Scheppersgeluk

Word je gelukkig van literatuur? Die vraag lokte me vanaf de voorpagina van NRC _ _ Handelsblad op vrijdag 11 mei het boekenkatern in. Goede vraag. Boven het bewuste artikel was het al wat afgezwakt: ‘Heeft kunst een rol in het zoeken naar geluk? Zo ja, heeft literatuur daar nog een maatgevend deel in? Antwoorden van Willem Jan Otten.’

De auteur besprak een essaybundel van Marc Reugebrink (Het geluk van de kunst). Ottens oordeel: ‘Zwiepend soort essayistiek waar je weliswaar instemmend bij kunt knikken, maar die je je doet afvragen: is dit dan dus het gezaghebbende gedenk waar hij op doelt?’

Intussen waren we mijlenver afgedreven van de simpele maar relevante vraag die ons op de voorpagina was beloofd (‘Word je gelukkig van literatuur?’). Ook over dat ‘maatgevende deel’ in de zoektocht naar geluk kwam geen antwoord.

Zelf was Willem Jan Otten dan weer teleurgesteld in Reugebrink. Bij hem las hij alleen maar over literatuur waarin ‘existentieel mislukken’ voorop stond, terwijl Otten had gehoopt op ‘de vreugde die dertig jaar literatuur scheppen met zich mee gebracht zou kunnen hebben’. Verwijtend: ‘Over de verrukkingen van het maken, de opwinding van opgaan in fictie, de wiekslag van de verbeelding gaat het niet.’

Scheppersgeluk. Er zijn blijkbaar schrijvers die dat ervaren. Er zijn er bij die het schrijven werkelijk leuk lijken te vinden. Als ik van zulke gevallen hoor, voel ik meteen een mengeling van afgunst en wantrouwen. Natuurlijk droom je ervan dat het schrijven je ‘verrukking’ gaat brengen. Vooral bij boeken waar je nog geen pagina aan hebt geschreven kun je gemakkelijk fantaseren over die uren waarin je in een flow zit, en in een ijle extase het ene vel na het andere volschrijft, tintelend van genot, terwijl je de scènes die je schrijft haast tastbaar voor je ziet. Eenmaal aan het werk ben je echter een vlo die verschrompelt onder het grote visioen waar het mee begon. De ongeschreven boeken zijn altijd het mooist.

De keren dat ik me laat meeslepen en op z’n Ottens ‘opga’ in de ‘wiekslag’ van mijn verbeelding blijk ik bij nader inzien matig werk te hebben geschreven. De verrukkingen van Willem Jan Otten zijn, wat mij betreft, verrukkingen die alleen voor de lezers zijn weggelegd. Zelfs als lezer van je eigen boeken is het lastig om te genieten. Hoe fris en vitaal de teksten voor buitenstaanders ook kunnen zijn, zelf zie je er het voorafgaande gedonder en geklooi doorheen.

Bijvoorbeeld dat schrijven er vaak op neerkomt dat je tegen het verder schrijven opziet, terugleest, jezelf over de drempel van de weerzin heen tilt, bereid om jezelf dan maar ‘gewoon’ er ‘doorheen’ te schrijven. Op de website van Ivo Victoria zag ik een geweldige compilatie van fragmenten van een video­dagboek dat hij bijhield tijdens het maken van zijn laatste boek, Gelukkig zijn wij machteloos. Ook hier was weinig ‘scheppersgeluk’ te proeven. Daar zit hij dan, nadat hij dacht dat het nu toch echt volbracht was. Z’n vriendin las dertig pagina’s naast hem in bed. Wat ze ervan vond? Ze begreep er helemaal niets van. ‘En vervolgens zei ze: slaap wel.’ Diepe zucht: ‘Ze had gelijk…’ Aan het werk maar weer.

Acteurs zijn altijd verrast als ze na repetities ineens voor een publiek spelen dat lacht om de grappen en schrikt van de klappen. Zelf waren ze al lang vergeten dat het grappen en klappen waren.

De lezer heeft het maar makkelijk, met zo’n af boek in handen, zonder het ploeteren en schrappen er doorheen te zien. Hij kan opgaan in fictie, zoals hij ook op kan gaan in muziek. (Word je gelukkig van muziek? Daar zullen veel meer mensen meteen ja op zeggen.) Hij kan zijn inlevingsvermogen vergroten, reizen maken, zich overgeven aan lyrische momenten, afgewerkte details bewonderen, zijn wereldbeeld aanscherpen, zijn gedachten op orde krijgen en hij hoeft zich nergens zorgen om te maken.

Maar laten we eerlijk blijven. Het is met boeken net als met sterfgevallen: hoeveel raken ons nu werkelijk, gedurende heel ons leven? Toch niet meer dan tien.

Waar Otten ‘instemmend bij knikt’ is Reugebrinks verzuchting dat de literatuur zo gemarginaliseerd is, niet langer het kloppend hart van de cultuur is. De bekende klachten, en hoewel ik me ook wel eens bij het klaagkoor voegde, begin ik optimistischer te worden.

Is literatuur niet altijd marginaal geweest? Hoeveel verkochten Du Perron, Nescio en zelfs Theo Thijssen in hun tijd? Die stonden toch ook niet in het hart van hun cultuur. Tegenover elk serieus boek stonden ook toen tientallen sellers in de amusementswereld. Het aantal literaire debuten, prijzen, en nieuwe romans van gevestigde schrijvers is waanzinnig groot. Vergelijk je de literatuur met de hedendaags gecomponeerde muziek of de conceptuele beeldende kunst, waar het publiek bij is afgehaakt, dan gaat het zo slecht nog niet, gelukkig.