DANSMIME/MIMEDANS

Schemer

We zijn te gast bij Boukje Schweigman & companen. En dat betekent dat we raar starten. Via het trappenhuis van Theater Frascati in de Amsterdamse Nes belanden we, na een wandeling achterlangs de beroemde balkonnetjes, in zaal 1. ‘Zoekt u maar een plekje in de ruimte’, fluistert een ouvreuse me geruststellend toe. Wat niet zonder problemen is. De ruimte is namelijk pikkeduister. 'Niet wéér in het donker’, kreunt een dame achter me, die zo te horen in toneelzalen al veel heeft geleden. Nabije lotgenoten zijn eerst voelbaar en daarna vaag zichtbaar, omdat kolommen licht her en der liggende figuren beschijnen. In de verte lijkt heftig gestommel op struikelpartijen. Na vijf of tien minuten (duisternis vermenigvuldigt de tijd) horen we in een andere verte de heerlijk heftige ruis die in toneelzalen 'vallend doek’ betekent en uit de duisternis duikt een tribune op, met stoelen. 'Zo, nu kunnen we zien wat we zeggen’, herademt de lijdende dame van daarnet. Ze gaat pal achter me zitten. Ik hoop dat ze een weinig zeggende toeschouwer zal blijken te zijn.

In de nieuwe duisternis ontwaren we een langzaam bewegende berg lijven. Boukje Schweigman leert ons - net als in haar eerdere voorstelling Grond - eerst kijken en daarna zien in het duister, ze bezorgt ons als het ware kattenogen. Ik tel zeven lichamen, nee negen, trompe-l'oeil nummer één dient zich aan, met twee van de lichamen is iets mis, hun ledematen doen dingen die niet kunnen, bovendien zijn ze gezichtsloos, imkers, ninja’s, poppen? Dat gaan we nog zien. De berg mimedansers beweegt zich diagonaalsgewijs naar achter, levende muziek lijkt hen te sturen, dan opeens kijken zeven (jawel, het zijn er zeven) paar ogen ons een volle minuut lang strak aan en ze verdwijnen weer, om als individuen terug te keren, stuiterend met hun lichamen, stuiptrekkend op het ritme van een wonderlijk snaarinstrument op de eerste rij.

Wat ik beschrijf is, vermoed ik, een twintigtal minuten uit de voorstelling Tussen die een kleine anderhalf uur duurt, een gebeurtenis die je beschrijvend in je hoofd kunt volgen, maar ook door een paar draadjes tussen hersens door te knippen, en je te laten verbazen door de wonderlijke fysieke verschijning van de butoh-danser Kenzo Kusuda, die in een andere, fabelachtige diagonaal een complete reeks dansmimers lijkt mee te slepen als een lang uitgevallen kroningssleep. Er wordt (waarschuwing!) in het weelderige lichtontwerp (Theun Mosk) stroboscopisch licht gebruikt, om geflitste 'foto’s’ te maken van het ensemble, en vooral van de als een roofdier rond de kudde dansende Kusuda. En dan wordt het stroboscoopeffect als het ware in de tijd verlengd, parallel aan een plotse verandering van de choreografie: een substantieel deel van de dansmimers komt recht op ons af in het licht, bestijgt ons in het duister en is opeens wonderschoon dichtbij in het nieuwe licht. Ze rusten na hard werken afgetraind uit op ons, de toeschouwers, die één grote, wiegende schoot zijn geworden. Dan is ’t gedaan, en bevrijd van de schemer tussen clair-obscur en zwanger donker, danken ze ons, in hun midden de bedenker, die meedeed. Ze heeft het weer geflikt, die kleine heks Schweigman, ons betoverd en betinkeld in het halfduister van het eindeloos 'tussen’. De jongedame die zozeer lijdt in donkere toneelzalen, sist achter me haar weinig benijdenswaardige vriendin toe: 'Ach, kind, dit is al zó vaak gedaan.’ Ach trut, denk ik stiekem, want: nog nooit door hen! En nog nooit voor ons!

Tussen door Boukje Schweigman speelt nog tot half april, www.boukjeschweigman.nl