Scherven

Zo sta je buiten in het licht van een warme lentedag, om je heen bloeiende holwortel, bosanemoontjes en narcissen en plotseling is het een middag in de jaren zestig, ergens op een stuk braakland langs een dode spoorlijn, een paar jongens die een dam bouwen in een bijna droge sloot, kraaien boven een knoestige eik. Kom maar op, Marcel Proust…

De kalender zegt 2018, dit is een open plek in het bos waar ik sinds iets meer dan een half jaar woon, maar in mijn hoofd zie ik de kurkfabriek die uitbrandt met groene en oranje vlammen, een op hol geslagen paard dat op een zaterdagochtend door de straat komt draven en wordt gestopt door een man die zijn armen spreidt en het paard bij het halster pakt. En die keer dat ik ’s nachts slaapwandelend het huis uit liep en mijn ouders, op bezoek bij buren verderop, die mij in mijn pyjama voorbij zagen lopen.

Een half uur geleden heb ik met de buurvrouw dood blad verwijderd uit de koekoeken voor mijn ramen. Zij stond in de diepe stenen bak en veegde alles bij elkaar en ik schepte het met een sneeuwschuiver naar boven. In een andere koekoek zat vorige week een pad. Hij zette zijn poten tegen het raam toen ik stond te kijken en richtte zijn blik op mij. Dat dacht ik tenminste. Een vaag vermoeden van communicatie. Maar wat wilde hij? Een paar dagen later werd het duidelijk, mooi weer, de ramen omhoog geschoven en plotseling, met een sprong, de pad die binnen zat. Had hij al die tijd in de koekoek gezeten? Ik heb hem naar buiten gedragen en onder de bomen, in de schaduw, losgelaten. Toen ik weer binnenkwam, bedacht ik dat ik geen foto had gemaakt. En daarna: waarom zou ik eigenlijk een foto maken?

Rond mijn twintigste ben ik gestopt met fotograferen. Ik kwam Harry Cock tegen, die sindsdien mijn beste vriend is, en besefte dat alles wat ik deed op het gebied van fotografie een aanfluiting was. Het leek mij een goede verdeling: hij de fotografie, ik de literatuur. Bovendien was ik te stom om diafragma, sluitertijd en godweetwatmeer uit mijn hoofd te leren. Misschien was dat wel de belangrijkste reden. Versvoeten, die kon en wilde ik wel onthouden. Zinnen, dichtregels, allemaal geen probleem.

De hobbyist houdt van quasi en de professional vaak niet minder

En toch heb ik door de fotografie veel geleerd. Jarenlang sjouwde ik achter Harry aan, tas met lenzen over de schouders, statief in de hand. Soms was ik model. Ergens zijn misschien nog schoolboekjes en handleidingen waarin een jongere versie van mijzelf iets aanwijst of veelbetekenend in de verte staart. We zijn ooit ook nog eens langs de Nederlands-Duitse grens getrokken omdat we iets wilden doen met die onzichtbare scheiding. We sliepen in onooglijke motels, in een bed dat doorzakte, onder muffe nylon dekens. De techniek heb ik toen niet geleerd, maar kijken wel. Als je met een fotograaf op pad bent en hij ziet wat jij niet ziet, dan vraag je je af waarom. Het antwoord was eenvoudig: omdat ik niet keek. Niet echt keek. Ik zag de wereld om mij heen als een soort ansichtkaart, met de onverschillige blik van een passant die op weg is naar iets anders. Harry keek alsof alles nieuw was.

De joodse mystieke traditie zegt dat de wereld is ontstaan uit een huishoudelijk ongelukje: het opperwezen dat houders omstoot waarin het zuivere goddelijke licht wordt bewaard en dat wordt door die onhandigheid in een regen van scherven verspreid. In alles, zegt de kabbala, zit een vonk van dat goddelijke licht, in het mooie, in het lelijke, in het goede en in het slechte. Zo, dacht ik, kijkt mijn vriend naar de wereld. Ik weet niet of dat echt zo is, maar voor mij voldoet die verklaring.

Van de techniek van de fotografie begrijp ik nog steeds weinig, maar ik kijk ondertussen als een kabbalistische fotograaf.

Niemand hoeft trouwens meer iets van techniek te weten, want de camera’s doen wat wij niet snappen. Jaren geleden kocht ik een prachtige kleine Leica en die had zoveel instellingen – sneeuw, vuurwerk, portret, nacht, kaarslicht, het ontbrak er nog maar aan dat er een pornomode opzat – dat ik de moed onmiddellijk opgaf. Ik geloof dat ik dat ding in zijn retro kalfslederen tasje in totaal niet langer dan een paar uur heb gebruikt. Tegen de tijd dat ik had besloten in welke modus een foto moest worden gemaakt, was het moment voorbij.

Als ik nu nog eens een foto maak, dan doe ik dat met de telefoon. Soms zet ik er een op mijn Instagram. Daar is het een kermis van filters en de meest gebruikte is een soort retro-effect waardoor elk plaatje lijkt op iets wat honderd jaar geleden is gemaakt door een fotograaf die een platencamera en een flitser met magnesiumpoeder met zich meezeult. De hobbyist houdt van quasi en de professional vaak niet minder. Een tijd geleden las ik een interview met een fotograaf die weer helemaal naar analoog was en afdrukte met een techniek waar zijn collega’s van honderd jaar geleden wanhopig van werden. Dat heet ‘authenticiteit’. In mij roept alles bij zoiets ‘oude-ambachten-braderie’, maar dat zal komen doordat ik ben opgegroeid in een provincie waar den ouden klompenmaker en den mandenvlechter in hoog aanzien stonden. Misschien moet ik mij voor dit soort dingen openstellen en terugkeren naar de spelling van Te Winkel, want het oude Nederlandsch is een prachtige taal.