Opheffer

Schelmen (slot)

Vorige week: alles over de overeenkomsten tussen prins Bernhard en James Bond, de twee schelmen. Deze week: nog even over Bernhard en Bond, en slotconclusie.

Dat Ian Flemming prins Bernhard niet helemaal goed had bestudeerd, moge blijken uit het volgende detail. Count Lippe heeft in Thunderball een raadselachtige tatoeage op zijn arm: een zigzaggende lijn die twee verticale lijnen kruist. Bernhards tatoeage op zijn rechterarm bestond uit een zigzaggende lijn die door één verticale lijn werd gekruist. Niet goed opgelet, Ian.
Prins Bernhard was trots op het feit dat hij wellicht model zou hebben gestaan voor James Bond. Iemand zeer dicht bij het koningshuis vertelde mij dat hij ook een fan was van de Bond-films, die hij in het bioscoopje van Soestdijk draaide voor vrienden. Het bevestigt enigszins mijn stelling: echte schelmen zijn oneindig veel leuker dan geromantiseerde schelmen. Bernhard is veel leuker, vreselijker, schelmachtiger dan James Bond.
De grootste schelm in de literatuur is voor mij Richard III van Shakespeare. Ook Richard III heeft echt bestaan. Kan ik echter volhouden dat zijn leven beter is dan de manier waarop Shakespeare hem heeft bewerkt? Dat valt niet te zeggen, omdat er maar weinig over hem bekend is. Weliswaar voerde hij een wreed bewind, maar in tegenstelling tot wat Shakespeare beweert liet hij zijn naasten niet direct ombrengen. Richard III ontkracht dus enigszins de stelling die ik verkondigde, maar ik houd het voordeel van de twijfel.
Wat Richard tot zo’n fantastische schelm maakt, is zijn gewetenloosheid. Het is de troefkaart die hij inzet tegen zijn mismaaktheid. Lijdend aan vier kwalen – een bochel, een mank been, een lamme arm en het uiterlijk van een ‘misbaksel’ – weet hij Lady Anne binnen tien minuten te verleiden, in het mortuarium, daar waar zij haar overleden echtgenoot en schoonvader beweent, die uiteraard zijn neergestoken op instigatie van Richard, en Lady Anne wéét dat. Maar toch, zij kan niet tegen zijn redeneringen en woordenstroom op en raakt verstrikt in zijn taalkundige valstrikken. Een schelm.
De vraag is: waar houdt de schelm op en begint de misdadiger? Die misdadiger is er altijd al. Maar iemand is een schelm als je zijn misdadigheid enigszins kunt vergeven. Bij Richard III kan dat eigenlijk niet. Maar ik zag hem ooit gespeeld door Pierre Bokma, en die maakte een, hoe zal ik het zeggen, ‘geslepen clown’ van hem. Hij oogstte je bewondering en tegelijkertijd kreeg je medelijden waar dat eigenlijk niet moest. Dat lag aan Pierre en aan Shakespeare en niet aan Richard III en daarom hoort hij nog bij de schelmen thuis. Het vreemde is – examenvraag – dat er wel weer veel overeenkomsten zijn tussen prins Bernhard en Richard III.
Ik besluit nu mijn schelmenreeks. Hoewel ik het ook nog een keer wil hebben over politieke schelmen (Churchill, Kennedy, Berlusconi, Fortuyn). Dat is glad ijs, maar daarom zou ik die graag eens beschrijven.
Tot slot: schelmen zijn niet alleen interessant, ze zijn noodzakelijk. Je hebt in onze samenleving af en toe mensen nodig met een dubbele moraal, die charme hebben, verleiden kunnen, iets crimineels niet schuwen en houden van vrijheid. Daarvan hebben we er eigenlijk altijd te weinig.