Scheermes

Luis Buñuel, Een Andalusische hond. Vertaald door Barber van de Pol, uitgeverij Meulenhoff, 283 blz., 349,90
Na zijn eindexamen wilde de zeventienjarige Luis Buñuel naar Parijs om daar muziek te gaan studeren. Zijn vader reageerde op klassieke wijze: jongen, leer een echt vak, de carrière van een kunstenaar is de geschikte weg om van honger te sterven.

Luis ging in Madrid voor landbouwkundig ingenieur studeren, overigens niet tegen zijn zin, maar de natuurkundige studie bleek drie jaar wiskunde te omvatten. ‘Daarmee kregen ze voor elkaar dat ik mijn studies ging haten.’ Van de weeromstuit koos hij voor een pretpakket, studeerde een jaar entomologie en behaalde in 1924 zijn diploma in de Filosofie en Letteren; ondertussen werd hij ook nog kampioen amateurboksen van Spanje.
Toen zijn vader was gestorven mocht hij van zijn moeder wel naar Parijs. Door toeval raakte hij betrokken bij een opvoering in Amsterdam van 'De poppenkast van meester Pedro’, een episode uit de Don Quichot, besteld door de dirigent van het Concertgebouworkest, maestro Mengelberg. Een aantal vrienden liet hij een deel van de poppen spelen. Uit een lezing die hij een paar jaar later hield over de geschiedenis van de poppenkast en de hedendaagse Guignol, valt op te maken hoezeer dat 'schouwspel bedoeld om kinderen te vermaken’ een leidraad voor zijn eigen werk werd. Eenmaal de smaak van de mise-en-scène te pakken, zocht hij het in de richting van de film. Hij werd assistent van een Franse regisseur om zich in de technische kant te bekwamen. In de zojuist vertaalde bundel De Andalusische hond, waarin Buñuels scriptschrijver Jean-Claude Carrière literaire teksten, essays en herinneringen bijeenbracht, zijn ook juist de stukken over de technische kant van film het interessantst. Zo legt hij in 1928, als er omtrent de technische terminologie nog grote verwarring heerst, heel exact de materiële èn ideële kant van het begrip 'découpage’ uit. In dezelfde geest schrijft hij over in zijn tijd spraakmakende films van Fritz Lang, Abel Gance, Carl Dreyer en Buster Keaton. En passant weet hij te vertellen waarom hij een voorkeur heeft voor Keaton boven Chaplin, die volgens hem inmiddels zijn poëtische kracht inruilde voor het lachsucces 'met de krachtigste gemeenplaatsen van het gevoel’.
In 1929 werd Buñuel lid van de surrealistische beweging. In de bundel is te zien dat hem dat contact niet bepaald goed deed. Schreef hij tot dan toe lichtelijk absurde of half essayistische verhaaltjes, de gedichten en teksten uit de tijd dat hij in de slagschaduw van Breton en Dali verkeerde, moeten het dan hebben van de vrije associatie die de surrealistische literatuur vaak zo'n grabbelton van losse zinnen maakte. Hij is er in feite aan ontsnapt door de film - en misschien zelfs door zijn voorkeur voor de Amerikaanse film. Lees de gedichten en het filmverhaal met beide de titel 'Een Andalusische hond’ en zie de gelijknamige film. 'Een lichte wolk die de volledige volle maan nadert. Daarna het hoofd van een jong meisje, haar grote ogen geopend. Een van de ogen wordt genaderd door het blad van een scheermes. De lichte wolk trekt nu voor de maan langs. Het scheerblad snijdt het oog van het meisje doormidden.’ De geschreven zinnen moet de lezer de ene na de andere in beelden vertalen - en wat mij betreft blijft het scherm leeg - terwijl de film iets laat gebeuren wat onmiddellijk indruk maakt. In de film was Buñuel kennelijk van meet af aan meer in zijn element dan in de literatuur die het surrealisme hem voorschreef.