Schemer

Mijn collega Chris van der Heijden betoogde dat er in Nederland in de Tweede Wereldoorlog ‘grijs’ werd gedacht. De Duitsers, dat konden toch geen slechte mensen zijn, en joden… dat was toch ook vreemd volk.

Dieper dan dit gingen de redeneringen niet.

Door die grijze houding waren we niet erg moedig, maar ook niet erg laf. Ja, er waren NSB’ers, maar er waren ook verzetshelden!

Ik zou Van der Heijden moeten vragen wat een goede definitie van ‘grijs’ is, maar mijn intuïtie vertelt me dat het de houding is van de man die verborgen achter de gordijnen gadeslaat wat er in zijn straat gebeurt; hij zal pas in opstand komen als er ‘iets’ in hem geraakt wordt. Dat kan zijn geloof zijn, zijn gevoel voor rechtvaardigheid, zijn temperament, maar precies weet je het niet. Hij kijkt, maar onderneemt vooralsnog niets.

Overigens, het woordje ‘maar’ is typerend voor de Grijzen.

Ik heb geen redenen aan te nemen dat Nederlanders nu niet ‘grijs’ zijn.

Ze zien elke dag wat er in Gaza gebeurt en een deel zegt: ‘Schande wat Israël daar doet, maar waarom blijft Hamas raketten afschieten?’ Of andersom: ‘Walgelijk wat Hamas doet, maar Israël heeft dit wel over zichzelf afgeroepen.’

Stelling nemen, is achter dat raam vandaan komen. Dat doen we niet graag. We blijven het liefst de straat van achter dat gordijn gadeslaan; de buurman mag doen wat hij wil, maar als we in de positie worden gebracht dat de politie ons vraagt wat de buurman uitspookt, dan zullen we eens haarfijn uit de doeken doen wat we denken wat zich aan de overkant allemaal heeft afgespeeld. Of dat nu klopt of niet.

Grijs is de schutkleur van de schaamte, van het niet precies weten.

Zo verbaast het mij dat er mensen zijn die maar willen betogen dat ‘niet alle moslims zijn zoals de moslims van IS’. Dat zal best. Niet alle katholieken waren zoals destijds monseigneur Gijsen. Ik weet dat wel, iedereen weet dat. Maar in de jaren zeventig vroeg ik ook aan mijn katholieke vriendjes: ‘Oké, je bent niet katholiek à la Gijsen, maar wat dan wel?’

Ik kreeg dan altijd een grijs verhaal.

Als student heb ik vriendschappen beëindigd als God een te grote rol speelde

Ze geloofden in God (‘Jij toch ook? Nee? Jawel toch? Echt niet? Nou, dat geloof ik niet’) en hielden van de sfeer van het katholicisme. Maar de bijbel lazen ze niet, en wat voor zin had het om hun ouders te pijnigen, want ze hadden heel lieve ouders, en dus trouwden ze in de kerk en gingen ze op kerstavond naar de kerstmis, en daarna wat eten, want dat was zo’n gezellige traditie…

Grijs.

Dat grijze schemergebied hebben we altijd onthaald op een hartelijk en vriendelijk applaus dat voor een deel aan onszelf gericht was. Het is in dat schemergebied waar ook onze tolerantie woont.

Iets mag niet, maar mag ook weer een beetje wel. Het is grijs. Aan de achterkant komt de illegale wiet binnen die we aan de voorkant legaal verkopen.

Ja, ik weet het: niet alle moslims zijn IS-strijders.

Maar het zijn wel moslims! Ik bedoel: net als mijn katholieke vrienden geloven ze in sprookjes en ik vind dat, hoe lief iedereen ook is, toch vervelend, want wie in sprookjes gelooft laat zich aan waarheid en werkelijkheid weinig gelegen liggen.

Als student heb ik vriendschappen wel beëindigd als God een te grote rol speelde. Ikzelf aanbad in die tijd Marx, dus ik verdien ook een boetekleed.

Nu ik ouder ben, weet ik dat iemand overhalen iets anders te geloven dan hij doet onmogelijk is.

Wat wel wil helpen is het belachelijk maken, het kleineren, het allerminst respectvol bejegenen in de hoop dat de ander zich absurd gaat voelen en gaat twijfelen.

Maar dat mag dan weer niet van onze wet.