Scheiding

Laten wij nou eerlijk zijn: zij houdt niet van ons en wij houden niet echt meer van haar. In het begin dachten wij misschien anders. Het was de tijd dat alles nog mooi, jong, fris en nieuw was. Wij moesten nog aan elkaar wennen en gingen opgewonden aan elkaar snuffelen. Wij vonden haar energiek, modern, kunstzinnig en intelligent. Van daaruit boetseerden we onze platonische liefde voor haar.

Wij gingen in onze eigen mooie fabeltjes geloven. Wij waren blind. Want wat hebben we nou in die negentien jaar van haar gekregen? Eén wangkus! Per toeval en omdat wij erom vroegen. Een ‘baiser volé’ op een vrije markt. Maar toch, wat heeft die kus ons toch verblijd. Wij hebben hem gekoesterd, in de vitrine van ons geheugen gezet. Hij nam alle plaats in en dat was maar goed ook, want in dat kastje was verder niets. Dit was meer dan tien jaar geleden, geloof ik. Nu moet het afgelopen zijn met het zelfbedrog. Tijd voor een evaluatie. Tijd om te erkennen dat onze relatie op de klippen is gelopen. Ideologie of politieke voorkeuren spelen hier geen rol. Wij gunnen haar alles: troon, kroon, kersttoespraak, dure vakantie in de sneeuw of onder de brandende zon. Als wij hiervoor maar een beetje warmte terug hadden kunnen krijgen! Maar de daden die wij van haar verlangden, zijn na bijna twee decennia op de vingers van één hand te tellen. Een paar moedige zinnen over de schuldvragen rond de jodendeportaties, een bezoek aan de Bijlmer na de ramp, en een gelaarsde wandeling in het overstroomde Limburg. Voor de rest de kille afstandelijkheid, de ijzeren onverschilligheid die velen onder ons als de verachting van de adel voor het gepeupel ervaren. Over haar praten wij niet meer. Niet op straat, niet bij de groenteboer, niet in verjaardagskringen. Ze lijkt langzaam een spookachtige consistentie in ons bewustzijn aan te nemen. Ze deelt niet in onze vreugde en ook niet in ons verdriet. Ze ís er, dat wel, maar aan de rand, in de marge van ons bestaan. Ze daalt niet van haar vestingtoren af om ons te begroeten en wij mogen haar paleizen niet in. Alleen op die ene feestdag willen we voor haar een vlaggetje laten wapperen. Eén keer per jaar volgens traditie en basta. Toen ze zestig werd hebben we het nog geprobeerd. Wij wilden haar feliciteren, een presentje geven, haar een ballade toezingen, misschien een nieuw kusje van haar vangen voor een nieuwe start. Wij werden door haar politie in de kou op afstand gehouden. Ver van de ingang van haar warme paleis waar alleen haar gekroonde of rijke vrienden in mochten. Het was een schok. Voor het eerst schreven we lelijke dingen over haar in ingezonden brieven. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Natuurlijk zijn we in die negentien jaar veranderd en met ons ook het land. Wij werden dynamischer, gooiden oude versleten concepten overboord, gingen ’s avonds en op zondag winkelen, verlieten de kerken, verjaagden het CDA uit de regering. Wij werden minder calvinistisch en gezagsgetrouw. Wij werden mondiger, kritischer, zelfstandiger. Ze heeft die grote mutaties niet kunnen of willen volgen. Werd ouder en conservatiever. Voelde zich steeds onveiliger. Laatst hebben we vernomen, dankzij een paar lekkende kamerleden, wat haar beroert en bezielt. Want verder dan een droeve preek met kerst komt ze niet. Ze staat geen interview toe. Heeft bijna alle communicatiekanalen met ons afgesneden. Maar tegen die volksvertegenwoordigers liet ze zich gaan. Ze had het over gevangenissen, pepperspray, politie, verdwaalde kogels. Wij vertaalden: ze is bang en somber. Ze houdt minder van haar land en moedigt haar kinderen aan om asiel in buitenlandse disco’s te gaan zoeken. Maar misschien voelt ze bepaalde dingen beter aan dan wij. Misschien weet ze nu al dat de monarchie ooit in de draaikolk der veranderingen zal verdwijnen. Maar hoe moeten we verder? Uit elkaar gaan is overbodig, gezien het feit dat scheiding van tafel en bed allang heeft plaatsgevonden. Blijft alleen de constatering dat zij van het verleden is en wij van de toekomst zijn.