Scherper en ­kritischer dan Astrid Lindgren

Guus Kuijer is solidair met kinderen, onder het motto ‘grote mensen, daar kan je beter soep van koken’. Terecht won hij de Astrid Lindgren Memorial Award.

Guus Kuijer, Het boek van alle dingen, € 12,95

Het is een onzinnige vraag, de vraag hoe een goed kinderboek eruit moet zien. Althans, volgens Astrid Lindgren (1907-2002). En als er iemand recht van spreken heeft, dan is het wel de beroemdste en veelzijdigste kinderboekenschrijfster van de vorige eeuw.

Het schrijven van een kinderboek is niet anders dan het schrijven van een gedicht of roman, legt Lindgren uit in Het land dat verdween (1978), haar bespiegelingen over het Zweden van haar gelukkige jeugd: er bestaan geen recepten voor. Zoals de dichter of romancier kan ook de kinderboekenschrijver slechts in vrijheid ‘vol vertrouwen zelf zijn scheppingen diep uit zijn ziel putten’. En verder, schrijft Lindgren, is er ‘de taal’. Die vindt ze ‘het allerbelangrijkst’ en moet ‘met de inhoud van het boek een harmonisch geheel vormen’. Waarna ze ervoor waarschuwt dat je als kinderboekenschrijver gerust dingen kunt schrijven die zowel kinderen als volwassenen kunnen waarderen, maar dat je ‘nooit’ iets moet schrijven ‘waarvan je gezonde verstand je zegt dat het alleen maar door volwassenen gewaardeerd wordt’.

Deze wijsheden van de koningin van de kinderliteratuur indachtig kon het niet anders dan dat de Astrid Lindgren Memorial Award – na Lindgrens overlijden ingesteld door de Zweedse overheid en met zo’n 550.000 euro de grootste kinderboekenprijs ter wereld – een keer zou worden toegekend aan Guus Kuijer (1942). Twee weken geleden geschiedde aldus. Ontegenzeggelijk is zijn veelvuldig geprezen oeuvre verwant aan dat van Lindgren en werkt hij, zoals de prijs het wenst, in haar geest. Vooral Kuijers huis-tuin-en-keuken-verhalen over zijn eigenzinnige, rebelse boekenheldinnen Madelief en Polleke en – minder bekend maar onmiskenbaar ook lid van de Kuijer-familie – avontuurlijke Tin Toeval, tonen eenzelfde grote solidariteit met kinderen als Lindgren voelde. Dat wil niet zeggen dat Kuijer zijn lezers spaart, of extra omzichtig te werk gaat. Integendeel. Hij durft duidelijk scherper en maatschappijkritischer te zijn dan Lindgren. De grote levensvragen gaat hij niet uit de weg, net zo min als de complexe, eigentijdse problematiek van onze samenleving.

In Krassen in het tafelblad (1978) sterft Madeliefs grootmoeder. En in Met de wind mee naar de zee (2001) worstelt Polleke niet alleen met het gegeven dat haar basisschoolvriendje Mimoen Marokkaans is, maar vooral met het naderende einde van haar grootvaders leven. En dat is niet alles. Zo ontdekt Madelief dat haar grootmoeder eigenlijk ‘een ontdekkingsreiziger’ was, maar gevangen zat in haar tijd en huwelijk. Zo blijken de ouders van Polleke gescheiden en is haar vader Spiek verslaafd (hij is het type ‘IP’, een ‘Ingewikkelde Pa’; nog altijd beter dan een ZIP, ‘Zeer Ingewikkelde Pa’). En zo ontdekt Florian Knol, die in 2006 het daglicht zag en als tienjarig warhoofd ervan droomt een ‘ijskoude jongen’ te zijn ‘die met zijn messcherpe verstand de wereld in reepjes gaat snijden’, hoe ­gemakkelijk oude mensen worden vergeten en vereenzamen.

Maar nergens etaleert Kuijer pedagogische betweterigheid, of oordeelt hij in termen van goed of fout. Kuijer bewaart bewust een lichte afstand tot zijn personages en thema’s. Zo schrijft hij over kindervriendschappen, over jaloezie, over de (soms moeizame) relatie tussen kinderen en hun ouders en grootouders, over verschil in cultuur en stad en platteland, over verdriet en vreugde en over geloof, zonder dat het ooit drammerig of sentimenteel klinkt.

Wel is het zo dat volwassenen, geïnspireerd door de ‘anti-mevrouwen en -meneren­mentaliteit’ van Annie M.G. Schmidt, het altijd moeten ontgelden onder het motto, ‘grote mensen, daar kan je beter soep van koken’. Deze Madelief-titel verraadt al dat Kuijer daarvoor niet dezelfde felle bewoordingen gebruikt als in zijn befaamde polemiek Het geminachte kind (1980), waarin hij fulmineert tegen de volwassenenwereld en het pedagogisch verantwoorde kinderboek en onderwijs meedogenloos aanvalt. Nee, in zijn kinderboeken is de aanval jegens ons volwassenen die ook maar wat aanrotzooien altijd lichtvoetig en subtiel en verrast en ontroert Kuijer je tegelijkertijd met zijn humor. Als Polleke bijvoorbeeld in Voor altijd samen, amen (1999) wenst dat ze, zoals haar grootouders, ook in God geloofde en kon bidden, zou ze zeggen: ‘Beste God, ik hou van Minoen en hij van mij, maar dat kan eigenlijk niet en daarom verzint hij een smoesje om het uit te maken. Wij moeten uit elkaar, want in de achtste groep zijn we al bijna grote mensen. Grote mensen houden ervan dat dingen niet mogen. Amen.’

Kuijer (ooit onderwijzer) denkt zelf dat het geheim van zijn schrijverschap zijn taal is. In een portret dat Bregje Boonstra van hem maakte (opgenomen in Wat een mooite, hoogtij in het kinderboek in acht portretten, 2009), vertelt hij dat hij het talent heeft ‘een taallandschap te ontwerpen waar de lezer in kan geloven’. Alleen door het vinden van de juiste taal gaan kinderen leven, zegt hij, met welke uitspraak hij zich een bondgenoot van Lindgren toont.

Iedereen die Het boek van alle dingen (2004) leest zal inzien wat Kuijer bedoelt. Dit boek, Kuijers ‘meest dierbare’, lijkt weliswaar afwijkend binnen zijn oeuvre, doordat het verhaal zich afspeelt in de jaren vijftig in een zeer streng gelovig en door de autoritaire vader met (letterlijk) harde hand geleid gezin, maar is door zijn heldere terloopse stijl en intelligente, precieze woordkeus toch herkenbaar kuijeriaans.

Alles wat Kuijer is en kan komt hierin samen. Zijn liefdesverklaring voor Kästners Emil en zijn detectives. Zijn eerbetoon aan Annie M.G. Schmidt. Zijn opstandigheid en protest tegen fundamentalistisch volwassen gedachtegoed. Zijn pleidooi voor eigenheid. En vooral zijn lichtvoetige taalgebruik en elementaire verbeeldingskracht waaruit het jongetje Thomas Klopper (9) is ontsproten. Zoals Madelief en Polleke en al die andere kinderen die groot moeten worden wenst Thomas slechts ‘gelukkig te zijn’. Kuijer begrijpt dat verlangen en weet het bovendien op onnavolgbare wijze vorm te geven. Zodanig dat hij zijn jonge lezers altijd recht in de ogen kan kijken.

Guus Kuijer kan zijn lezertjes altijd recht in de ogen kijken