Scheren langs de afgrond

Niets is zo moeilijk als uitleggen wat mooi is. Ik weet niet wat dat is, maar het komt gelijk zo slap je strot uit. Dat je iets waardeloos vindt, klinkt veel beter. Zo formuleert de zeventienjarige Mariecke Grayson het in het romandebuut van Mirjam Boelsums, waarmee ze een loei van een spijker op zijn kop slaat. Slangen aaien is namelijk een gaaf boek, ‘gaaf’ in de ouwelullen-zin van het woord, waarmee meteen alles gezegd lijkt. Alles klopt, alles past. De wereld die in iets meer dan honderdvijftig bladzijden wordt neergezet, zindert van de hopeloze razernij die des pubers is en die alleen maar verwoord kan worden door iemand die het puberen alweer een tijdje achter zich heeft gelaten. Op een toon die vanzelfsprekend en achteloos doordrenst. Zo vanzelfsprekend en gewoon dat het bijna gewoontjes lijkt.

Mariecke praat in Slangen aaien tegen ons, de lezers, aan één stuk door. Niet opgewonden, maar laconiek en cynisch. De reclasseringsambtenaar, door Mariecke vereerd met de naam Lipstick, mocht lijden dat zij zoveel van haar cliëntje te horen kreeg. Mariecke zit opgesloten in een internaat, omdat er iets gebeurd is met een leraar van haar school. Iets fataals, waar zij mogelijk de hand in heeft gehad. Lipstick is uit op het grote waarom, terwijl Mariecke denkt: ‘Waarom, waarom, je kunt ermee doorgaan tot je uitkomt bij de geboorte van Christus. Ik heb dat heel erg, ik ga door tot de oerknal en dan vraag ik me nog af wie de lont heeft aangestoken.’ Ondertussen komen we meer te weten van Mariecke en wordt het bijna verwonderlijk dat er niet meer doden vallen.
In Boelsums’ roman krijgt Het Gevaar de rol die het toekomt in het leven van een zeventienjarig meisje. Dat jong en naïef is en ten prooi wil vallen aan iedere gek, maar dat net genoeg gevoel voor zelfbehoud heeft om het bij kleine ongelukjes te laten blijven. Mariecke scheert voortdurend langs de afgrond, natuurlijk daartoe aangemoedigd door de vriendin met de grote bek. Haar ouders hebben er weinig weet van, want die hebben haar gestald bij een artistiekerige kennis en zijn zelf in het buitenland gaan wonen. Alles met het oog op de carrière van Marieckes vader, door haar consequent en treffend aangeduid met De Specialist. De vader is een streber, de moeder ziekelijk, en Mariecke mag op gezette tijden komen opdraven, bijvoorbeeld als haar vader een prijs uitgereikt gaat krijgen. Over waarom mensen aan nageslacht doen heeft Mariecke dan ook duidelijke opvattingen. Als het ze allemaal niet lukt, en ze niet zo goed blijken te zijn als ze hadden gedacht, dan nemen ze gewoon kinderen, dan kunnen die het voor hen opknappen.
Gaandeweg het boek blijkt dat een vroeger drama Marieckes houding tegenover haar ouders bepaalt. Deze geschiedenis, waarvan haar vriendinnetje Jessica het slachtoffer is geworden, wordt langzaam onthuld. Er blijken dus twee mysteries te zijn die moeten worden opgelost in Slangen aaien. Hoe is het met die leraar afgelopen en wat is er met het jeugdvriendinnetje gebeurd? Op een ongelooflijk knappe manier heeft Boelsums de verhalen in elkaar gevlochten. Niet gekunsteld, maar heel soepel zijn de overgangen van nu (het internaat), naar toen (de escapades met de gevaarlijke vriendin) en nog verder terug in de tijd (de uitstapjes met een kleiner gevaarlijk vriendinnetje). Mariecke zal het geen tweede keer gebeuren dat ze dadeloos toeziet en een vriendin verraadt.
Zo samengevat klinkt het verhaal dramatischer dan het in Boelsums’ uitwerking is. Het is het typische verhaal van de adolescent die weigert te worden ingelijfd in de samenzwering van idioten en ellendelingen die volwassen wereld heet. De schrijfster heeft precies de goede toon gevonden om die pathetiek te verwoorden: lichtvoetig en bitter-geestig. Houdt ze die toon vol, dacht ik halverwege met ingehouden adem, en ja, Boelsums houdt die toon vol. Het levert lekker sardonische beschrijvingen op van het internaatsleven: 'Vannacht hebben we oudejaar gevierd. Om twaalf uur kregen we allemaal een sterretje, zo'n lange die nooit ophoudt. Ik geloof dat het de bedoeling was dat we ermee in het rond gingen zwaaien. Niemand deed het, behalve de begeleiders natuurlijk.’ De afkeer van volwassenen in het algemeen en leraren in het bijzonder wordt terloops verwoord in zinnetjes als: 'Ik krijg niet vaak een hand van een leraar en wat mij betreft hoeft het ook niet zo.’
Kenmerkend voor Boelsums’ stijl is de simpelheid. Soms komt naar mijn smaak iets te vaak Brigitte Kaandorp om de hoek kijken ('dat heb ik nou altijd’), maar over het algemeen pakt die gewoonheid goed uit in scherpe huiselijke tafereeltjes en rake observaties. Over de psychiater die haar een persoonlijkheidstest afneemt: 'Hij had een grote mond met slappe rode lippen. Het was geen mannenmond en geen vrouwenmond, meer een mond van iemand die vroeger te veel aan een zuurstok heeft gelikt en al dat roze spul is aan zijn lippen blijven kleven.’ De wereld zit vol met goedbedoelende idioten, die 'oh kom er eens kijken’ neuriën als ze in de tuin bezig zijn en hun klei in plastic teiltjes onder de tafel bewaren. 'Ik kan wel janken om dat soort dingen.’
Inderdaad, Salingers The Catcher in the Rye (1951) dringt zich op als immer stralend lichtbaken voor dit soort pratendepuberproza ('I was surrounded by jerks, I’m not kidding’), maar het boek waaraan ik toch het meest moest denken was Red ons, Maria Montanelli (1989) van Herman Koch ('ik weet niet wat het is maar ik word daar op een foute manier helemaal licht van in mijn buik’). Even leuk en even hatelijk, zij het dat Boelsums meer iemand van de vierkante millimeter is, waar Koch flink doorbanjert. Ook Kochs verteller heeft iets op te biechten, iets met een gepeste jongen, nog zwakbegaafd bovendien, maar uiteindelijk blijkt dat niet de kern waar het boek om draait. Red ons, Maria Montanelli is vooral een smeekbede aan het adres van Maria Montessori om een bommetje te laten gooien op alle scholen die haar naam dragen, om te beginnen in Amsterdam-Zuid. Een groteske wraakfantasie is het hoogtepunt van Kochs roman, terwijl Boelsums’ roman even verstild eindigt als die begon. Mariecke zorgt er zelf voor dat er gerechtigheid komt, eindelijk. Het slotmoment van het boek is zelfs poëtisch te noemen, met een toenadering tussen Lipstick en Mariecke. Heel mooi, hoe slap dat dan ook je strot uitkomt.