Schelden op krediet ‘bang zijn moet je alleen voor mensen, altijd’

Aart van Zoest schreef eerder over Celine in Bzzlletin en Celine Journaal, en een inleiding bij Celine’s Brieven aan vriendinnen (Arbeiderspers, Prive-domein, 1983). Hij was een van de oprichters van het Celine Genootschap
Dit jaar op 27 mei zou Celine honderd jaar zijn geworden. Hij zou zich, zo valt te vrezen, ongetwijfeld bij Le Pen hebben aangesloten: een schreeuwlelijk en afgrijselijke antisemiet. Maar een meesterlijk schrijver. Bij geen ander is de relatie tussen persoon en auteur dan ook zo problematisch. Het Nederlandse Celine Genootschap werd er zo moe van dat het zichzelf maar ophief. Maar bevat ‘Casse-pipe’, de novelle die Celine in 1937 begon te schrijven, niet de ontbrekende schakel tussen zijn proza en zijn antisemitische pamfletten, zoals Aart Brouwer hiernaast betoogt? Voorts spreekt op de volgende bladzijden Theodor Holman met vertaler Em. Kummer over Celine’s stijl: ‘gewoon anti-bourgeois.’

Sinds zijn overlijden in 1961 is de belangstelling en waardering voor het werk van Celine er aanzienlijk op vooruitgegaan. De dood heeft werk en auteur voorgoed uit elkaar gehaald en als voor iemand heeft gegolden dat de auteur maar beter gescheiden kan blijven van zijn produkten, is het wel Celine. Ik had en heb Celine als schrijver zeer hoog zitten. Maar als mens voelde ik erg weinig sympathie voor hem. Altijd speelde hij komedie. Hij was een luidruchtige, vulgaire opschepper.’ Aldus Bernard Steele, die weet over wie hij het heeft, want hij is Celine’s uitgever geweest. Hij was de vennoot van Robert Denoel, met wie hij samen Voyage au bout de la nuit uitgaf. Les Editions Denoel et Steele werd overigens al gauw kortweg Les Editions Denoel toen Steele - Amerikaan, jood - zich terugtrok; hij kon niet blijven samenwerken met Denoel, die zich als nazi-vriendelijk ontpopte en later Celine’s antisemitische pamflet Bagatelles pour un massacre zou uitgeven (1937).
Voyage au bout de la nuit maakte Celine onmiddellijk bij verschijning in 1932 beroemd. De Prix Goncourt kreeg hij er echter niet voor, al was hij wel een serieuze kandidaat: de jury had laten doorschemeren dat hij de prijs zou krijgen, maar op het laatste moment gingen twee juryleden om en ging de prijs naar Guy Mazeline voor Les loups - wie kent dat vandaag de dag nog? Het manuscript had Celine behalve aan Denoel ook aangeboden aan Gaston Gallimard, de beroemde uitgever die ooit Proust aan zijn neus had laten voorbijgaan omdat Andre Gide negatief had geadviseerd. Gallimard greep opnieuw mis; hij reageerde pas toen Celine het contract met Denoel al had getekend. Weer kreeg Gallimard spijt en weer probeerde hij de fout te herstellen door een auteur van een uitgever af te troggelen. Voor hij Celine zijn fonds binnenkreeg, moest hij wachten tot na de moord op de collaborateur Denoel, die eind 1944 midden in Parijs, op de Esplanade des Invalides, werd doodgeschoten. In 1962 verscheen Vogage au bout de la nuit met Celine’s tweede grote roman Mort a credit in Gallimards prestigieuze Pleiade-collectie.
Voyage au bout de la nuit was nog maar net verschenen of boek en auteur kregen uitgebreid aandacht in de pers. Ook in het buitenland. Reeds twee maanden na verschijning kwamen er besprekingen in Italiaanse, Duitse, Amerikaanse en Engelse kranten. Het boek was omstreden. Eddy du Perron had er veel op aan te merken. Anderen zagen wel het vernieuwende en het meeslepende van het boek maar hadden problemen met de omvang: Tweehonderd bladzijden te lang’, volgens een spraakmakende Franse criticus.
Daar zit wel iets in: het boek gaat maar door en door, van de ene ellende naar de andere, tot vrolijkheid stemt het bepaald niet en de lezer krijgt dan al snel een gevoel van verzadiging en de neiging om het boek terzijde te leggen. Daar staat tegenover dat Celine’s stijl absoluut uniek is en een onontkoombare fascinatie teweegbrengt. Het lijkt wel, is er gezegd, of iemand hitsig in je oor fluistert. Met de intentie om te laten weten: Kijk eens, wat een smeerlapperij er onder de mensen is.’ Alles wat officieel is, institutioneel, gewichtig, deftig, alles wat de goedgelovige burger wordt opgedrongen als idees recues, als voorgekauwde ideologie, wordt genadeloos ontmanteld als misdadig bedrog. Als ze over het vaderland beginnen, ben ik bang voor mijn hachje’, zegt hoofdpersoon Bardamu, schlemiel, anarchist en scherpzinnig analist van mens en maatschappij. Bang zijn moet je alleen voor mensen, altijd.’ Lafheid, hebzucht, egoisme, domme meeloperij, geilheid, het maakt mensen tot gevaarlijke en verachtelijke wezens. Dat er goedheid onder de mensen te vinden is, ziet Bardamu overigens niet over het hoofd: kinderen - net als dieren - zijn altijd onschuldig, en hij treft altruisme en liefde aan bij een ruwe koloniale militair in Afrika en bij een hoertje in de Amerika. Maar de waanzin van de oorlog is wellicht nooit indringender beschreven als in de bladzijden over de Eerste Wereldoorlog. Celine heeft die zelf meegemaakt: hij heeft in 1914 aan het Westvlaamse front tegenover de Duitsers gelegen die de jonge Adolf Hitler in hun gelederen hadden.
De Voyage is een meesterwerk, niet weg te cijferen uit de wereldliteratuur. Alles wat Celine daarna heeft geschreven, is nog wel van grote stilistische kwaliteit, maar toch van geringer belang, omdat de algemeen menselijke strekking al te zeer zit opgesloten in de miezerigheid van het subjectieve, als een diamant die je niet meer terugvindt in een zak patat-met.
Niet iedereen is het hier mee eens. Aan het begin van de jaren tachtig vonden in Nederland door een pas opgericht Celine Genootschap georganiseerde bijeenkomsten plaats waar soms hartstochtelijk werd gediscussieerd. Daar verschenen ook spitse deskundigen, veelal herkenbaar aan de zorgvuldigheid waarmee ze aan kleine sigaartjes zogen, die wisten dat de echte kenner de Voyage als beginnerswerk beschouwde. Zij onderscheidden zich van de ‘Voyagisten’ door hun 'post-Voyagisme’. Deze fijnproevers prefereerden de trilogie Nord D'un chateau l'autre Rigodon, Guignols Band of zelfs de pamfletten. Onzin natuurlijk, want al dat oververhitte, prachtig geschreven gezeur, al dat hallucinatoire zelfbeklag in historische context, is naast de Voyage niet meer dan een verzameling literaire curiosa.
Zulke discussies zijn nergens goed voor maar verrukkelijk, en misschien is het wel jammer dat het Celine Genootschap zichzelf heeft opgedoekt, na al die bijeenkomsten, na het uitgeven van zes nummers van het Celine Journaal, na de opvoering van een langdradig celiniaans toneelstuk (Progres) in het Congresgebouw, na de organisatie van een Internationaal Celine Congres in Den Haag, alles in samenwerking met de stichting Bzztoh.
Tijdens dat congres stroomden in Theater Pepijn Celine-kenners uit het buitenland toe. Onder hen mensen die nog bevriend waren geweest met Celine; een van hen zou in een lezing herinneringen ophalen die erop neer kwamen dat Celine het nog zo gek niet bekeken had met zijn antisemitisme - waarop uiteraard van weldenkende Nederlandse zijde het verzoek kwam om die bespiegelingen achterwege te laten. Want ja, hoofdzakelijk daarom, om die almaar terugkerende problematiek van Celine’s antisemitisme, heeft het Nederlandse Celine Genootschap zich op ingetogen wijze opgeheven met een laatste bijeenkomst in het Amsterdamse Maison Descartes. Er zat geen enkele antisemiet in dat Genootschap, men schuwde de discussie over Celine’s antisemitisme niet, maar men werd er op den duur wel doodziek van om telkens weer een verklaring van deze strekking te moeten afleggen. In Neder-letterland kun je elk ogenblik worden opgeroepen om te laten controleren of je onderbroek wel schoon is.
Sindsdien heeft een Celine-liefhebber het iets gemakkelijker gekregen. De schrijver is, hoeveel weerzin hij bij menigeen nog oproept, de literaire salon binnengekomen. Zijn oeuvre is inmiddels in de Pleiade-collectie uitgebracht, eind vorig jaar nog zijn laatste teksten, Feerie pour une autre fois I et II, et Entretiens avec le professeur Y. Vrijwel alles van Celine is in Nederlandse vertaling toegankelijk gemaakt, hetgeen meer dan een vertaler de Martinus Nijhoff-prijs heeft opgeleverd. Dat werk wordt verkocht en gelezen, en de oprichters van het Celine Genootschap vleien zich met de gedachte dat ze door hun activiteiten tot die grotere bekendheid hebben bijgedragen, een taboe hebben opgeheven - althans verzacht.
Toch ligt het met Celine nog niet zo gemakkelijk als met het zoete lettervoer dat men meeneemt naar de vakantiebestemmingen. Want de kwestie van de pamfletten blijft. Sommige ervan hebben zo langzamerhand alleen nog stilistische betekenis. Bijvoorbeeld Mea culpa (1937), waarin hij, af en toe profetisch, uithaalt naar de onder linkse intellectuelen van die dagen zo populaire Sovjetunie. Of Les braux draps (1941), waarin vooral de Fransen zelf er van langs krijgen. Maar de wereld is er nog niet aan toe om het rabiate antisemitisme van Bagatelles pour un massacre (1937) door de vingers te zien. Het is een krankzinnig boek van 379 bladzijden vol waanzin, zo mal dat je denkt: hier parodieert een stompzinnige racist, een doorgedraaide kankerpit zichzelf. Maar er zitten artistieke, literaire en zelfs sociale bespiegelingen tussen die verrassend zijn en het overdenken waard. En dat alles in een grandioze scheldstijl, want Celine heeft venijnig schimpen en schamperen tot een kunst verheven.
Zeker is in elk geval dat geen zinnig mens antisemiet zal worden van het lezen van Bagatelles. Maar het mag de bestaande antisemieten niet worden gegund zich te verlustigen in het idee dat het zou kunnen.
Daarom is het beter dat de pamfletten, en speciaal Bagatelles en L'ecole des Cadavres (1938), onuitgegeven blijven. Celine’s weduwe verbiedt het trouwens nog steeds. Daarom zijn deze teksten in Frankrijk wel te vinden in bibliotheken, maar niet te koop in de boekhandels (behalve, tegen een zeer hoge prijs, in antiquariaten, waar Bagatelles de grens van de duizend francs al gepasseerd schijnt te zijn). Op Nederlandse vertalingen zit niemand te wachten. Jammer misschien, want wat een heerlijke kluif zou het voor vertalers zijn.