Schelto patijn

SCHELTO PATIJN Het moest een Amsterdammer zijn, bij voorkeur een vrouw en in elk geval iemand die zijn sporen in het verzet had verdiend. Het werd Schelto Patijn. Terugblik op vier jaar turbulent burgemeesterschap in Mokum.

SCHELTO PATIJN, de pasbenoemde commissaris van het stadsgewest Amsterdam, wist al in 1994, toen hij aantrad als burgemeester van Amsterdam: binnen afzienbare tijd zou burgemeester Patijn burgemeester Patijn overbodig maken.
Vier jaar is hij eerste burger van ’s lands eerste en enige stad geweest. Nu is hij in een wat waterige functie teruggekeerd, even waterig als zijn toenmalige commissariaat van de Koningin in het toenmalige Zuid-Holland. Of zoals commissaris Patijn onlangs in het Amsterdams Stadsblad verklaarde: ‘Het is nu eenmaal niet mogelijk voor - ik noem maar een voorbeeld - de gemeente Mijdrecht dezelfde hartstocht op te brengen als voor een bloedwarme gemeente - zeg maar gemeenschap - als Amsterdam.’ Waaraan Patijn met de hem kenmerkende voorzichtigheid toevoegde 'dat hiermee niets ten nadele van de gemeente Mijdrecht moge zijn gezegd, waar het werkelijk alleraardigst wonen en werken is’.
MEN HERINNERE zich het profiel dat de Amsterdamse gemeenteraad toentertijd voor ogen stond, nadat Patijns voorganger Ed. van Thijn tussentijds naar Den Haag was vertrokken. Het moest een Amsterdammer zijn, bij voorkeur een vrouw en in elk geval iemand die zijn sporen in het verzet had verdiend. Patijn voldeed niet aan dit beeld. Hij kwam uit het Bezuidenhout ('De familie is nog steeds heel Haags’), was een degelijke huisvader en voor een daadwerkelijke rol in het verzet was hij (57) net wat jong. Maar belangrijker bleek uiteindelijk dat hij als een onmiskenbaar nette, plooibare en plichtsgetrouwe man bekend stond, van wie het duidelijk was dat hij al snel zou aarden aan de boorden van de Amstel.
Noortje van Oostveen, langjarig voorlichtster van de gemeente, herinnert zich: 'De wijze waarop hij zich probeerde in te werken had iets vertederends. Ik zie hem nog zitten, met de kaart van Amsterdam op zijn bureau. Of ik hem kon aanwijzen waar de Kalverstraat lag. En de Staatsliedenbuurt. En het Oudekerksplein. Ik moet zeggen: hij heeft snel geleerd.’
Met alle welwillendheid waarmee de burgemeester in die dagen is ontvangen, toch was het voor menigeen de vraag of hij in staat zou zijn in de voetsporen van zijn immens populaire voorganger te treden. Was hij, de afstandelijke patricier, wel opgewassen tegen de driekwartmiljoen goedgebekte hoofdstedelijke straatvechters? De feiten zijn bekend: Van Thijn, van het Waterlooplein naar het Binnenhof getransfereerd, raakte in politieke moeilijkheden toen bleek dat hij de lokale politie, zijn vriend commissaris Eric Nordholt op kop, wat al te veel de vrije hand had gelaten. Reeds bij zijn eerste optreden liet Patijn blijken dat met hem geen doetje in huis was gehaald. Men moest zich goed realiseren, sprak hij ondubbelzinnig in zijn installatierede, hij, de burgemeester, was de korpsbeheerder en niemand anders. Een constatering die met name Nordholt (die zich vanzelfsprekend onder de genodigden bevond) in zijn zak kon steken.
Even kenmerkend was het slot van de toespraak. Frans Heddema, hoofdredacteur van Het Parool, toen chef van de stadsredactie: 'Er had een berichtje in de krant gestaan waaruit bleek dat de politie die paar zwervers op en om het Leidseplein wilde verbieden om publiekelijk hun pilsje te drinken, omdat dit “liederlijk gedrag” niet kon worden getolereerd. Bespottelijk, natuurlijk, die lui doen niemand kwaad. Ik herinner me nog als de dag van vandaag wat Patijn zei: “Naar mijn mening heeft een stad als Amsterdam andere prioriteiten dan een handvol verschoppelingen achter de vodden te zitten. Hoe het ook zij, van een dergelijke maatregel kan geen sprake zijn en een ieder die het ook maar waagt die arme schlemielen ook maar een haar te krenken, krijgt met mij te doen.” Daar was geen woord Haags bij. Het was even stil. Toen begon de hele raad als een razende te applaudisseren, zelfs die drie klonen van Janmaat. Plus de hele perstribune, wat eigenlijk helemaal niet hoort. Reeds toen wist ik: die man deugt.’
ZIJN POGING OM zich zoveel mogelijk in de jofele Amsterdamse mentaliteit in te leven had aanvankelijk iets geforceerds. Zo stond Patijn er van het begin af aan op met 'Schelto’ te worden aangesproken - iets wat menigeen, bijvoorbeeld zijn chauffeur, zichtbaar in verlegenheid bracht. De arme man werd er niet gelukkiger op toen zijn chef even later een 'dienstfiets’ bestelde, omdat hij had vernomen dat de ware Amsterdammer zich tweewielig door het stadsgewoel beweegt. Niemand had Patijn verteld dat zo'n voertuig in Amsterdam binnen vierentwintig uur pleegt te worden gejat. Patijn was onaangenaam verrast; hij had nota bene net uit eigen zak een stel splinternieuwe snelbinders gekocht! Eric Nordholt, toen ’s stads meest prominente dievenvanger, thans minister van Binnenlandse Zaken: 'Ik zie hem nog op hoge benen mijn kamer binnenkomen. Of het geen schandaal was! En ik zei, om hem te pesten: “Burgemeester, u bent hier de korpsbeheerder en niemand anders, dus zorg er maar zelf voor dat u die fiets terugkrijgt. Aardige kerel, hoor, van mij zult u geen kwaad woord meer over hem horen.’
'HIJ IS EEN echte teamwerker’, zegt Ernst Bakker, wethouder van cultuur. 'Hij laat iedereen in zijn waarde. Ook mij. En elke keer ben ik weer onder de indruk van zijn dossierkennis. Het is ploeteren, hoor, onder zijn fluwelen zweep. Ik kan me de dag niet meer heugen dat ik gezellig in het cafe heb gezeten. Voor mij persoonlijk is het trouwens prettig dat er eindelijk iemand in het college zat die een beetje verstand van kunst had.’
Wat dat betreft komt Schelto Patijn uit een goed nest: zijn grootvader Hugo speelde cello in het Concertgebouworkest, terwijl zijn oudoom Daan bestuurslid van dit gereputeerde ensemble is geweest. Zelf werd Patijn met regelmaat in de Haagse Koninklijke Schouwburg gesignaleerd. Heeft hij ooit op de tribune gezeten van FC Den Haag, de residentiele, inmiddels failliete topclub van zijn vaderstad? Nu bevindt hij zich elke veertien dagen op de tribune van het splinternieuwe Ajaxstadion. Technisch directeur Ruud Gullit: 'Ik moet zeggen, meneer Patijn spreekt inmiddels een aardig mondje mee. Vroeger, als ik het zeggen mag, kon hij geen doelpaal van een cornervlag onderscheiden, maar inmiddels heeft hij zijn huiswerk gedaan. Toffe goser, als je het mij vraagt. Leuk voor hem - en voor ons - dat Ajax nu al voor de vijfde keer achter elkaar kampioen is geworden.’
Patijns apeliefde voor zijn nieuwe gemeente nam soms bijna overdreven vormen aan. Annemarie Grewel, wethouder voor minderheden en allochtone integratie: 'Ik herinner me de B&W-vergadering over de afbraak van de IJ-oevers. Geen onbelangrijk onderwerp. Maar waar was Schelto? Wij wisten het niet. Totdat de gemeentesecretaris de vergaderzaal binnenkwam. 'Schelto?’ zei hij. 'O, die staat waarschijnlijk weer eens in cafe De Twee Zwaantjes ’'Aan de voet van die oude Wester” te zingen.’
Ja, soms etaleert Patijn de overijver van de bekeerling die zich begint te realiseren dat hij eigenlijk driekwart leven lang in de verkeerde stad heeft gewoond. Elke typisch Amsterdamse institutie die in zijn voortbestaan wordt bedreigd, kan op zijn warme belangstelling rekenen. Hij heeft er een speciaal fonds voor gesticht dat in de volksmond 'het potje van Patijn’ wordt genoemd. Hieruit financiert hij de tekorten van zowel gebouw De Krakeling als de Volksgaarkeuken in de Spuistraat als de haringkraam op de hoek van de Prinsengracht/Utrechtsestraat. De gift a fonds perdu van drieeneenhalf miljoen, die hij recentelijk aan het weekblad De Groene Amsterdammer heeft geschonken, heeft tot vragen in de gemeenteraad geleid. Het is geen geheim dat 'deze sinterklazerij’ een man als zijn collega Frank de Grave, met alle waardering, een doorn in het oog is. 'Soms gaat hij inderdaad wel eens wat te ver’, laat de wethouder van financien via zijn woordvoerder weten.
AMSTERDAM IS EEN lastige stad gebleven, ook in de vier jaar dat Schelto Patijn de gemeente beheerde. Nooit zal hem aan het verstand te brengen zijn dat je, als je uit goedbedoelde maar slecht getaxeerde jovialiteit een dakdekker of stratenmaker op de schouder slaat, een gerede kans loopt een lel terug te krijgen. Maar hij begeeft zich met onloochenbaar engagement door straten en stegen en heeft het hart gewonnen van 'de mannen met de kloeke duimen en de vrouwen met de kroespermanenten’, zoals de hoofdstedelijke populatie werd getypeerd door Simon Carmiggelt, eveneens een Hagenaar die uiteindelijk goed terecht is gekomen. Nee, een echte Mokumer zal Patijn nooit worden. Hindert niets. Echte Mokumers zijn er in Amsterdam nog steeds meer dan genoeg voorhanden.