Scheepsrecht

Ik heb de gedichten van Yang Lian gelezen en zitten mijmeren. Gelezen en zitten eten. Gelezen en zitten kijken naar de televisie. Gelezen en zitten knikken. Tussendoor zitten lezen in andere dingen: boek met revue, boek met grammatica, boek met vertalingen uit het Portugees, boek met schilderijen van een Turkse, boek met stadswandelingen… En ik zag of dacht te zien dat iemand door een straat met visrestaurants liep, een man van een jaar of zestig, handen in zijn zakken, hoofd een beetje voorover, ogen achter bril, zo te zien op niets in het bijzonder gericht, makkelijke schoenen, overhemd met jasje, geen das, geen tas, rustige passen… Hij sloeg de hoek om zonder acht te slaan op de mannen die in de opening van de deur stonden te praten, haalde zijn handen uit zijn zakken en begon een lange trap te beklimmen, die twee rijen hoge huizen van elkaar scheidde. Hij stopte toen hij boven was, keek naar rechts en naar links en ging naar links, een volgende straat in. De wind bleef plotseling hangen aan de dakgoten en de zon verdwaalde even in een boom.

‘Mexicanen vertellen grappen over Argentijnen’, zei hij, 'en Amerikanen weten dat Feyenoord kampioen van Nederland is’. Ik hoorde of meende te horen dat hij deze dingen zei en wilde hem twee regels van Yang Lian toeroepen. 'No beauty that isn’t cruel’. En 'No poetry that isn’t cruel’ - maar ik hield mijn mond en bleef zijn schaduw. De man bekeek ramen, bekeek tegels, bekeek drempels, bekeek deurbellen, bekeek bordjes, bekeek krassen op muren, bekeek vogels in kooien, bekeek planten in potten, bekeek wasgoed, bekeek balkonnetjes en affiches. In de verte kwam een stem uit een luidspreker. Op de stoep voor een huis met portiek zat een vrouw. Ze had haar ogen dicht en mompelde voor zich uit, terwijl ze haar hoofd langzaam heen en weer bewoog. De man bekeek haar en schraapte zijn keel. De vrouw opende haar ogen. Hij keek in de ogen van een krokodil. De krokodil was mager en zwak. De man kon zijn ogen niet van haar afhouden. De auto waarop de luidspreker was bevestigd, kwam de straat in en reed in vliegende vaart voorbij, de boodschap vele straten verder al vervlogen. De krokodil zat nu onbeweeglijk te kijken. Kijkt ze naar mij, naar iets van mij of kijkt ze in haar leven, vroeg de man zich af. Of is ze bezig een taal te openen, woorden te openen, woorden te ontbloten, woorden kapot te slaan zoals je stenen kapot kunt slaan, woorden en zinnen en verhalen als stenen kapot te slaan? Is ze bezig taal te kraken, met haar zintuigen misschien? Haar liefde, haar verdriet, hoor jaloezie, haar wrede schoonheid? Zijn ogen bleven de ogen van de vrouw zoeken. Voorzichtig maakte de wind zich los van de dakgoten. Ik geloof dat ik tegen de man wilde zeggen dat hij met me mee kon gaan, dat ik hem veilig thuis zou brengen, dat ik de weg wist… maar mijn ogen bleven de ogen van de vrouw zoeken, ogen die nu eens gaten maakten in zijn leven, dan weer rustten op de zee, beneden.