk probeert te vertellen. Ik moet de trekker van het oude luchtdrukpistool overhalen als de wesp erin kruipt; ik moet de stroom inschakelen als hij in de Kookpoel valt. Als hij uiteindelijk in de Spinnensalon of de Venusgrot of de Mierderie kruipt, kan ik gewoon blijven zitten en kijken hoe de natuur haar beloop heeft.’
SOMS SCHEMERT door Banks’ stijl heen dat hij ook science fiction schrijft. Desalniettemin is De wespenfabriek soepel geschreven (de vertaling, hoe behendig soms ook, is hier en daar wat houterig) en de auteur weet een knap evenwicht te bewaren tussen actie en psychologie, tussen hoop en vrees, tussen angst en pijn. Een boek dat zoveel tegen lijkt te hebben, en zich toch zo nadrukkelijk opdringt als een sterke literaire roman, dat moet wel iets bijzonders zijn.