Hoofdcommentaar

Scherven of confetti

Een betrouwbare graadmeter voor een stevige economische recessie of groeiperiode zijn economen die het einde van een tijdperk beginnen uit te roepen. Als het goed gaat, zoals in de jaren negentig, zijn bespiegelingen te verwachten over een ‘nieuwe economie’ waarin recessies tot het verleden behoren. Gaat het slecht, dan zijn de dollareconomie, de dominantie van de markt en misschien zelfs het Kapitalisme aan hun doodsstrijd begonnen. Dat blijkt dan toch telkens niet zo te zijn. In wat de ‘reële economie’ heet, worden de scherven of de slingers en confetti opgeveegd, in die andere economie vangt het speculeren en beleggen opnieuw aan.
In die andere economie draait alles om vertrouwen. Bij de handel tussen financiële instellingen, bijvoorbeeld. Jarenlang verhandelden de grootste en meest gerenommeerde financiële bedrijven ter wereld ‘kredietpaketten’ waarvan niemand kon uitleggen wat er precies in zat. Maar omdat iedereen ze met winst doorverkocht, deden talloze banken mee. Vertrouwen bepaalt nu ook of banken worden gered of ten onder gaan. Als een bank op dit moment het vertrouwen van beleggers verliest, is zij ten dode opgeschreven, of het bedrijf in werkelijkheid solide is of niet. Om vertrouwen draait het ook bij de onvrijwillige redders in nood: de nationale regeringen.
In de eerste plaats hebben zij vertrouwen onderling nodig. Europa’s belangrijkste regeringsleiders – Merkel, Sarkozy, Berlusconi en Brown – deden hun best om dat uit te stralen op hun persconferentie afgelopen weekend. Maar echt plechtig werd het niet. Gastheer Sarkozy deed wel een poging, maar terwijl hij ‘Europese samenwerking en coördinatie’ aankondigde om de kredietcrisis te bestrijden, wapperde er een handje achter zijn hoofd, lang en frivool, en het handje zat vast aan een guitig lachende Angela Merkel. Ze seinde vast om een glas water, maar in terugblik lijkt het steeds sterker alsof ze met haar vingers twee ezelsoren achter Sarkozy’s hoofd omhoog hield. Dat was in ieder geval toepasselijk geweest, want zodra de bondskanselier in Duitsland was teruggekeerd, kondigde ze de bescherming van spaarders aan. Van Duitse spaarders, zoals eerder de Ierse, Deense, Zweedse en Griekse crediteuren door hun regeringen in bescherming werden genomen.
Dat de nationale reflex opspeelt is misschien niet verrassend, maar wel pijnlijk. In de afgelopen decennia was het algemene wijsheid geworden dat de EU weliswaar op politiek en militair terrein nog in de kinderschoenen stond, maar op economisch terrein een reus was – een team van staten die hun economische fortuin aan elkaar hadden vastgeklonken. Nu lijkt ook Europese economische samenwerking – net als politieke en militaire – een luxeproduct, waarmee regeringen in goede tijden best willen experimenteren.
Om de indruk te vermijden dat iedereen zich achter zijn grenzen verschanst, verkeren Europese ministers, premiers en presidenten nu telkens in elkaars gezelschap en dat zal ook wel even zo blijven als de crisis aanhoudt. Tegelijkertijd willen Europese politici hun kiezers op het hart drukken dat zij bij alles éérst aan hun eigen burgers denken. Het is alsof Europese regeringen samen een brandend huis moeten blussen. Ze roepen daarbij voortdurend dat de brand onder controle is, maar houden intussen angstvallig een oogje op hun eigen spullen en slepen af en toe waardevolle zaken naar buiten om die dan trots aan de eigen achterban te tonen. De ‘gezonde delen’ van Fortis, bijvoorbeeld, die prompt onderwerp waren van een fikse laaglandruzie.
Het is een merkwaardige vertoning en het is dan ook maar de vraag wie daarmee vertrouwen wordt ingeboezemd. Wat de burgers betreft: menig spaarder zal zich pas zorgen gaan maken om zijn spaargeld op het moment dat politici gaan verklaren dat ze gerust kunnen zijn. Macro-economen zullen daar wellicht ook niet meteen blij van worden, want zo’n toezegging draagt flinke risico’s. De nog niet omgevallen zakenbank Morgan Stanley rekende uit dat de Duitse staatsschuld zou verdrievoudigen tot tweehonderd procent van het bbp als alle Duitse spaarders hun geld bij de overheid gaan innen. In het geval van Ierland zou de staatsschuld van 25 naar 325 procent worden gejaagd. IJsland ondervindt nu wat een te grote ijver kan opleveren om ‘besmette’ banken te redden: de hele landseconomie is in gevaar.
Ook aandeelhouders en banken die nog wel geld hebben, krijgen door geen enkele overheidsactie meer vertrouwen. In het bizarre geval van Fortis werd een bank door drie landen formeel ondersteund. Zij pompten ruim elf miljard euro in het bedrijf en nóg moest de bank een week later worden genationaliseerd, omdat niemand nog een cent in Fortis wilde steken. ‘Zodra een bank als kwetsbaar wordt gezien, lijkt er behalve nationalisatie niets meer dat nog gedaan kan worden om het vertrouwen terug te krijgen van partijen die de bank van geld moeten voorzien’, concludeert The Economist teleurgesteld.
Er is slecht één beproefd middel dat in dit spel kan zorgen voor een snelle terugkeer van ‘vertrouwen’, en dat zijn snelle winsten. Op dit moment worden die door veel partijen gemaakt, alleen is nog niet duidelijk door wie precies. Nederland zit daar waarschijnlijk bij, met zijn inlijving van ABN Amro plus Fortis Nederland voor de helft van de prijs. Bos hintte daar wat al te opzichtig op, afgelopen weekend, en kreeg de Belgische woede over zich heen. Erg vervelend. Maar rijen voor de bank, die heb je toch liever bij de goede buren dan bij jezelf.