Scheidslijn

Hoe zou je de stem van laagopgeleiden wél vertegenwoordigd kunnen krijgen in het parlement? De staatscommissie parlementair stelsel zoekt naar een oplossing.

Met zijn zeventienen stonden ze op het bordes, na de beëdiging van de nieuwe ministersploeg. Allemaal hoogopgeleid. Ook de koning. Zouden lager opgeleiden zich in hen herkennen en zich vertegenwoordigd voelen? Het is geen grote gok die vraag met nee te beantwoorden. Dat lager opgeleiden zich niet voldoende herkennen in Haagse politici is al vaker in onderzoek aangetoond. Het is dan ook een van de problemen die de staatscommissie parlementair stelsel vorige week aanstipte in haar probleemverkenning.

Het is de wetenschappelijke aanpak die de op verzoek van de Eerste en Tweede Kamer ingestelde commissie hanteert. Eerst de probleemanalyse, daarna pas mogelijke oplossingsrichtingen. Voor die tweede fase neemt de commissie tot eind 2018 de tijd.

Als je de probleemanalyse leest, bekruipt je een onbehaaglijk gevoel. Het aantal zwaktes in ons parlementair stelsel is volgens de commissie velerlei. Zo wijst de commissie op de gevaren van de digitalisering. Dat kan leiden tot geïndividualiseerde, gekleurde beïnvloeding van kiezers zonder dat die zich daar bewust van hoeven te zijn. Verder ziet de commissie het probleem van het grote aantal taken dat is overgedragen aan Brussel enerzijds en aan lagere overheden anderzijds, terwijl de kiezer zich focust op Den Haag als de plek waar belangrijke beslissingen worden genomen. Ook de onduidelijkheid over wat er moet gebeuren als Tweede en Eerste Kamer het niet met elkaar eens zijn, is een zwakte van ons parlementair stelsel. Evenals het geringe aantal mensen dat nog lid is van een politieke partij, terwijl die partijen wel de vijvers zijn waaruit wordt geput voor kieslijsten, wethouderskandidaten of ministersposten.

Op de persconferentie van de commissie proefde je dat de media het liefst denken in oplossingen. Of de Eerste Kamer dan niet moet worden afgeschaft? Zou het correctief referendum dan niet toch de oplossing zijn voor het onbehagen van de lager opgeleide kiezers die zich niet herkennen in de door hoger opgeleiden bedachte oplossingen voor maatschappelijke problemen? Dat laatste leek me ineens een wel heel cynische manier om om te gaan met de scheidslijn tussen hoog- en laagopgeleiden. De eersten behouden dan hun afgevaardigden, kunnen zich blijven herkennen in hun politici, die hun taal spreken, hun voorkeuren vertolken en in wet- en regelgeving vastleggen. De laagopgeleiden mogen dan slechts af en toe aan de handrem trekken; als die hoogopgeleiden het te gortig maken.

Misschien moet er toch nog maar weer een nieuwe partij in de Kamer komen

In de probleemverkenning van de commissie staat een veelzeggende grafiek, afkomstig uit het boek Nepparlement? Een pleidooi voor politiek hokjesdenken van de wetenschappers Armèn Hakhverdian en Wouter Schakel. Wordt aan laagopgeleiden en Kamerleden gevraagd of nieuwkomers hun cultuur mogen behouden of zich juist moeten aanpassen, dan lopen de meningen daarover bij die groepen uiteen. Laagopgeleiden kiezen veel vaker voor volledig aanpassen dan Kamerleden, die daar zelden voor voelen. Wordt diezelfde vraag gesteld aan hoogopgeleiden en Kamerleden dan denken die daar in bijna 95 procent hetzelfde over.

Hoe zou je die stem van laagopgeleiden wel vertegenwoordigd kunnen krijgen in het parlement, zodat ze meer krijgen dan alleen sporadisch de noodrem van het correctief referendum? Bovendien krijgen deze kiezers mogelijk zelfs dat niet, want onlangs bleek daar geen Kamermeerderheid meer voor te zijn.

Je zou zeggen dat deze groep toch vertegenwoordigd is door de pvv van Geert Wilders. Maar te vaak hoor je pvv-stemmers zeggen heus wel te weten dat die partij geen oplossingen heeft. Misschien is het dan een idee dat andere partijen actief lager opgeleiden gaan betrekken bij hun activiteiten, bij het ontwikkelen van standpunten en het opstellen van kandidatenlijsten. Maar terwijl ik dat opschrijf, zie ik al die hoogopgeleide partijtijgers voor me, bij alle partijen: dat gaat niet werken. Misschien dat een van de andere bestaande partijen dan alleen de gevoelens en wensen van lager opgeleiden zou kunnen gaan vertolken. Dan doemt er echter een gordiaanse knoop op. Dat zal felle, interne partijruzies tot gevolg hebben, omdat de hoger opgeleide leden en politici zich niet in die standpunten zullen herkennen. Ook zullen er in commentaren verwijten komen dat de partij van standpunt wijzigt, de eigen beginselen verloochent, verrechtst en opportunistisch bezig is omdat ze dit alleen maar doet om kiezers te winnen. Het cda zal dat herkennen. We mogen dan vinden dat partijen naar de kiezers moeten luisteren, maar als ze dat doen, lopen ze grote kans daarom gehoond te worden. Door hoogopgeleiden.

Misschien moet er dan toch nog maar weer een nieuwe partij in de Kamer komen. Dat is niet zo moeilijk met ons evenredig kiesstelsel, om ook een sterk punt van ons parlementair stelsel te noemen. Die nieuwe partij zou op sociaal-economische onderwerpen links moeten zijn, maar op onderwerpen als immigratie, integratie en de EU conservatief, hoor je dan onder politicologen. En dus ook oplossingsgerichter dan de pvv. Maar was er al niet eens zo’n partij? Inderdaad, de SP. Maar ook die partij spreekt onvoldoende aan: niet conservatief genoeg meer op de gewenste onderwerpen, een te dwingende partijcultuur, en ja, ook te hoog opgeleid.

Nog ruim twaalf maanden heeft de staatscommissie van hoogopgeleiden om over oplossingen na te denken. Ondertussen kunnen de parlementariërs nu er sinds deze week een nieuw kabinet is echt aan de slag. Ze hebben daarvoor tenslotte een mandaat vanuit de samenleving. Nu nog het besef dat ze daar geen afspiegeling van zijn.