Judith Butler

Schelden volgens de wet

Tekening: Dick Tuinder
Kwetsende woorden kunnen andermans leven tekenen, ze kunnen ook een begin zijn van een tegenbeweging ten faveure van de gekwetste. Over de werking van taal.
Judith P. Butler
Opgefokte taal
Boom/Parrèsia, € 24,90

Medium cover1k

De Amerikaanse filosoof Judith Butler (1956) werd in de jaren negentig bekend met haar boeken over gender en seksualiteit. Destijds werd ze vooral omarmd door de gay & lesbian studies en queer theory; voor mij was echter vooral haar onderzoek naar de werking en functie van taal van grote invloed. In haar boeken over gender kwam dit reeds naar voren in de vraag wat het betekent om jezelf ‘man’ of ‘vrouw’ te noemen, zowel voor degene die zich in een van deze categorieën thuis voelt als voor degene die zich er niet in thuis voelt. De rol en invloed van taal op onze identiteit en onze maatschappelijke positie breidt Butler uit in haar boek Excitable Speech: A Politics of the Performative (1997), waarin ze de vraag behandelt wat het betekent om door taal gekwetst te worden. Excitable Speech is onlangs in het Nederlands verschenen onder de merkwaardige titel Opgefokte taal.

In Opgefokte taal onderzoekt Butler in welke gevallen kwetsende taaluitingen als handelingen worden beschouwd en wanneer deze handelingen strafbaar worden geacht. In het voorwoord tot de Nederlandse vertaling formuleert ze haar centrale vraagstelling als volgt: ‘Hoe kunnen uitdrukkingsvormen die “vrij” en “beschermenswaardig” zijn, onderscheiden worden van uitdrukkingsvormen die “onvrij” zijn en verboden zouden moeten worden?’

Al bespreekt Butler in haar boek slechts voorbeelden uit de rechtspraak in Amerika, de kern van haar verhaal raakt aan kwesties waar alle westerse landen tegenwoordig mee worstelen. Je kunt bijvoorbeeld denken aan de discussies over het dragen van hoofddoekjes of boerka’s, of aan de vraag of er grenzen zijn te stellen aan kwetsende spotprenten en satire. Of dat iedere vorm van censuur moet worden tegengegaan.

In Nederland werd de discussie rond de vrijheid van meningsuiting op de spits gedreven toen Theo van Gogh werd vermoord. In haar voorwoord vraagt Butler zich af of het desondanks zin heeft om Van Gogh tot symbool van die vrijheid van meningsuiting uit te roepen. Tijdens het lezen van haar boek herinnerde ik me hoe Rita Verdonk, een fervent verdediger van het vrije woord, spandoeken liet verwijderen waarop zijzelf werd bekritiseerd. Na de Schiphol-brand liet ze de brandweer en politie spandoeken in verschillende steden weghalen waarop leuzen stonden als ‘Levend verbrand, Rita bedankt’. Hoeveel kwetsender is zo’n leus in vergelijking tot Van Goghs spot met joden of moslims? Wat zijn de criteria waaraan je dat toetst? Waarom geen censuur in spotprenten en satire en wél in het geval van spandoeken?

Aan de hand van analyses van het taalgebruik binnen de rechtspraak toont Butler hoe complex zulke vragen zijn en hoe krampachtig ze worden zodra ze binnen de rechtbank behandeld worden. Zo volgt ze bijvoorbeeld de aanklacht tegen iemand die een kruis heeft verbrand in de tuin van een zwarte familie. Hoewel het verbranden van een kruis een symbool was van de Ku Klux Klan werd door de Amerikaanse rechters uiteindelijk besloten dat dit niet opgevat kon worden als een kwetsende uiting, aangezien het onder de ‘vrije marktplaats van ideeën’ viel. Het opvallende aan deze uitspraak is niet alleen dat een duidelijk racistische boodschap niet kwetsend genoeg werd geacht om te bestraffen, maar ook dat de handeling van het verbranden van een kruis als de verkondiging van een mening werd gelezen. Deze handeling werd hiermee een talige uiting die onder het recht van de vrije meningsuiting viel.

Opgefokte taal is misschien ten eerste een politiek-filosofisch werk, maar het is tegelijkertijd een diepgaande analyse van de werking van taal; zowel van kwetsende taal en de vraag of die bestraft kan worden, als van de taalopvattingen binnen de rechtspraak. Butler maakt aan de hand van theorieën van de taalfilosoof John Langshaw Austin duidelijk dat er geen helder onderscheid valt te maken tussen ‘doen’ en ‘spreken’. Natuurlijk bestaat er verschil tussen bijvoorbeeld de dreiging om iemand pijn te doen en de werkelijke uitvoering ervan. Maar, schrijft Butler, die dreiging is op zich ook al effectief. De dreiging is in principe al een vorm van ‘doen’, bijvoorbeeld bang maken.

Alleen op basis van de aanname dat een taaluiting een ‘daad’ kan zijn, kan de taaluiting berecht worden. In de voorbeelden van rechtszaken die Butler bespreekt, wordt echter duidelijk dat dit argument twee kanten uit kan werken. In het geval van het verbranden van het kruis werd de handeling juist als een mening, oftewel een taaluiting geïnterpreteerd, waardoor de handeling niet strafbaar werd geacht.

Bovendien blijft het moeilijk om vast te stellen wanneer kwetsende taaluitingen strafbaar zouden moeten zijn, aangezien de mate waarin bepaalde woorden ‘pijn’ doen altijd afhangt van wie de woorden interpreteert. Een andere eigenschap van kwetsende woorden die het berechten complex maakt, is dat deze woorden doorgaans hun pijnlijke lading te danken hebben aan de geschiedenis die eraan kleeft. Iemand die een racistisch scheldwoord gebruikt, is weliswaar verantwoordelijk voor het gebruik ervan, maar doorgaans niet voor het ontstaan ervan. Wil schelden effectief zijn, dan bestaat het meestal uit het herhalen of citeren van reeds bekende scheldwoorden. Door dit herhalen bevestig je de kwetsende connotatie, maar desondanks kun je niet verantwoordelijk worden gehouden voor het bestaan van die scheldwoorden.

Medium follow 20up2k

Butler laat zien dat het verbieden van bepaalde discriminerende uitlatingen geen goede oplossing is. Met een dergelijk verbod blokkeer je namelijk de mogelijkheid dat die woorden een nieuwe, andere betekenis aannemen. Juist door kwetsende termen opnieuw te gebruiken, kan de betekenis ervan ook afgezwakt of verbogen worden, zoals dit bijvoorbeeld is gebeurd met de term ‘queer’, of binnen de rapmuziek met een woord als ‘nigger’. Je kunt dus scheldwoorden gebruiken zonder de intentie te hebben iemand daarmee te kwetsen, wellicht is de intentie juist omgekeerd.

Volgens Butler monden de pogingen om regels vast te leggen voor het bestraffen van hate speech vaak uit in censurerende wetten die niet zozeer de slachtoffers beschermen als wel de overheidsfunctionarissen. Zo werden tijdens de rechtszaak van het verbrande kruis mogelijke rellen in zwarte wijken als een groter gevaar gezien dan een herhaling van de bedreiging van de zwarte familie.

Wetten waarin zou worden vastgelegd wat onder hate speech valt, dreigen volgens Butler vooral kunstvormen te censureren, waarin juist kwetsende taal wordt ingezet om de betekenis ervan te ontwrichten of een mogelijkheid te creëren om erover na te denken. Butler schrijft hierover: ‘Hoewel in rapmuziek, in films, en zelfs in beeldende tekstelementen in de fotografie en schilderkunst allerlei historische en mogelijk kwetsende woorden opnieuw in omloop worden gebracht, lijken deze manieren om taal in een nieuwe context te plaatsen niet opgevat te worden als kunstzinnige verwerking die bescherming door de grondwet verdient.’

Als hate speech volgens de wet gereguleerd zou worden, dan bepalen de rechtbanken wanneer iets voor hate speech doorgaat en wanneer niet. Dit zou betekenen dat het een zaak van de overheid zou worden om te bepalen wanneer bepaalde uitingen discriminerend of hatelijk worden geacht. Butler waarschuwt voor een dergelijke situatie.

Doordat haar boek over de Amerikaanse rechtspraak gaat, blijft onduidelijk hoe dergelijke processen in Nederland zouden uitpakken. Wellicht heel anders. In Amerika is het bijvoorbeeld verboden om binnen de krijgsmacht te zeggen dat je homo bent. De woorden ‘ik ben homo’ worden als homogedrag beschouwd, wat niet wordt geduld binnen het leger. Een opmerking over de persoonlijke identiteit wordt dan gelijkgesteld aan een handeling die kwalijke gevolgen kan hebben voor anderen. Alsof een beschrijving van jezelf direct invloed zou hebben op anderen. Butler toont aan dat hiermee homoseksualiteit als iets besmettelijks wordt beschouwd zodra het in de openbaarheid komt.

Door de uitspraak ‘ik ben homo’ als handeling, en zelfs homogedrag, te kenmerken, omzeilt de rechtspraak het verwijt dat het censuur zou zijn. Het zou dan immers om een strafbare handeling gaan en niet zomaar om een taaluiting die niet wordt toegestaan. Hiermee wordt opnieuw duidelijk hoezeer het argument dat taaluitingen handelingen zijn twee kanten uit kan werken.

Een dergelijk instrueren van burgers, al dan niet binnen het leger, blijft volgens Butler niet bij een morele richtlijn, het draagt er ook toe bij dat bepaalde soorten burgers in hun bestaan worden gepromoot en andere niet. Reeds in haar boeken Gender Trouble (1990) en Bodies that Matter (1993), waarvan delen zijn vertaald in de bundeling Gender turbulentie (2000), maakte Butler duidelijk hoezeer onze identiteiten en vooral de sekseverschillen geconstrueerd worden door de maatschappij. Op formulieren wordt de vraag naar je naam meestal gevolgd door de vraag van welk geslacht je bent: m/v. En waar en wanneer je bent geboren. Niet alleen op formulieren worden deze categorieën toegepast. Het zijn bepalingen die het denken over onszelf en over anderen continu sturen. Butler laat in haar werk herhaaldelijk zien dat onze identiteiten niet voorafgaan aan dergelijke categorieën, maar er juist door worden gecreëerd.

We worden allemaal bepaald door de categorieën die voorhanden zijn. We kunnen kiezen hoe we onszelf en onze levens beschrijven, maar de keuze wordt beperkt door het gemeengoed van de woorden waaruit we kunnen kiezen. Een puur individuele, originele taal is een onmogelijkheid. Taal is altijd gedeeld en vraagt daarmee altijd om een zekere mate van conformisme; al bestaat dat conformisme slechts uit het gebruik van gedeelde, begrijpelijke woorden en vertelstructuren die ons denken ordenen.

In de voetsporen van de Franse filosoof Michel Foucault toont Butler aan hoezeer taal macht heeft over ons denken en onze wijzen van leven. Foucault heeft in zijn werk de macht ontleed; hij heeft laten zien dat macht niet zozeer door een enkeling of een centraal orgaan wordt uitgeoefend, maar dat macht in allerlei verspreide maatschappelijke structuren ontstaat en doorwerkt. Butler onderzoekt hierbinnen de taalstructuren.

Je kunt geen nieuwe taal uitvinden om aan heersende taaluitingen te ontkomen, maar je kunt de ontwikkelingen van taal en woorden wel beïnvloeden. Dit gaat niet altijd bewust, en meestal zonder vooropgezet plan. En als dit wel met een vooropgezet plan gebeurt, zoals het besluit dat binnen het leger de zin ‘ik ben homo’ niet geuit mag worden, dan blijkt dat deze woorden des te vaker zullen worden gebruikt, aangezien een dergelijk verbod een discussie uitlokt en er door het verbod tevens een verleiding van het verbodene wordt gecreëerd. Hoewel het de bedoeling was dat homoseksualiteit hiermee zoveel mogelijk uit de militaire kring geweerd zou worden, heeft het juist de gedachten en gesprekken over homoseksualiteit gestimuleerd.

Pogingen om taalgebruik te sturen kunnen op het omgekeerde uitlopen. Termen zijn nooit eigendom. Ze kunnen een leven gaan leiden waarvoor ze niet bedoeld waren, wat op zich juist de vrijheid van taal illustreert. Butler laat in haar boek zien dat aan de ene kant woorden, en vooral kwetsende termen, zozeer verbonden zijn met bepaalde contexten dat die moeilijk zijn af te schudden, maar dat aan de andere kant woorden ook in situaties kunnen gaan functioneren waar ze niet in thuishoren, waardoor ze een onverwachte, nieuwe betekenis kunnen aannemen.

Ze begon haar boek met de stelling dat kwetsende woorden je leven kunnen tekenen en ze eindigt met de stelling dat een kwetsende opmerking ook een begin kan zijn van een tegenbeweging. Ons denken en leven wordt voor een groot deel bepaald door taal, maar taal leeft gelukkig ook, en verandert continu door ons veranderend gebruik ervan.