Schelpen zoeken

Alles zat mee. Bloedwarm weer, zwetende massa’s en podia vol levende en dode legenden. En dan weet je ook nog door te dringen in het heilige der heiligen: de bar van het Bel Air Hotel. Voor schrijver-annex-trombonist Adriaan Jaeggi kon het North Sea Jazz Festival niet meer stuk
IK BEN NIET helemaal gerust op de hele onderneming. Drie dagen zonder slaap, ach, en de immense kuddes die door de zalen van het Congresgebouw dwalen, zal ik wel weten te ontwijken. Dat er meer dan tweehonderd bands, combo’s, special projects en orkesten zullen zijn beangstigt me niet, en ik ben ook niet bevreesd om iets te missen. Het enige waar ik bang voor ben zijn de legendes.

In het programma heb ik er minstens tien geteld. Van nature heb ik sterk de neiging tot heldenverering, en ik kan niet voorzien hoe ik zal reageren op zo veel afgoden, halfgoden, mythische helden en godenzonen in zo'n korte tijd. Het voelt alsof ik aan een queeste begin, op zoek naar ik weet niet wat. Ridder op de dool.
Voor de zekerheid neem ik een drietal getrouwen mee, voor steun en bijstand. We zijn nog geen vijf minuten binnen of het gezelschap van gezworenen valt uit elkaar. Zij willen naar de zelfverklaarde legende Eric Clapton, en ik wil absoluut Ray Charles een keer zien voordat-ie dood is, dus al bij de ingang scheiden onze wegen. We maken een afspraak om elkaar later te ontmoeten en dat is het laatste wat ik van ze zie.
BIJ RAY CHARLES stuit ik op de eerste mythische held. Allen Ginsberg is niet dood! Hij leeft en speelt eerste trompet in het orkest van Charles. Af en toe komt hij van helemaal achter uit het orkest naar voren lopen, speelt een paar noten en kuiert dan weer terug naar zijn plaats, even inhoudend voor een verstrooid buiginkje. De band dendert voort. Ray gooit beide benen in de lucht van plezier.
Net ben ik bekomen van de wonderbaarlijke herrijzenis van Allen Ginsberg, of de volgende legende staat uit het graf op. In een kleine, van theedoeken en zakspiegeltjes gefabriekte tent vlak buiten het Congresgebouw speelt de Gumbo Nouveau Band van Nicolas Payton, een 23-jarige trompettist uit New Orleans. Hij ziet er uit alsof hij geboren is op een planeet met twee keer de zwaartekracht van de aarde. Uit dat gedrongen lichaam loeit een oergeluid op waarvan het tentzeil bol gaat staan. Nog in het applaus van het eerste nummer staat hij als een razende met zijn vingers te knippen, ongeduldig vanwege de seconden dat er niet gespeeld wordt. Hij speelt een eigen stuk, Co-centric Circles, dan een nummer van Donald Byrd, springt veertig jaar terug in de tijd met These Foolish Things, en steekt dan zijn trompet schuin omhoog en jaagt de eerste noten van de Wild Man Blues dwars door het tentzeil. Ergens in het diepe zuiden van Amerika wordt het deksel van een doodskist geschoven. De geest van Louis Armstrong stijgt op en daalt neer in het lichaam van Nicolas Payton.
Zodra de laatste rauwe noten van de Wild Man Blues zijn weggestorven en de muzikanten het podium verlaten, dring ik me naar voren om Louis Armstrong de hand te schudden, maar ik ben te laat. De trompettist schudt mijn hand en bedankt loom voor de complimenten. Hij is weer Nicolas Payton, een dikke zwetende jongen met een kerf in zijn lip.
Ik wissel een paar woorden met bassist en meesterkok H., sessieleider in de Spiegeltent. Hij heeft een directe verbinding met de grapevine en fluistert me in dat een nog levende legende, Wynton Marsalis, om elf uur op hetzelfde podium een workshop zal geven. Mijn hart springt op. ‘Maar niet doorvertellen’, sist H., en knijpt daarbij hard in mijn schouder. 'Anders komen ze allemaal.’
Een half uur later staat het geheim groot aangekondigd in de hal. Het gevoel een uitverkorene te zijn verdwijnt even snel als het gekomen is. Ik besluit een rustige plek op te zoeken voor meditatie. De perskamer misschien? Maar het blijkt daar afgeladen met journalisten. Ze hebben na een paar uur al genoeg gezien van de muziek en zien liever elkaar. Ze stralen een gigantische, overweldigende moeheid uit.
Ik drentel de perskamer maar weer uit, langs een zaal waar het onmiskenbare geluid van een Hammond B3-orgel uit drijft. Dat is onweerstaanbaar, net zo onweerstaanbaar als de geur van geroosterd brood, of hoe sommige meisjes ruiken tussen hun schouder en hun oor.
Binnen zit een tanige mevrouw met armen als bezemstelen in de toetsen van haar Hammond te grutten. Er is iets goed fout. Uit een Hammond B3 kun je ongeveer een miljoen geluiden halen, het een nog opzwepender dan het andere - dus hoe zij het klaarspeelt om net die ene gevilde-kattensound te vinden is me een raadsel. Er zijn muzikanten die er in specialiseren om de meest akelige geluiden te vinden, misschien is zij er zo een.
Haar naam is Barbara Dennerlein, volgens het festival-magazine de beste jazzorganiste ter wereld. Het klinkt mythisch en onwaar, maar hoe ik ook mijn best doe, het lukt me niet om nog een andere jazzorganiste te bedenken dan Barbara Dennerlein. Het is geen benijdenswaardig lot, de beste zijn bij afwezigheid van anderen.
MET HET GEDREIN van Barbara’s Hammond in mijn achterhoofd daal ik af in de krochten van het Congresgebouw, om de Cubanen te steunen. Alsof ze het al niet moeilijk genoeg hebben met de handelsboycot en de armoe, is er op Cuba nu een strijd gaande tussen de vertegenwoordigers van de traditionele salsa en de jonge honden die de nieuwe timba-stroming aanhangen. Hun band, Klimax, wordt aangevoerd door een drummer met de onwaarschijnlijke naam Geraldo Piloto.
Op het met plastic bekers en gescheurde programma’s bezaaide slagveld voor het podium is een uitgeput publiek neergezegen. Twee keyboards worden als bastions vooraan op het podium opgesteld - daarbinnen staat een woud van microfoons. Technici rennen gebukt af en aan. Tot drie keer toe jaagt een snijdende pieptoon door de zaal. Het volk mort.
Dan schrijdt Geraldo Piloto het podium op. Hij zwaait met zijn stokken en het hele podium blijkt als bij toverslag gevuld. De blazerssectie heft de hoorns en haalt diep adem. Piloto tikt het clave-patroon af, tak-tak-tak/ takták, en dan gebeurt alles gelijk. Er schicht weerlicht over het podium, de donder van de conga’s en timbáles rolt af en aan. De ritmesectie stormt ten aanval, de blazers trekken schetterend op over de flanken. Drie zangers in gemeen glimmende pakken trekken een spurt naar de microfoons.
Als één man is het publiek opgesprongen en heeft het podium bestormd, maar de zangers slaan glimlachend de aanvallen af. Hun strijdkreten snijden door het ritme als kruisboogpijlen. Hun aanvoerder, een gewezen stierenvechter met een messcherp snorretje staat zegevierend voor op het podium en overziet het pandemonium. Hij heerst.
UREN LATER staat hij naast me in de bar van het Bel Air Hotel. Hij blijkt in die paar uur gekrompen tot de afmetingen van een brugklasser. Hij leunt op een giechelend, in parfum gedrenkt meisje en zingt een liedje met veel corazón en amor in haar oor.
Er schijnen mensen te zijn die alleen naar de bar van het Bel Air Hotel gaan en het festival links laten liggen. Aangetrokken door mythische verhalen over eindeloze after hours-parties en legendarische jam-sessies ben ik ook in de Embassy Bar onder in het Bel Air beland. Niet zonder slag of stoot: tegenwoordig moet je, behalve een perskaart, ook een speciale uitnodiging hebben om binnen te komen in het hotel waar de muzikanten logeren. Na uitputtende onderhandelingen met Basil Barsounian, verlicht despoot van het Bel Air, ben ik eindelijk in het bezit van de felbegeerde schat. De gorilla’s bij de ingang wijken met tegenzin.
De trap afdalend zink ik weg in een moeras van condens, zweet in alle smaken en geuren, Amerikaanse muskusaftershave en -parfum, rook, opgewonden gekwetter, geschreeuw en de opwindende bronstgeluiden van een grote kudde, onder begeleiding van kopergeschetter en gejank van gitaren. Het percentage uitvreters en verlepte vrouwen is zeer hoog.
De sessie is in volle gang. Op een podium ter grootte van een dienblad hokken een drummer, een pianist, een bassist en een rastafari met een steeldrum bijeen. Ze zijn uren geleden begonnen aan All the Things You Are, en dat nummer staat ook voor de komende uren nog gepland. Solist na solist dringt zich naar voren. De trompettisten zijn in de meerderheid. Ik zie hoe nationale trompetheldin Saskia Laroo lief glimlachend tussen alle kerels staat, maar als het moment komt dat de volgende solist het mag overnemen, spannen de spieren in haar hals en armen. Precies op het juiste moment maakt ze haar move, zoals een schaker onverwacht een lang voorbereide manoeuvre uitvoert. Twee stappen en ze is daar waar iedereen wil zijn, pal voor de ritmesectie, aan het begin van net zo veel chorussen als je maar opkunt.
Een echtpaar van een jaar of vijftig wijkt niet van hun plek pal vooraan. Ze staan er al uren. Zij heeft haar ogen gesloten en wiegt heen en weer zoals alle oudere mensen doen die een snelle vierkwartsmaat horen, en hij houdt, het hoofd gebogen, zijn ene hand om haar bovenarm geklemd en tikt met de andere hard en enthousiast de maat mee op haar achterhoofd. Telkens als hij opzij wordt geduwd door een nieuwe muzikant, kijkt hij even op en rilt van zaligheid.
De ene na de andere solo treedt buiten zijn oevers, er is geen houden aan. Ik drink een paar liter bier, rook anderhalf pakje sigaretten, heb half geschreeuwde gesprekken met drie negers en twee blanken, ga vijf keer naar de wc, zeg een paar mantra’s om mijn bloedsomloop op gang te houden, wissel van gedachten met een meisje met liefdesverdriet, verkoop een filmscript aan een Zuidafrikaanse producent, help een uurtje achter de bar, en als ik terugkom raast All the Things You Are onverstoorbaar door.
WYNTON MARSALIS is ook geweest, hoor ik. Hij heeft vele nieuwe bekeerlingen gemaakt. Iedereen wil getuigen hoe het was. 'Hij had een enorm wit pak aan, twee keer zo groot als hijzelf.’ 'Hij was heel vriendelijk.’ 'Heb je dat gehoord, hoe hij…? Ja, precies!’ 'Hij had die wonderlijke, unieke trompet bij zich, die hij zelf schijnt te smeden.’ 'Hij speelde als een god.’ 'We hebben nog met hem gepraat.’ 'Hij was heel aardig.’ 'Het is eigenlijk een heel gewone man.’ 'Hij schijnt op zijn hotelkamer een feestje te geven.’ 'Hij wilde mijn telefoonnummer.’ 'Niemand kan aan hem tippen.’
Een nieuw evangelie is geboren, en Marsalis is nog maar net verdwenen. Ik begin me af te vragen of ik wel op de goede weg ben. Als er iets is waar ik níet naar op zoek ben is het een nieuw evangelie. Ik voel een visioen opkomen en zoek een rustig plekje, waar ik geen bloemstukken of hotelgasten ondersteboven zal lopen.
Als ik mijn ogen sluit, zie ik een leger van kinderen. Ze staan voor hun muziekstandaards, een blokfluit of saxofoon verbeten tussen hun lippen. Anderen zitten op pianokrukken met bengelende benen en strekken hun handen over de witte en zwarte toetsen, vergeefs proberend om de onverbiddelijke metronoom bij te houden. Ik zie honderden dunne meisjes hun driekwart-viool krampachtig tussen hun schouder en kin klemmen terwijl ze, net als alle andere leerlingen in het stoffige muzieklokaaltje, bidden dat de muziekleraar, die achter hun ruggen heen en weer loopt en met een liniaal in zijn hand de maat slaat, hen niet zal uitkiezen om solo te spelen. In een kamer een verdieping hoger tracht een schraal jochie van een jaar of vijftien stotterend aan zijn lerares uit te leggen waarom hij zijn klarinetoefeningen deze week niet kon doen. Zij heeft vóór de les zijn riet bekeken en geconstateerd dat het zo droog is dat er al zeker een week niet op gespeeld kon zijn. Hij probeert zich te verschuilen achter zijn dunne instrument.
Als ik mijn ogen weer open, is het klaarlichte dag. De bar is leeg. Een ober met diepe groeven in zijn gezicht stoot zijn bezem tegen mijn voeten. Op het podium staat een naamloze man heen en weer te wiegen. Hij neuriet All the Things You Are.
NOG ALTIJD weet ik niet wat ik zoek. Zou Steve Turre me kunnen helpen? Als iemand het weet, is hij het. Hij is teruggegaan tot de roots, terug naar de oceaanschelpen en de antilopenhoorns, de allereerste instrumenten. Waarom weet ik niet, maar misschien kan hij het me uitleggen.
In de Spiegeltent schrijdt hij rond, een fluisterende reus. Een berg van een man, een Neptunus met een luid overhemd. Hij gebaart en onderwijst en begeeft zich dan tussen het aan zijn voeten knielende en hurkende publiek, blazend en puffend, twee sierlijke schelpen aan zijn mond. Het is een wonderlijk geluid, maar in de kleine tent waar we ons bevinden lijkt het toch niet meer dan een gimmick, een slim gevonden maar muzikaal te verwaarlozen grapje.
Pas als Turre naar boven verhuist, naar de tent op het dakterras waar zijn band op hem wacht, blijkt de werkelijke betekenis ervan. De schelpen zijn bezield. De diepe resonantie van een schelp die ooit een levend wezen bevatte, vermengt zich met de jun-jun, de shakere, de Krin, de djembé en het ruisen van het applaus.
Steve Turre schreeuwt en gebaart, de Kuduhoorn moet luider, kom eens door met die conga’s! En dan stelt hij zich wijdbeens op voor de microfoon, ruilt de schelp in voor een trombone en begint een woeste solo.
De andere trombonisten mengen zich schetterend in het gewoel. Olifantenruzie. De kleine pianist die de janboel aandrijft met zijn montuno grijnst een grijns breder dan zijn gezicht. De drummers zijn wazige, onscherpe vegen geworden. Aan hun voeten kabbelt een riviertje van zweet en condens.
Er zijn geen vragen in mij overgebleven. Als ik hier mag blijven zitten is het goed. Het geluid van de band wordt luider en luider. Als ik mij omdraai, zie ik Allen Ginsberg tussen het publiek zitten. Hij heeft een jurk aan en ziet er erg gelukkig uit.